DEEL 3
2. Beelden misleiden mensen. Ze geven verkeerde ideeën over God. Juist de gebrekkigheid, waarmee ze Hem voorstellen, verdraait en vervormt onze gedachten over Hem. Allerlei verkeerde gedachten over zijn wezen en zijn wil worden zo in ons denken gezaaid. Toen Aaron een beeld van God maakte in de vorm van een stier-kalf, gaf hij het volk daarmee de indruk, dat men God kon vereren door dolle losbandigheid. Het ?feest voor de HERE?, dat Aaron toen organiseerde (ex. 32:5) eindigde dan ook in een schandelijke orgie. In de loop van de geschiedenis is ook gebleken, dat het gebruik van een crucifix als hulpmiddel bij gebed, mensen ertoe heeft aangezet, om vroomheid gelijk te stellen met het piekeren over Christus? lichamelijke lijden. Het heeft hen somber gemaakt als het gaat over de geestelijke waarde van lichamelijke pijn en het heeft hen afgehouden van kennis van de opgestane Verlosser.
Deze voorbeelden tonen aan, dat beelden de waarheid over God vervalsen in het denken van mensen. Het is een psychologisch feit, dat, als u de gewoonte hebt uw gedachten te concentreren op een beeld of afbeelding van Diegene, tot wie u gaat bidden, u aan Hem gaat denken en tot Hem gaat bidden, zoals het beeld Hem u voorstelt. Zo ?knielt? u neer voor uw beeld en ?vereert? u uw beeld. En in de mate waarin het beeld tekortschiet u de waarheid over God te tonen, in die mate schiet u tekort in de aanbidding van God in waarheid. Daarom verbiedt God u en mij om gebruik te maken van beelden en afbeeldingen in onze godsdienstoefening.
2.
Het beself dat beelden en afbeeldingen van God ons denken over God beïnvloeden, brengt ons op een terrein, waarop het tweede gebod evenzo van toepassing is. Precies zoals het ons verbiedt ?gesneden beelden? te maken, verbiedt het ons ook ?denk-beelden? van Hem te maken. Als wij ons een beeld van God vormen in ons denken, kan dat net zo?n overtreding van het tweede gebod zijn, als wanneer wij een beeld van God vormen met onze handen. Hoe vaak horen wij niet beweren: ?Ik denk graag aan God als aan de grote Architect (of: Wiskundige; of: Kunstenaar)?. ?Ik denk niet graag aan God als Rechter; Ik denk liever aan Hem als aan de Vader.? Wij weten maar al te goed, dat dergelijke opmerkingen vaak de inleiding zijn tot een ontkenning van iets, wat de Bijbel ons vertelt over God. Met de grootst mogelijke nadruk moet dan ook worden gezegd, dat diegenen, die zich de vrijheid veroorloven om over God te denken zoals zij dat graag willen, daarmee het tweede gebod overtreden. Op z?n best kunnen ze zich God voorstellen naar het beeld van de mens; misschien een ?ideaal? mens of een ?super mens?. Maar God is niet een of ander soort mens. Wij zijn wel naar zijn beeld geschapen, maar Hij bestaat niet naar ons beeld. Wie in zulke termen over God denkt is onwetend en kent Hem niet. Alle speculatieve theologie, die meer gebaseerd is op filosofische redeneringen dan op bijbelse openbaring, raakt hier het spoor bijster. Paulus vertelt ons, waartoe dit soort theologie leidt: ?Want daar de wereld? door haar wijsheid God niet gekend heeft?? (1 Cor. 1:21). Als men in de theologie de verbeelding van het eigen hart volgt, is dat de manier om onbekend met God te blijven en ?afgodendienaar? te worden, waarbij in dit geval een verkeerd denk-beeld van God de afgod is.
In dit licht bezien, wordt ook de positieve strekking van het tweede gebod duidelijk. In negatieve zin is het een waarschuwing tegen vormen van aanbidding en religieuze gewoonten, die leiden tot het onteren van God en tot het vervalsen van zijn waarheid. In positieve zin roept het ons op om te erkennen, dat God de Schepper is, die alle verstand te boven gaat; dat Hij ondoorgrondelijk is en ver uit gaat boven ons voorstellingsvermogen en filosofisch gespeculeer. Zo roept het ons op, ons voor Hem te verootmoedigen; naar Hem te luisteren en van Hem te leren, wie Hij is en hoe wij over Hem behoren te denken. ?Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten? (Jes. 55:8,9). Paulus spreekt in dezelfde geest: ?O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend?? (Rom. 11:33vv).
God lijkt niet op ons. Zijn wijsheid, zijn bedoelingen, zijn normen, zijn handelwijze verschillen zo enorm van de onze, dat wij ze met geen mogelijkheid kunnen benaderen door vergelijking met ons gevoel of met ons idee van de ?ideale mens?. Wij kunnen Hem niet kennen, tenzij Hij tot ons spreekt en ons over Zichzelf vertelt. En dat heeft Hij gedaan! Hij heeft gesproken tot en door zijn profeten en apostelen en in de woorden en daden van zijn eigen Zoon. Door die openbaring, die wij in de Heilige Schrift tot onze beschikking hebben, kunnen wij ons een juist begrip van God vormen. Zonder die openbaring lukt het ons nooit. Zo blijkt de positieve kracht van het tweede gebod hieruit, dat het ons verplicht, onze gedachten over God uit zijn eigen, heilig Woord te halen. Nergens anders uit!
Dat dit de positieve prikkel van het gebod is, blijkt duidelijk uit de vorm, waarin het is gesteld. Na het verbod om beelden te maken en te vereren, verklaart God zichzelf voor ?naijverig? (jaloers). Hij zal niet alleen de beeldendienaars als zodanig straffen, maar allen, die Hem ?haten?, dat wil zeggen, die zijn geboden als geheel negeren. In de context zou men uitsluitend een waarschuwing tegen de beelden-dienaars verwachten. Waarom is Gods waarschuwing in plaats daarvan zo alomvattend? Ongetwijfeld opdat wij ons zullen realiseren, dat zij, die beelden maken en gebruiken in de eredienst, en er onvermijdelijk ook hun theologie op afstemmen, er in feite toe zullen neigen, de geopenbaarde wil van God in elk opzicht te verwaarlozen. Wie zich hoe dan ook inlaat met beelden, heeft nog niet geleerd het Woord van God lief te hebben en ernaar te luisteren. Wie denkt dat denkbeelden of stenen beelden tot God kunnen leiden, heeft zijn openbaring nog niet serieus genomen.
In Deuteronomium 4 verklaart Mozes het verbod van de beeldendienst op dezelfde manier. Hij stelt het maken van afgodsbeelden en het in acht nemen van Gods Woord en geboden tegenover elkaar als twee onverenigbare dingen. Hij herinnert het uiverkoren volk eraan, dat ze op de Sinaï, hoewel ze tekenen van Gods aanwezigheid zagen, geen zichtbare gestalte van God zelf zagen, maar alleen zijn Woord hoorden. Hij vermaant hen om te blijven leven zoals toen, aan de voet van de berg, toen Gods eigen stem hen in de oren klonk en hen de weg wees, zonder dat daaraan een beeld van God aan te pas kwam, dat hen op een dwaalspoor zou brengen.
Het is duidelijk: God toonde geen zichtbaar symbool van Zichzelf, maar Hij sprak tot hen. Daarom moeten ze ook nu geen zichtbare voorstellingen van God zoeken, maar eenvoudigweg zijn Woord gehoorzamen. Er wordt beweerd, dat Mozes bang was, dat de Israëlieten het ontwerp voor hun beelden zouden ontlenen aan de afgodsbeelden van de heidenvolkeren rondom hen. Dat is ongetwijfeld juist. Daar gaat het in feite om. Alle door mensen gemaakte beelden van God ? of ze nu ?gesneden? zijn of alleen bestaan in iemands denken ? zijn ontleend aan de ?handelsvoorraad? van een zondige en godloze wereld, en daarom ten enenmale niet in overeenstemming met Gods heilig Woord.
3.
Als wij deze gedachtengang gevolgd hebben, is natuurlijk de vraag die overblijft: in hoeverre houden wij ons aan het tweede gebod? Toegegeven, in onze kerken staan geen stier-beelden en waarschijnlijk hebben wij geen crucifix in huis (alhoewel er misschien een paar afbeeldingen van Christus aan onze muur hangen, waarover wij ons nog maar eens goed moeten beraden). Maar zijn wij er zeker van, dat de God die wij zoeken te aanbidden, de God van de Bijbel is, de Drieëenige God? Aanbidden wij werkelijk de Enige, ware Go