DE PRAKTISCHE HOUDING VAN CHRISTUS TEN OPZICHTE VAN DE SCHRIFT.
1.
Hij geeft een opzienbarend getuigenis van het gezag en de goddelijke inspiratie van de Schrift.Voor Hem kan de Schrift niet gebroken worden (Joh. 10:35). Haar duur wordt vergeleken met die
van de hemel en de aarde, omdat haar oorsprong bovenmenselijk is (Matth. 5:18). God Zelf spreekt
in de bijbelse tekst, bijvoorbeeld in dat gedeelte waar Mozes schrijft over de brandende braambos:
‘Hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham’
(Matth. 22:31-32; vgl. 15:4). De geïnspireerde tekst is het ‘gebod Gods’, het ‘woord Gods’,
want het is God Zelf die gezegd heeft ... (Matth. 15:3, 6). De Heilige Geest spreekt door David als
hij Psalm 110 schrijft en de Messias Zijn Here noemt (Matth. 22:43). Het gebod Gods, het geschreven
Woord overtreft alle menselijke overleveringen, ook de godsdienstige (Marc. 7:8-9).
2.
Hij legt de nadruk op het belang van elk woord van de Schrift. ‘Gemakkelijker zouden hemel en
aarde vergaan, dan dat er van de wet een tittel zou vallen’ (Luc. 16:17).
‘Al wat door de profeten geschreven is, zal aan den Zoon des mensen volbracht worden’ (Luc.
18:31; vgl. 24:44).
3.
Vaak baseert Hij Zijn bewijsvoering op één enkele uitdrukking van de tekst, b.v.:
de naam die God Zichzelf geeft: ‘Ik ben de God van Abraham... (Matth. 22:32); het woord ‘mijn
Heer’ dat gebruikt wordt voor de Zoon van David (v. 43-45);
de uitdrukking ‘goden’ in Ps. 82:6 (Joh. 10:34).
4.
Hij plaatst de tekst van de Schrift op hetzelfde niveau als Zijn eigen goddelijke en onfeilbare
woorden, die nooit voorbij zullen gaan(Matth. 24:35).
5.
Hij neemt voortdurend Zijn toevlucht tot de Schrift.a.
In Zijn strijd tegen de verzoekingen van de duivel, antwoordt Hij drie keer: Er staat geschreven!
en neemt hij heel Zijn bewijsvoering uit Deuteronomium (Matth. 4:4, 7, 10; Deut. 8:3; 6:16;
6:13).
b.
In Zijn gesprekken met de Joden, herhaalt Hij voortdurend:
‘Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft?’ (Matth. 12:3)
‘Hebt gij niet gelezen... ‘ (wat geschreven staat over de sabbat, v. 5)
‘Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?’
(Matth. 19:4)
‘Hebt gij nooit gelezen...’ (van Ps. 8:3; Matth. 21:16)
‘Hebt gij nooit gelezen in de Schriften?’ (de afgekeurde hoeksteen, Matth. 21:42)
‘Hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is’ (over de ‘levenden’, wier God Hij is,
Matth. 22:31-32)
‘wat heeft Mozes u geboden?’ (over echtscheiding, Marc. 10:2-3)
‘Wat betekent dan dit, dat er geschreven is?’ (in Ps. 118:22; Luc. 20:17).
‘In uw wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee mensen waar is’ (Joh. 8:17)
‘Is er niet geschreven in uw wet...’ (feitelijk in Ps. 82:6, want het gehele Oude Testament was
‘de wet’ voor de Joden; Joh. 10:34)
c.
In Zijn onderwijs aan de discipelen, om zijn gezag te staven: Hij begint Zijn bediening door van
een schriftgedeelte in Jesaja te zeggen: ‘Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld’ (Luc.
4:16-21). Hij antwoordt de wetgeleerde: ‘Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?’ (Luc.
10:26). De Bergrede is volledig gebaseerd op de wet die bevestigd en vervuld wordt (Matth.
5:17 e.v.)
d.
In Zijn onderwerping aan de geboden van de wet:Jezus was bereid om ‘onder de wet’ geboren te worden (Gal. 4:4). Hij wordt besneden en voorgesteld
in de tempel ‘overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is’ (Luc. 2:21-23).
Hij beveelt de genezen melaatse de gave te offeren die Mozes heeft voorgeschreven (Matth.
8:4). Hij verwaardigt zich het hoofdgeld voor de tempel te betalen (Matth. 17:24-27).
e.
Aan het kruis, spreekt Jezus de gebeden uit en vervult Hij de profetieën van de Messiaanse
Psalmen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ (Ps. 22:2; Matth. 27:46). ‘Hierna
zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:
Mij dorst’ (Ps. 69:22; Joh. 19:28). En toen Hij vervolgens riep ‘Het is volbracht’ (v. 30),
wilde Hij daarmee tegelijkertijd zeggen, dat Zijn verzoenend werk voltooid was en dat de bijbelse
profetie volkomen was vervuld. ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest’ was het gebed
van Ps. 31:6 (Luc. 23:46).
f.
Na de opstanding neemt Jezus niets terug van Zijn onvoorwaardelijke bevestiging van de waarheid
van de Schrift tijdens de dagen van Zijn vernedering (waarvan sommigen beweren dat Hij
gedurende die tijd afstand deed van Zijn alwetendheid). Integendeel, Hij legt aan de discipelen
op de weg naar Emmaüs, en daarna aan de vergaderde discipelen, uit wat in al de Schriften op
Hem betrekking had, vanaf Mozes tot aan de profeten en de psalmen (Luc. 24:27, 44, 46).
6.
Christus bevestigt de verhalen van de Heilige Schrift.Hij beroept Zich op een zeer stellige en natuurlijke wijze tot in de kleinste bijzonderheden op de
gebeurtenissen van het Oude Testament. Het is duidelijk, dat Hij deze niet als mythen of legenden
beschouwt, maar als vaststaande historische feiten:
de schepping van het eerste echtpaar (Matth. 19:4-5)
de moord op Abel (Luc. 11:51)
Noach, de ark en de zondvloed (Matth. 24:37)
de rol en het geloof van Abraham (Joh. 8:56)
de besnijdenis die aan de aartsvaderen gegeven was en die plaats vond op de achtste dag, ook al
viel deze dag op de sabbat (Joh. 7:22-23)
de verwoesting van Sodom
de redding van Lot, de ondergang van zijn vrouw (Luc. 17:29, 32)
Isaäk en Jakob als historische personen (Luc. 20:37)
de roeping van Mozes (Marc. 12:26)
de wet door Mozes gegeven, die echtscheiding toelaat en de reiniging van de melaatse voorschrijft
(Joh. 7:19; Matth. 19:18; 8:4)
de tien geboden (Matth. 19:18)
het manna (Joh. 6:31-51)
de koperen slang (Joh. 3:14)
David die de toonbroden eet (Matth. 12:3)
de koningin van het Zuiden (Matth. 12:42)
de wijsheid en de luister van Salomo (Matth. 12:42; 6:29)
Elia en de weduwe van Sarepta (Luc. 4:26)
de toekomstige rol van Elia (Marc. 9:12)
Elisa en Naäman de melaatse (Luc. 4:27)
Jona en de mensen van Ninevé (Matth. 12:40-41)
de verdorvenheid van Tyrus en Sidon en het oordeel over hen (Matth. 11:21)
de dood van Zacharia tussen het altaar en het tempelhuis (Luc. 11:51)
de profetie van Daniël (Matth. 24:15).
7.
Jezus geeft, alsof het met opzet is getuigenis over Schriftgedeelten die tegenwoordig fel aangevallen
worden.Wij hebben zojuist gezien wat Hij zegt over Adam en Eva, de zondvloed, Jona, Daniël (aan wie Hij
Zijn titel ‘Zoon des mensen’ ontleent), enz. Hij bevestigt ook de echtheid en de eenheid van Jesaja
door het feit dat Hij geen enkel onderscheid maakt tussen het eerste en het tweede gedeelte van het
boek. Hij begint Zijn bediening door uitleg te geven over een profetie van Jesaja (61:1-2) (Luc.
4:17-21). Hij vestigt de aandacht op de bedreiging van Jesaja 6:9 (Matth. 13:14).
Hij past het ernstige verwijt van Jes. 29:13 (Matth. 15:7-9) op het volk toe. De evangelisten noemen
Jesaja nog als de schrijver van de volgende schriftgedeelten: Jes. 6:1-5 (Joh. 12:39-41); Jes. 8:239:1
(Matth. 4:14-16); Jes. 40:3; (Joh. 1:23); Jes. 49; 42:1-4; (Matth. 12:17); Jes. 53:1 (Joh. 12:38); Jes.
53:4 (Matth. 8’:17). Christus neemt uit de Pentateuch, die Hij steeds aan Mozes toeschrijft, de
grootste twee geboden van de Here (Deut. 6:4-5; Lev. 19:18; Marc. 12:29-31).
Wij hebben ook gezien dat de Here, in Zijn zware strijd met de duivel, tot drie keer toe het zwaard
van Deuteronomium hief (Luc. 4:4, 8, 12), een boek dat samen met Leviticus het meest door de
critici is aangevallen.
8.
Jezus stelt dat de Schrift volkomen toereikend is om een mens tot het heil te brengen.Hij verklaart met betrekking tot de broeders van de slechte rijke man: ‘Zij hebben Mozes en de profeten,
naar hen moeten zij luisteren’ (Luc. 16:29). De geschreven openbaring bevat alles wat nodig
is om een zondaar tot de kennis van God en het eeuwige leven te brengen. Iemand die uit de doden
is opgestaan (vv. 30-31) of zelfs een engel (Gal. 1:

zou niets meer en niets beters kunnen zeggen.
9.
Hij laat zien dat elke dwaling voortkomt uit veronachtzaming en het niet verstaan van de Schriften.‘Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent, noch de kracht Gods? Gij dwaalt wel zeer’
(Marc. 12:24, 27).
De discipelen op de weg naar Emmaüs zijn treurig en verontrust omdat hun opvatting van Gods
plan op niets is uitgelopen. Jezus kent de reden van deze teleurstelling en Hij zegt tegen hen: ‘O
onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!’
(Luc. 24:25).
Johannes Chrysostomus had inderdaad gelijk toen hij uitriep: ‘De oorzaak van alle kwaad ligt in de
onwetendheid aangaande de Heilige Schrift en de gebrekkige kennis daarvan!’