Van kaft tot kaft
Kerkelijke procedures en processen die er toe leiden dat een gemeentelid via verschillende stappen ten slotte uit de gemeente wordt gestoten, hebben een geweldige impact op alle betrokkenen. Op het slachtoffer zelf in de eerste plaats, maar ook op degenen die belast zijn met de uitvoering van een taak die zij als juist en wettig zien.
Het is daarom begrijpelijk dat G.J. (Gerrit) Nijhof, voormalig redacteur van het Nederlands Dagblad, diep getroffen is door de maatregelen die zijn kerkenraad (Gereformeerd Vrijgemaakt) tegen hem neemt. En het is begrijpelijk dat hij, als publicist, naar de tekstverwerker heeft gegrepen om klaar en helder te maken waarom deze hele procedure eigenlijk gaat, wat zijn motieven zijn en waarom hij denkt en gelooft zoals hij gelooft.
Het boek dat hij geschreven heeft, ‘Van kaft tot kaft’, is een verhaal over een procedure, maar het is nog meer: het is een apologie, een verdedigingsrede, waarin hij duidelijk wil maken dat hij niet anders kan geloven dan hij gelooft. Meer dan eens vergelijkt Nijhof zich met Maarten Luther: dit boek zijn de 95 stellingen die hij openbaar maakt, in de hoop, dat er over gesproken zal worden en in de hoop dat zijn motieven door mensen binnen en buiten zijn eigen (vrijgemaakte) kring verstaan zullen worden. Het boek is dan ook opgedragen ‘aan de Kerkenraad van de Gereformeerde Kerkenraad (Vrijgemaakt) te Hoogeveen, en aan alle kerkenraden die zich door de titel van dit boek in hun geweten voelen aangesproken’.
De titel van het boek is: ‘Van kaft tot kaft, de theologie van een gesneden beeld’. Daarmee is al heel wat gezegd over de inhoud. Het gaat over de schriftbeschouwing, over de manier waarop naar de stellige overtuiging van Nijhof de bijbel gelezen moet worden. Wij moeten de bijbel niet lezen als een letterlijk verslag, de bijbel is geen boek over geologie, geschiedenis of aardrijkskunde, en de bijbel is al helemaal niet onfeilbaar. Met klem en pagina-in pagina-uit betoogt Nijhof dat de bijbel een boek is dat meer vragen oproept dan het beantwoordt, dat de oerverhalen niet kloppen, dat de schepping in zes dagen een onjuiste weergave van de werkelijkheid geeft omdat de volgorde van de scheppingsdagen rationele problemen geeft. Bovendien merkt Nijhof op dat er twee scheppingsverhalen in de bijbel staan die nogal wat ban elkaar verschillen.
Na de schepping worden de andere bijbelverhalen op de snijtafel gelegd. De zondeval, de zondvloed: het kan allemaal niet op deze manier hebben plaatsgevonden. Overigens brengt de schrijver het woord ‘zondvloed’ in verband met het woord zonde, en dat klopt niet. Maar goed, een kleinigheid. De besnijdenis, de ark als voorbeeld van beeldendienst en de volkerenmoord bij de intocht van Israël in het beloofde land worden uitvoerig behandeld.
Tot nu toe is datgene wat Nijhof schrijft voor mainstream-protestanten allemaal niet zo verrassend. In de vijftiger jaren spraken wij over deze zaken op catechisatie en de predikant probeerde angstvallig koers te houden tussen de Scylla van onze betrokken nieuwsgierigheid en de Charybdis van meer behoudende ouders en kerkenraadsleden. Op de middelbare school werden debatten gehouden tussen de leraar biologie die in de schepping in zes dagen geloofd een de leraar godsdienst die een aanhanger was van de evolutietheorie. Het onverwachte ligt vooral hierin dat nu iemand uit de Vrijgemaakte hoek deze vragen hardop stelt en een antwoord wil hebben. Het verrassende zit er bovenal in, dat hij niet de makkelijke weg van de uitschrijving kiest, maar binnen de eigen kerk het gevecht wil aangaan. Want zijn punt is niet zozeer: ik ben anders gaan denken, en daar moet ik mijn consequenties dan maar uit trekken, zijn punt is: de opvatting dat wij al deze verhalen letterlijk moeten geloven is een belediging van God. God wordt voorgesteld als iemand die volstrekt willekeurig bepaalt wie gered wordt en wie verloren gaat (de uitverkiezing), God wordt voorgesteld als iemand die opdracht geeft tot genocide (de intocht), God wordt voorgesteld als een natuurgod (Psalm 104) en als een god die wetten geeft waarbij slavernij wordt toegestaan en mensen om het minste of geringste gestenigd worden. Hoe is dat alles te rijmen met de klassieke voorstelling dat de Zoon er was van den beginne en dat de Zoon deel heeft aan het werk van de Vader?
Op bladzijde 129 straat het klaar en helder: “Ging die Zoon, die tot redder en verlosser van de wereld zou worden, daar naast Zijn Vader voor het volk van Israël uit en was Hij mede verantwoordelijk voor de genocide in Kanaän omdat Hij één was met de Vader?” En dan komt de cruciale vraag: “Wie heeft de stelling bedacht van de eenheid der schriften van het Oude en Nieuwe Testament?”
Op dat moment is volstrekt helder wat de schrijver bedoelt. De problemen rond de interpretatie van het Oude Testament, de weerbarstige woestijnverhalen van het volk Israël, de talloze vragen die oudtestamentische verhalen inderdaad oproepen (laat daar geen twijfel over bestaan!) worden door Nijhof ‘opgelost’ door het Oude Testament los te maken van het Nieuwe Testament en in de God en Vader van Jezus Christus een ánder te zien dan de god (expres schrijf ik nu met een kleine letter) van het Oude Testament.
Het is niet voor het eerst dat we dat zien gebeuren. Integendeel. Omstreeks het jaar 135 komt een lid van de gemeente in Rome in opstand. Met Christus is een radicaal nieuw tijdperk aangebroken. Als Christus ons God de Vader laat zien als een God van liefde en goedheid, net als Hijzelf, dan moet dat een andere God zijn dan de jaloerse, wrekende, oordelende en oorlogszuchtige god van het Oude Testament.
De man die dit stelde heette Marcion, en zijn optreden bewerkstelligde het tegenovergestelde van wat hij wilde bereiken. Als reactie op zijn optreden sprak de kerk luid en duidelijk uit, dat de schriften van het Oude en Nieuwe Testament een onlosmakelijke eenheid vormen. Nijhof bevindt zich in een zuiver Marcionitische traditie, en daar komt hij duidelijk voor uit. Op bladzijde 160 is voor hem God dan ook de ‘auteur van het kwaad’. Immers: God heeft alles geschapen, dus ook het kwaad. Er is geen lijn vanuit het Oude Testament naar Jezus, Hij is niet de scharnier tussen het Oude en Nieuwe Testament, maar in Hem is al het oude voorbij en is er iets volstrekts nieuws begonnen. Kortom: al zegt de schrijver het met andere woorden, het Oude Testament is voor hem het verouderde testament en het nieuwe testament het enige testament.
Heel opmerkelijk: in de uitvoerige briefwisseling tussen Nijhof en de Kerkenraad van Hoogeveen (als bijlage opgenomen) komt dit aspect niet aan de orde. Nijhof denkt niet alleen anders dan de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), hij laat uiteindelijk de eenheid tussen Oude en Nieuwe Testament los, hij ontkent Gods aanwezigheid in de verhalen van het Oude Testament en neemt daarmee afstand van de brede christelijke traditie die, hoewel met allerlei nuances, in elk geval de eenheid van het Oude en het Nieuwe Testament altijd hebben vasthouden. Welke gevolgen deze positie heeft voor het gesprek met Israël komt in het boek al helemaal niet in het vizier, maar het is natuurlijk wel een levensgrote vraag.
De christologie komt er in Nijhofs boek ook niet al te best af. Niet alleen de bijbel is een ‘gesneden beeld’, ook het geloof ín Jezus is geworden tot een gesneden beeld. Het geloven in zijn boodschap is niet voldoende, we moeten, merkt Nijhof afkeurend op, ook in Hemzelf geloven. “De naamloze God (Jahweh, IK BED, dat moet genoeg zijn) heeft in Zijn Zoon weer een naam gekregen” (bladzijde 212). Abraham, Mozes en Jezus vochten dan weliswaar tegen door mensen gemaakte goden, maar ‘wij’ hebben dat weer teruggebogen, omgepoold, en in strijd met het gebod hebben we van Jezus een gesneden afgodsbeeld van God gemaakt.
Nijhof heeft een zware periode gehad. Hij schrijft dat meermalen, en dus ga ik er van uit dat het ook waar is. Het is wel jammer dat de verbittering die daar het gev