Opmerkelijke opmerking: voetnoot op pg 94 uit "De Kerk van alle tijden" van Louis Praamsma
We praten over de tijd na de synode van Nicea (325) waar de geloofsbelijdenis van Nicea is opgesteld (tegen over Arius die de godheid van Jezus ontkende). Daarna kwam Appollinaris met een dwaalleer (Jezus niet volledig mens) => veroordeeld in 381, daarna kwam Theodorus van Mopsuestia, vertegenwoordiger van de Antiocheense school, die leerde dat Jezus een tweeeenheid was. => veroordeeld in 431 daarna gaat het verder ....
boek
De Alexandrijnse school kon zich niet verenigen met de gedachte dat Christus naar Zijn menselijke natuur in alles gelijk is geweest als wij (hoewel zonder zonde). Haar meest invloedrijke vertegenwoordiger was Eutyches, hoofd van een klooster in Constantinopel, die zozeer de goddelijke natuur van Christus op de voorgrond stelde, dat hij slechts van een natuur van de Zoon van God sprak na Diens vleeswording; de menselijke natuur werdt totaal opgenomen in het goddelijke, werdt vergoddelijkt (monophysitisme).
De strijd tussen beide partijen werd met zoveel hartstocht gevoerd dat er een synode over werd samengeroepen (Efeze 449) die in de geschiedenis is blijven voortleven onder de naam roversynode; op deze synode werd de bisschop van Constantinopel door furieuze monniken zo zwaar mishandeld, dat hij enkele dagen later aan zijn verwondingen stierf.
voetnoot
Het is de moeite waard kennis te nemen van het oordeel van Calvijn over deze synode. Wanneer hij in zijn Institutie schrijft over het waardevolle van synodeuitspraken, die hij positief waardeert, voegt hij aan dit waarderingsoordeel toe, dat niet alle kerkvergaderingen aan dit ideaal beantwoord hebben en dan noemt hij als voorbeeld de synode van Efeze in 449. Hij vermeldt de misdaden daar begaan en vervolgt dan: "Dat gebeurde omdat Dioscurus, een twistziek mens met een slecht karakter, en niet de Geest des Heren, de leiding had. Maar, zo zult u zeggen, dan was de kerk daar niet. Dat geef ik toe. Want ik ben er ten volle van overtuigd dat de waarheid in de kerk niet sterft, zelfs als ze door een kerkvergadering ten onder wordt gehouden, maar dat ze op wonderlijke wijze door de Here wordt bewaard, zodat ze te zijner tijd weer verrijst en overwint. Maar ik ontken dat te allen tijde een verklaring van de Schrift, aanvaard door een kerkvergadering, waar en zeker is" (Inst. IV, 9, 13)
Volgens mij is het punt wat Calvijn probeert te maken is dat de kerkelijke uitspraken geen goddelijke status heeft.
vraag
Wat ik niet kan plaatsen is hoe de verklaring (want ...) uitlegt dat de kerk daar niet was. Toch ga ik ervan uit dat deze synode de dwaalleer van de Alexandrijnse school (terecht) heeft afgewezen. Iemand een idee?