quote:
op 23 Oct 2003 19:10:16 schreef Qohelet:
Nu terug naar topic. Als we de belofte van de doop en de zekerheid van het verbond willen inperken, door te zeggen dat je niet zeker kunt zijn of dit kind ook uitverkoren is, dan ontneem je de doop zijn rijkdom. In feite belooft God dan helemaal niets, in ieder geval niet betreffende het kind (dat zegt de PRC, bijvoorbeeld); of Hij belooft alles voorwaardelijk. Dat laatste is niet alleen Arminiaans, het verhoudt zich ook bar slecht met de belofte van de Geest in HC v&a 74, dat God zelfs de Geest als auteur van het geloof, belooft.
.
Qohelet, bovenstaande heb ik eruit gelicht omdat dit het centrale is in jouw mening, naar ik veronderstel.
Jij schrijft dat het arminiaans is om te stellen dat God alles voorwaardelijk belooft.
Nu hebben gereformeerden in de strijd rondom de Vrijmaking juist expliciet verwezen naar het voorwaardelijke karakter van de doopbelofte. Prof. J. Kamphuis schrijft in "Een eeuwig verbond" pag. 72:
"Maar die belofte zelf is als aanspraak van God voorwaardelijk, conditioneel".
Gods spreken tot de bondeling is wel onvoorwaardelijk in die zin dat in de bondeling niet eerst de voorwaarde vervuld moet zijn dat er 'inwendige-genade' aanwezig moet zijn. Daarvan hangt het feit van Gods toespreken en aanspreken in het Verbond niet af.
En dat is de gereformeerde kritiek op het arminianisme/remonstrantisme die in de mens eerst iets aanwezig willen zien voordat God tot die mens kan komen met zijn beloften. Dat is voor arminianen/remonstranten het voorwaardelijke spreken van God, waarbij God afhankelijk wordt gemaakt van de mens.
Maar voor gereformeerden geldt dat zij zijn blijven vasthouden aan het verbond met zijn voorwaarden. En daarbij werd o.a. verwezen naar de Voorrede die de Statenvertalers bij het Nieuwe Testament schreven, waar met het oog op het Genadeverbond werd gesteld dat het "daarin bestaat, dat God Zijnen Zoon tot tot eenen Middelaar verordineerd heeft, en het eeuwige leven belooft onder voorwaarde dat wij in Hem gelooven....In beide, (het Oude en Nieuwe Testament) wordt de vergeving der zonden, de zaligheid en het eeuwige leven beloofd onder voorwaarde van in den Middelaar te gelooven".
En wat is de doop ten diepste anders dan het tot ons komen met de beloften van het Evangelie?
K. Schilder heeft erop gewezen dat er onvoorwaardelijke beloften van God zijn, zoals de belofte aan Noach dat er geen zondvloed meer zou komen, de vervulling van deze belofte werd niet afhankelijk gemaakt van het wel of niet geloven van de mens aan deze belofte.
Maar van de belofte bij de doop heeft hij (K. Schilder) continue gewezen op het voorwaardelijke karakter daarvan nl. dat de vervulling van de belofte verkregen wordt in de weg van geloof en bekering. Niet om daarmee de mens op een voetstuk te zetten maar omdat dit nu eenmaal de weg is die de HERE zelf heeft aangewezen. Daarbij de mens verantwoordelijk stellend voor zijn daden. De oude paradijsgedachte waarbij de mens verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn doen en laten. Omdat God hem zo geschapen heeft.
Daarmee ging Schilder in het voetspoor van o.a. Calvijn die in zijn verklaring van Gen. 17:2 en 3 schrijft :"Wij hebben gezegd, dat het verbond Gods met Abraham tweeledig was. Het eerste lid was het getuigenis ener om niet geschonken liefde, waaraan de belofte van het gelukzalig leven verbonden was. Het andere evenwel was een aansporing om oprecht zich toe te leggen op de beoefening der gerechtigheid". En verder:"God zijn genade aan Abraham aanbiedende, vordert van hem de oprechte begeerte om rechtvaardig en heilig te leven. Abraham zich neerwerpende geeft daardoor te kennen dat hij beide gehoorzaam aanvaardt".
Prof. J. Kamphuis schrijft hierbij het volgende in zijn boekje "Een eeuwig verbond":"De belofte is in zichzelf als áánspraak tot ons van Gods zijde en daarom conditioneel (voorwaardelijk) van karakter".
Jouw conclusie dat het een inperken van Gods belofte is bij de doop en de zekerheid van het verbond, als je er niet zeker van kunt zijn dat een dopeling uitverkoren is bestrijdt ik ten stelligste.
Gods belofte bij de doop zegt niets over het al of niet uitverkoren zijn. (Tussen haakjes, uiteraard wel uitverkoren om in het genadeverbond te worden opgenomen maar daar hebben we het nu niet over).
Maar of zij al dan niet uitverkoren zijn behoort tot de verborgen dingen van God. De geopenbaarde dingen zijn voor ons en die zijn dat wij en onze kinderen in het verbond van genade rijke beloften krijgen met de eis om die gelovig te aanvaarden. Dat is de weg waarlangs het ons beloofde goed in vervulling komt.
K. Schilder heeft er ook telkens op gewezen dat de belofte van de HERE nog niet betekent het genieten van de beloofde goederen. Dat gebeurt nl. in de weg van geloof en bekering. En daarvan kan je bij een jong kind dat gedoopt wordt nog niet spreken.
Terug naar lied 335. Als daar gezongen wordt dat niemand ze uit Gods hand rukt waarbij we dan aan Joh. 10 :27 e.v. moeten denken dan blijf ik erbij dat je daar iets zingt wat boven de Schrift uitgaat omdat die bewuste tekst gaat over de uitverkorenen.
En, even terzijde, als de Here Jezus daar zegt dat niemand zijn schapen uit zijn hand kan rukken dan betekent dat toch gewoon dat dat blijkbaar wel geprobeerd wordt? De duivel gaat toch rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden? Maar de uitverkorenen zijn veilig bij hun Heiland omdat ze de gegevenen van de Vader zijn.