Onlangs bespraken wij op Bijbelstudie het boek Openbaring. In hoofdstuk 8 staat o.m. het volgende (vertaling NBV):
1 Toen het lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, gedurende ongeveer een half uur. 2 Ik zag de zeven engelen die voor Gods troon staan. Ze kregen alle zeven een bazuin. 3 Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan. Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen. 4 De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God. 5 Toen nam de engel de wierookschaal, vulde hem met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde. Er volgden donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving. Het gaat dus om vers 5. In het overigens zeer lezenswaardige commentaar op Openbaring van H.R. van de Kamp (Openbaring, profetie vanaf Patmos, serie Commentaar op het Nieuwe Testament) staat hierover het volgende:
Na het offeren van de gebeden doet de engel onder voortdurende stilte nog meer. Hij vult het vat met vuur van het altaar en keert de vuurpan om op de aarde. Hetzelfde altaarvuur dat diende om de gebeden aan God te offeren wordt daarna op de aarde gegooid. Dit herinnert aan Ez. 10 : 2, waar gloeiende vuurkolen op de stad worden geworpen. Zoals op het merken van de wetsgetrouwen (Ez. 9) het werpen van het vuur op de stad volgt (EZ. 10), zo volgt het signeren van Gods knechten (Op. 7) het werpen van vuur op de aarde (Op.

. De beeldtaal van de omgekeerde vuurpan drukt uit dat God de gebeden verhoort met het zenden van gerichten.
Gerichten zijn omgekeerde gebeden.Het gaat mij om de laatste zin.
Mijn vragen zijn:
1. Sta je wel eens stil bij het feit dat jouw gebed gerichten veroorzaakt?
2. Is dit bepalend voor de inhoud van je gebed?