Lienden, 15 december 2003
Aan de broeders van het Comité, het Gekrookte Riet en allen die met hen sympathiseren,
Geliefde broeders in de Heere Jezus Christus,
Het is met opzet dat ik U zo aanspreek, want het is de liefde van Christus aan het kruis voor goddelozen betoond en aan het Heilig Avondmaal zichtbaar en tastbaar voor zondaren voorgesteld, die mij dringt. Het is die liefde ook die in de diverse ontmoetingen en samensprekingen de laatste maanden ons, ondanks alles, aan elkaar deed verbinden. We hebben schouder aan schouder trachten te staan om een oplossing te vinden en scheuren en breuken te voorkomen. Tot en met de synodevergadering van 12 december heeft het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, samen met vele anderen en samen met U, zij aan zij gestaan om het belang van het gereformeerd belijden en daarin het belang van de kerk van Christus, te dienen. En zelfs buiten hen die zich specifiek op het gereformeerd belijden laten voorstaan, zijn er geweest die tot het laatst geprobeerd hebben de kerk voor breken te behoeden, getuige het grote aantal tegenstemmers bij het fusiebesluit.
Ook bij verreweg de meesten die voor het fusiebesluit hebben gestemd, leeft het verlangen dat U ondanks alle bezwaren in de Naam en de kracht des Heeren toch niet zult afhaken. Daartoe heeft de kerk dan ook, ondanks alle bezwaren die blijven, het gereformeerde belijden zodanige nadruk gegeven dat zij, voor wie dat belijden onopgeefbaar is, stevige bodem onder de voeten hebben.
Hoezeer het ondertussen te betreuren is dat het fusiebesluit genomen werd, toch is de uitslag ook een teken aan de wand. Met het grootst mogelijk aantal tegenstemmers en het kleinst mogelijk aantal voorstemmers is het besluit genomen. Daar zit iets van een Godsoordeel in en dat zowel naar de zijde van de tegenstanders als naar die van de voorstanders. We vragen wat God ons daarin heeft te zeggen. In elk geval is in de vele bidstonden die er gehouden zijn, de uitslag van het synodebesluit in Gods handen gelegd. En dat zijn goede handen, Vaderhanden en daarin milde handen. Er zijn geen betere handen denkbaar dan deze handen.
Heeft ons dat niet wat te zeggen? Immers, de handen van die hemelse Vader zijn ook almachtige handen. In het tonen van zijn almacht had de Heere het besluit anders kunnen doen vallen. Doch Hij heeft het niet gedaan. In Zijn almacht heeft Hij dus het besluit toch positief laten uitvallen. Iemand zegt mogelijk: "Dat heeft met zijn oordelen en gerichten te maken?" En ik ben geneigd U dat na te zeggen. Althans, ik vrees dat die kant er aan zit. In elk geval hebben we dat verdiend. Niet enkel het midden der kerk, maar ook wij allen die het gereformeerd belijden zozeer liefhebben. Immers, wat hebben wij met dat belijden gedaan? Functioneert het echt op de toonhoogte zoals het verstaan wil worden en zoals het in de bloeitijd van de Reformatie gefunctioneerd heeft in het levende geloof?
Om alleen maar het punt van geloofszekerheid te noemen en het krachtige getuigenis door de Heilige Geest dat daarvan uitgaat, wat hebben we daar van terecht gebracht? En wat hebben we terecht gebracht van de enigheid waar de drie formulieren toch zo glashelder van getuigen? Een enigheid die niet wortelt in het verstandelijk toestemmen van het gereformeerd belijden, maar die allereerst alles te maken heeft met de eenheid in Christus. Een enigheid die er Goddank was in onze samensprekingen, maar die onder dreigt te sneeuwen. Reden te over om ook zelf schuld te belijden en daarin als schuldige te buigen ook onder het oordeel van het genomen fusiebesluit. En als God slaat in het oordeel, hoe moeten wij dan met die slaande hand omgaan?
We verwijzen hierbij naar Hosea 6: 1 en 2, waar we lezen: "Komt en laat ons wederkeren tot de Heere, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen, Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor zijn aangezicht leven".
We willen toch niet beweren dat het wederkeren tot de Heere enkel zou gelden voor, zeg maar, de middengroep van de kerk?
Preken wij niet elke zondag dat na eerste bekering dagelijkse bekering tot onze laatste snik toe nodig blijft? En we kennen toch allen het gezegde dat we dieper dienen te graven, opdat we meer gruwelen zullen vinden? Tot onze verootmoediging, maar ook opdat we tot meer verwondering zullen komen over de rijkdom van Gods genade. Geeft het aangehaalde woord uit Hosea dan geen perspectief, ook voor binnen SoW-verband? Wanneer wij allen tot de Heere zouden wederkeren, zou het dan voor de Heere onmogelijk zijn om ook vandaag ons na twee dagen levend te maken?
U zegt misschien dat U geen bekering merkt bij het brede midden van de kerk, want dan was het fusiebesluit wel anders uitgevallen. Mijn vraag is of die bekering bij ons zo geweldig functioneert? Wanneer we allen eerst eens bij onszelf zouden beginnen, zal er voor de Heere dan iets te wonderlijk zijn om te verrichten? Is het oordeel in het fusiebesluit zozeer definitief dat het is uitgesloten dat de Heere ons na twee dagen levend zal maken?
O zeker, wij verkleinen de problemen niet, maar wij willen ze ook niet vergroten. Iets wat zo licht kan gebeuren in spanningsvolle situaties, zoals de laatste tijd in alles rond SoW. Meer dan ooit hebben we dan de genade nodig om vanuit een teer gemoed dat de Heere vreest, te bidden om een wacht voor onze lippen. Een wacht die er helaas niet altijd was. Bij sommigen in de kerk niet, maar ook bij ons niet. Ook het hoofdbestuur heeft niet altijd het juiste evenwicht betracht, zoals ook beleden is. Maar sommigen van U, geliefde broeders, hebben dat ook niet gedaan. Er zijn dingen gezegd naar in ieder geval de kerk toe, die niet gezegd hadden mogen worden. U hebt de bezwaren tegen SoW zozeer uitvergroot en scheefgetrokken dat geen eerlijk beeld overbleef. In een nadere reactie ben ik zeker bereid hier concreet in te zijn. Hoeveel bezwaren er ook mogen bestaan tegen de nieuwe kerk, de radicale ongenuanceerdheid waarmee U fouten hebt verwoord, kan voor God niet bestaan. U zult zich daarover dienen te verootmoedigen, om gedrongen door de liefde, U hierin te bekeren. Begrijp me goed, het gaat niet om de werkelijke bezwaren op zich, maar om de wijze waarop U ze vaak onder woorden hebt gebracht.
Bij dit alles wil ik ook aan sommigen van U vragen of Uw toorn billijk is ontstoken? Het is een vraag van God aan Jona. Jona, die het niet kon hebben dat God genadig en barmhartig is. En in moedeloosheid wilde hij er de brui aan geven. Waartoe moedeloosheid ons al niet kan brengen. Het is een insteekpunt voor satan. Maar God toont Zich barmhartig, niet enkel tegenover Jona door hem koelte te geven onder de wonderboom, maar ook tegenover de inwoners van Ninevé door het oordeel in te houden.
Daarom vraag ik U nogmaals of Uw toorn billijk is ontstoken?
U beroept zich voordurend op Uw geweten. Prima. Doch is dat geweten echt geheel gelouterd en gezuiverd, zodat ook het laatste restje oude mens er is uitgezuiverd? Zit er echt geen enkel kruimpje zelfhandhaving meer in? Het mag bekend zijn dat iemand als Abr. Kuyper rond de Doleantie ook ongenuanceerde krachtige taal heeft geuit. En hij stond er in zijn geweten helemaal achter. Doch nu na ruim honderd jaar weten we dat hij gespeend was van de zelfverloochening van iemand als Kohlbrugge, die wist vleselijk te blijven tot zijn doodsnik toe. En wat is er van Kuyper en zijn grote woorden terechtgekomen? Heeft God er niet in geblazen? Mijn dringende vraag is of U dit alles en nog meer wilt bedenken, wanneer U toch de route kiest van wat jaren geleden al is geroepen namelijk "breken". Het zou toch in-triest zijn wanneer na honderd jaar weer gezegd zou moeten worden dat God er in heeft geblazen.
U zegt dat blind vertrouwen op de Koning der Kerk roeping is. Akkoord. Doch de Schrift leert ons ook dat we hierin de voorzichtigheid van de vreze des Heeren zullen betrachten. En die vreze des Heeren doet