Wil volgende week spreken over dit onderwerp; dus graag jullie reactie !!!
Het geven van de tienden
God is de eigenaar, wij zijn rentmeesters
Geven kunnen we in veel opzichten: onze tijd, onze liefde, onze aandacht, onze gastvrijheid, onze gebeden, onze inzet, onze geestelijke gaven, ons geld.
Nu gaat het over dat laatste. Over het geven van ons geld voor het werk van de Heer. Wat zegt de Bijbel hiervan?
Geven is niet slechts een zakelijke noodzaak. Nee, er liggen belangrijke geestelijke principes aan ten grondslag. De Bijbel zegt:
'Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen' (Kolossenzen 1:16).
Dit betekent dat God eigenaar van alles is. En Hij heeft Zijn eigendom nooit overgedragen. Op één ding na:
'Hij heeft zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven' (Romeinen 8:32).
We kunnen ons niets van Hem toeëigenen. God zegt:
'Van Mij is het zilver, van Mij is het goud' (Haggai 2:9).
Alles wat we hebben, behoort God toe (1 Kronieken 29:14).
God gaf mensen de opdracht om zijn schepping te 'bewerken en te bewaren' (Genesis 2:15).
Mensen zijn 'slechts' beheerders, rentmeesters. God is de eigenaar.
God stelt Zijn bezit ter beschikking. Om te gebruiken. Ook wat we ons eigendom noemen, omdat we ervoor betaald of gewerkt hebben, hebben we van de Schepper te leen.
Hij mag ons om verantwoording vragen.
Het principe van de eerstelingen
In de Bijbel lezen we dat het volk Israël de eerste opbrengst van de oogst (de zgn. 'eerstelingen' ) als offer aan God, de eigenaar van alles, gaf. Pas na die daad mochten ze zelf van de opbrengst van het land genieten.
De eerstelingen moesten het beste van de opbrengst zijn, niet van minderwaardige kwaliteit.
Bedenk dat God zelf ook in Zijn Zoon het eerste en het beste gaf wat Hij had. Het volk Israël mocht in het brengen van de eerstelingen niet achterstallig zijn (Exodus 22:29).
'Vereer de Heer met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten.
Dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen' (Spreuken 3:9).
Dit principe geldt nog steeds voor de kinderen van God: Als we de Heer het deel van ons inkomen geven dat Hem toekomt, zal dat niet de sluitpost op onze begroting zijn. Niet datgene wat overblijft.
Maar bij onze besteding zullen we allereerst de gave voor Zijn dienst reserveren. Het staat bovenaan het lijstje dat wij maandelijks opmaken. Die bovenste plaats is voor ons een principiële plaats.
Hoeveel zullen wij geven?
Over de omvang geeft de Bijbel duidelijk een norm aan.
In Israël werd door ieder gezinshoofd een tiende van zijn inkomen afgezonderd, zodat daarvan degenen, die voor de dienst van de Heer waren vrijgesteld (de Levieten), zouden kunnen leven (Numeri 18:21).
God wilde niet dat de Levieten (de priesters) gingen bedelen, hun hand moesten ophouden, moesten leven van de restanten die overbleven. God deelde ze hetzelfde als iedere Israëliet toe, een redelijk bestaan.
Zou God nu over voorgangers, zendelingen en andere 'apart gezette dienstknechten' anders denken? (1 Corinthiërs 9:14)
De Levieten waren voor en van het volk. En het volk had de verplichting goed voor hen te zorgen. Toen dat wéér eens niet gebeurde, kwam de profeet Maleachi met een scherp woord van God:
'Mag een mens God beroven? Beslist niet! En toch hebt u Mij beroofd.
'Wanneer hebben wij U beroofd?' vraagt u dan.
U hebt Mij beroofd van de tienden en de gaven, die voor Mij waren bestemd.
Breng het hele tiende deel naar de voorraadkamer, zodat er voldoende voedsel zal zijn in Mijn tempel.
Probeer het toch eens, moedigt de Here van de hemelse legers aan, dan zult u zien dat Ik de vensters van de hemel zal openen en een stroom van zegen over u zal uitstorten' (Maleachi 3:8 en 10).
Opmerking: Buiten de tienden voor de Levieten - dus boven de gaven voor het werk van de Heer, de gemeente - werden de Israëlieten geacht bij te dragen voor algemene en sociale doelen. Dat is enigszins te vergelijken met de loonbelasting en premie volksverzekering die wij kennen ten behoeve van het maatschappelijke leven.
Een bijbels principe
Tienden geven is een bijbels principe.
De Bijbel vermeldt dat het al gepraktizeerd werd eeuwen vóór de wetgeving op de Sinaï. We vinden het bij Abraham (Genesis 14:19)en bij Jakob (Genesis 28:22) al vermeld.
In die zin is het niet wettisch. Wettisch heeft te maken met dwang en angst voor straf. Abraham en Jakob waren dankbaar en gaven vrijwillig.
Jezus zelf zegt ervan dat we het geven van tienden net zo min moeten nalaten als het betonen van barmhartigheid en trouw (Mattheüs 23:23).
Maar het is niet alleen bijbels, het is ook eerlijk. De 'rijken' en de 'armen' onder ons dragen allen in evenredigheid bij. Een goed principe, waar niets tegenin te brengen valt.
Als alle gelovigen in de gemeente naar bijbelse normen geven, zal de gemeente nooit in financiële problemen komen.
Ook zullen we een sterk zendingswerk kunnen uitvoeren, de opdracht van de Heer.
Aan wie zullen wij geven?
In Maleachi 3:10 zegt God dat een tiende van onze inkomsten naar de 'voorraadkamer' gebracht moet worden. De voorraadkamer is in feite het Lichaam van Christus zelf, en het beeld van de plaats waar wij geestelijk gevoed worden.
Dus waar ons geestelijk huis is, daar behoren onze tienden gegeven te worden. In onze eigen thuisgemeente. Er staat namelijk: 'Opdat er spijze zij in mijn huis'
God heeft ons als Zijn kinderen de verantwoordelijkheid gegeven om voor elkaar, en zeker voor de voorziening van Zijn huis (dat is Zijn gemeente) te zorgen.
Aan andere projecten en bedieningen kunnen we daarnaast nog geven als er financieel ruimte voor is, en God het op ons hart legt.
God zal rijkelijk voorzien
De Bijbel geeft steeds weer aan dat God de mensen, die trouw in het geven van hun tienden zijn, royaal zal voorzien van alles wat nodig is. 'Beproef Mij toch hiermee,' zegt de Heer.
Maar alles wat onder dwang of met tegenzin wordt gegeven, verliest voor de gever (en de Ontvanger) zijn waarde.
Verkeerde motieven zijn: geven uit angst, onder pressie of om er zelf beter van te worden.
Een goede motivatie is om te geven uit dankbaarheid en met respect voor bijbelse, goddelijke normen.
Het Woord van God belooft:
'Wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mild zaait, zal ook mild oogsten. Een ieder doe, naar dat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief. En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat u, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn' (2 Corinthiërs 9:6-8).
Geven wordt geboren in je hart. Het heeft alles te maken met overgave, toewijding, liefde, gehoorzaamheid. Een royale Vader vraagt Zijn kinderen om alle bekrompenheid los te laten en in de vrijmoedigheid te gaan staan die bij Zijn koninkrijk behoort.
In harmonie
Een probleem kan zijn dat je best wel de bijbelse weg wilt gaan ook als het gaat om het geven van de tienden, maar dat je man of vrouw daar anders over denkt.
Ons advies is om allereerst de harmonie in je relatie en vrede in je hart te zoeken en te bewaren. God ziet namelijk dat hart van ons aan. Niemand wordt ergens toe gedwongen, niemand heeft de controle.
Wat we geven, doen we vrijwillig en met blijdschap. Niemand mag in verwarring komen.