1 Cor 1, 10: Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen.
(scheuring = Gr. schisma van schizo = scheuren)
1 Cor 11, 19: Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan.
(scheuring = Gr. hairesis van haireo = oppakken, kiezen. Het woord wordt al in de oudheid gebruikt om (religieuze) secten aan te duiden. In het vroege christendom gaat het woord 'dwaalleer' betekenen; zo schreef Irenaeus [rond 200, dacht ik] een boek Adversus Haereses, "Tegen Dwalingen". Dit verklaart ook het gebruik van het woord in het Engels: heresy = dwaalleer.)
Tit 3, 10: Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen;
(mens die scheuring maakt = Gr. hairetikos, zie boven; Engels: heretic)
Judas 19: Zij zijn het, die scheuringen maken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben.
(die scheuringen maken = Gr. apodiorizontes van apo-di-horizo; horizo = afscheiden [vd. horizon], di(a)- versterkt de betekenis, apo- betekent vaneen.)
Scheuringen horen dus niet thuis in de gemeente van Christus; al is het onvermijdelijk dat ze ontstaan. Het is de manier waarop God zijn mensen "test".
Anderzijds hebben we ook de opdracht ons af te schermen van al wat on-Christelijk is.
Ik denk dat je, op grond van bijbelstudie, uit zult komen bij het principe, dat afscheiden in een kerk alleen dan te rechtvaardigen (maar dan ook noodzakelijk) is, als de rest afvallig en ontrouw is geworden.