In 1905 heeft de toenmalige synode van Utrecht van de Gereformeerde Kerken 21 woorden uit de nederlandse geloofsbelijdenis geschrapt. Het gaat om deze woorden: 'Om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst om het rijk van den antischrist te gronde te werpen.' (ik ken die woorden uit mn hoofd want kheb op een reformatorische scholengemeenschap gezeten...)
In de tijd dat dit gebeurde leverde het nauwelijks enige discussie op.
Bij de vrijmaking in 1944 zijn er stemmen opgegaan om deze woorden weer in de belijdenis op te nemen. Toch is dit er niet van gekomen.
Hedentendage houdt de SGP en haar achterban nog onverkort vast aan artikel 36, dus mét de geschrapte passage.
- Wordt er nu nog hetzelfde tegen aan gekeken als in 1905? Was het terecht dat Abraham Kuijper deze passage schrapte?
- Waarom moest de passage eigenlijk zonodig geschrapt worden? Was het principe niet houdbaar? Was het achterhaald? Kon men het niet beter laten staan, maar het gewoon niet al te letterlijk nemen?
- De Nederlandse Geloofsbelijdenis is op een 'oecumenische synode' vastgesteld. Heeft één kerkverband dan eigenlijk wel het recht om 'zomaar' wat te gaan sleutelen aan die belijdenis?
- Is het niet een beetje 'hypocriet' om nu zo erg aan die belijdenis vast te houden, terwijl blijkbaar in 1905, door de veranderingen in tijd en cultuur ten opzichte van de 16e eeuw, de geloofsbelijdenis aan een 'update' toewas?
Of moeten we kerk en staat maar zoveel mogelijk gescheiden houden, dan krijgen we ook geen problemen...