Over 1 Kor 14,34-35: inderdaad heeft een rijtje handschriften (D E F a b vg(ms)) en een kerkvader (Ambrosiaster, eind 4e eeuw) deze tekst achter vers 40. Zou dat veel verschil maken? De context verandert Paulus' argument niet echt. In vers 32 heeft hij het over "onderworpen zijn", in vers 34 over "onderworpen zijn" en in vers 40 over "alles in goede orde". De boodschap is vergelijkbaar.
Ik zie twee manieren waarom men zou kunnen denken dat de plaatsing achter vers 40 een verschil kan maken.
a) Het klemmende vers 36 "Of is het woord van God bij jullie weggegaan, of heeft het alleen jullie bereikt?" zou in dat geval slaan op vers 33, en niet meer op de "lerende vrouw". Tegenargument: afgezien van de gebiedende wijzen in vers 34/35, geeft Paulus twee argumenten in de verzen zélf: 1) het is tegen de wet, 2) het is schandelijk.
b) Onzekerheid in de plaatsing zou kunnen betekenen dat het later is toegevoegd, en dus niet echt in de bijbel staat. Tegenargument: het is dan wel heel opmerkelijk dat alle handschriften dit vers opnemen. In het tekstkritisch commentaar van Nestle-Aland 27 zie ik alleen dat ene "Straatman" denkt dat het vers eigenlijk niet in de tekst thuishoort -- maar hij heeft duidelijk geen voldoende overtuigende argumenten.
Er is ook nog een taalkundig argument om de verzen op hun "gewone plaats" te houden. Als in vers 34 een nieuwe zin zou beginnen ("De vrouwen in de gemeenten ..."), hangt die zin nogal in de lucht. Zeer gangbaar in het Grieks (en zeker ook in 1 Cor) is het om zinnen op een of andere manier te koppelen aan het voorgaande betoog, al is het maar door een klein 'partikel'. Vers 34 heeft niet zo'n aanduiding; daarom acht ik het waarschijnlijker dat vers 33b de gewenste inleiding vormt.
Ik bedoel al met al maar te zeggen, dat een handschriftverschil als dit in het algemeen niet veel speelruimte geeft. Daarin schaar ik me dus volledig achter wat Pooh eerder opmerkte. (Als je de bijbel écht wat anders wil laten zeggen zorg je er óf voor dat je een 'gekleurde' vertaling maakt en dat de mensen de grondtekst niet lezen, óf je moet de helft van de bijbel tot 'nep' verklaren, zoals Marcion begin 2e eeuw al deed.)
Overigens lost de presbyteriaanse traditie het probleem van de oorspronkelijkheid elegant maar hypothetisch op, door te stellen dat de bijbel onfeilbaar is in haar autografen, dat is, in de oorspronkelijk neergeschreven tekst. Vandaar dat de "inerrancy movement" (o.a. Gordon Clark) felle discussies voert over welk handschrift origineel is. Dat de NGB niet zo'n clausule bevat is simpelweg omdat de kwestie toentertijd nauwelijks speelde en omdat men wel belangrijker zaken aan het hoofd had.