Auteur Topic: Christus en het OT  (gelezen 1768 keer)

Titaan.

  • Berichten: 428
    • Bekijk profiel
Christus en het OT
« Gepost op: december 14, 2005, 12:01:54 am »
eenheid
Christus heeft het OT altijd als eenheid beschouwt.
Dit blijkt in de eerste plaats uit al de uitspraken waarin het OT ‘de Schrift’(enkelvoud) genoemd wordt, terwijl toch in devolgende teksten verschillende boeken geciteerd worden:
    heden, [zo getuigt Christus in de synagoge van Nazareth], is deze Schrift in uw oren vervuld” (Luk.4:21).
    Die in mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden water zullen uit zijn buik vloeien “ (Joh.7:38).
    • In de lijdensgeschiedenis heet het telkens:
    opdat de Schrift vervuld worde (Joh.13:18 ;  17:12 ; 19:24, 28, 36, 37)
    • Bij het openen van het graf klinkt het weer: “
    zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan” (Joh.20:9)
De eenheid leert Jezus ons in Joh.10:35:  “en de Schrift kan niet gebroken worden”. Hier haalt Hij een woord aan uit psalm 82 om de Joden ervan te overtuigen dat dit woord goddelijke autoriteit heeft, stelt Hij voorop dat al wat in het OT staat vast en bondig is. De schrift, dat is dus heel het OT, laat zich niet verbreken, dus dit geldt ook voor dit psalmwoord.
Bovendien wordt de eenheid bevestigd omdat Christus van dit psalmwoord zegt “is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden” (vers 34). Hij plaatst dus het psalmwoord in de wet. Hij gebruikt de naam wet voor de gehele Oude Testament.

Er is echter nog meer,
Niet alleen het enkelvoud drukt de eenheid uit.
Ook de meerderheidsvorm, ‘de Schriften’, leert ons dit:
Want Christus gebruikt deze vorm niet slechts wanneer hij meerdere teksten uit verschillende bijbelboeken aanhaalt, maar ook wanneer Hij op één boek en één gedeelte van een boek doelt:
    • Matt.21:42 “
    Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: de steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschiedt, en het is wonderlijk in onze ogen ?” en hier geeft Hij alleen een citaat uit Psalm 118:22,23.Met de uitdrukking ‘de schriften’ heeft Jezus dus hier het OT op het oog.
    • Matt.22:29 “
    gij dwaalt, niet wetend de Schriften noch de kracht Gods”’
    • Matt. 26:54 “
    hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet.“(vgl. ook vs.56; Luk.24:27).
    • Vooral in Joh.5:39 “
    onderzoekt de Schriften, want gij meent dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.” Hier is onmogelijk onder ‘de Schriften’ iets anders te verstaan. Jezus spreekt tegenover de Joden van de Schriften, die voor hen gezaghebbend waren ten eeuwige leven, en die Schriften kunnen niet anders zijn dan de wet en de profeten.

    Maar dit is alles nog niet genoeg.
    De grote vraag is nu, waarin voor Hem die eenheid bestond. Want het is ook mogelijk om aan een zekere eenheid vast te houden zonder de autoriteit van de Schrift te erkennen. B.v. als eenheid van boeken met gelijke religieuze gezindheid , of eenheid in de collectie van hebreeuwse letterenkunde, of de eenheid dat van het heilige boek van de Joden.
    Maar zó heeft Jezus de eenheid van het OT niet beschouwd. Voor Hem bestaat de eenheid van de Schriften hierin dat achter de bijbelschrijvers de Heilige Geest staat, en dat de Schrift in al haar delen het Woord van God is.
    Want Hij haalt wel meermalen een tekst uit het OT aan met de naam van de schrijver, maar Hij citeert ook uit dezelfde schrijvers meermalen met de formule “er staat geschreven”, of nog sterker: Hij gebruikt ook de uitdrukking: “want David heeft door den Heiligen Geest gezegd” (Mark.12:36), en erkent daarmee dat David door de geest gedreven is.
    Noemen van de naam van de schrijver:
    - Mozes, b.v. in Matt.8:4 ; 19:8 ; Joh.5:45 ; 7:22
    - Jesaja in Matt.15:7
    - David in Matt.22:43
    - Daniël in Matt. 24:15
    De Heiland heeft dus oog voor de eigen karakteristiek van de bijbelschrijver en voor de menselijke factor. Maar tegelijk legt Hij alle nadruk op de goddelijke factor.
    Onder andere uit het feit dat hij keer op keer zijn aanhalingen aldus inleidt: “gelijk geschreven staat”, of “er is geschreven”.
    Deze uitdrukking zegt niet slechts dat hier en daar wat geschreven of te lezen staat, maar wijst klaarblijkelijk op een autoriteit. Het is niet maar een mensenwoord, dat wij voor kennisgeving kunnen aannemen, maar het goddelijke getuigenis, dat voor ons kracht van wet heeft en waaraan wij gehoorzaamheid verschuldigd zijn.
    - zo weerstaat Hij in de woestijn de verzoeking van de duivel met het: er is geschreven (matt.4:4, 7, 10).
    - Zo getuigt Hij van Johannes de Doper: “deze is het, van denwelken geschreven staat”(matt.11:10; vgl Luk.10:26; Joh.6:45).
    Dat Jezus deze autoriteit van het OT erkent is b.v. te zien in het feit dat Jezus in Matt.9:13 twee uitspraken van het OT, namelijk Hosea 6:6 en Micha 6:8 aaneenrijgt tot een Schriftwoord.

    Ook wordt dit bewezen uit al de uitspraken van Jezus waarin hij het OT aanhaalt en deze woorden dan inleidt met de formule: “God spreekt”:
    - Zo spreekt Hij van David dat deze in de 110e psalm door de Geest de Messias zijn Heere noemt (Matt.22:43, mark.12:36).
    - En zo citeerd Hij de wetten van het Oude Verbond niet als wetten van Mozes, maar als geboden van de Heere (Matt.15:4 ; Mark.12:46).
    Nooit heeft Christus ook maar in een opzicht de goddelijke herkomst van het OT geloochend of in twijfel getrokken, maar altijd is door Hem dit Bijbeldeel beschouwd als het werk van de Heilige Geest. En daarom heeft Jezus zich ook onvoorwaardelijk aan het gezag van de Schrift onderworpen in absolute gehoorzaamheid.

    OT heeft autoriteit tot in de kleinste details (zelfs één letter)

    De Gehoorzaamheid van Jezus blijkt zelfs bij enkele woorden, ook aan die enkele woorden kent Jezus gezag toe:

    1)   
    Bijvoorbeeld in het betoog dat Christus houdt tegen de Sadduceën over de opstanding uit de doden. Die Sadduceën hebben Hem lastig gevallen met de vraag naar de vrouw die 7 mannen gehad had:
    in de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? Want zij hebben ze allen gehad.” En dan antwoordt Jezus hun: “gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods. Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven, maar zij zijn als engelen Gods in de hemel. En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen hetgeen van God tot u gesproken is. Die daar zegt: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs ? God is niet een God der doden, maar der levenden.” (Matt.22:23-32).
    Dit woord van God waarop de Heiland zich beroept, is het woord dat Hij tot Mozes gesproken heeft vanuit het brandend braambos, en nu is Jezus Conclusie: wanneer God zich zovele jaren na de dood van de aartsvaders nog openbaart als de God van Abraham, Izak en Jakob, en zegt: ik ben hun God, moet volgen dat zij nog leefden en nog bestonden omdat God Zich niet hun God kan noemen als ze niet meer leefden.
    Dus de bewijsvoering zou alle grond hebben gemist wanneer er in de plaats van ‘Ik ben’ stond: ‘Ik ben geweest’. En dat is in het Hebreeuws slechts een klein verschil. Dat hangt slechts van enkele letters af.

    2)
    In Matt.22:41-46, wijst Jezus de Farizeën er op dat Davids Zoon ook Davids Heere is en dus zelf God is. Want David zegt inde 110e psalm: “De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: zit aan Mijn rechterhand” (vs.1). Hierop komt alles aan op het tweetal woorden ‘Mijn Heere’ of liever op het ene woord “mijn”. En dat bezittelijke voornaamwoord ‘Mijn’ wordt in het Hebreeuws uitgedrukt door één letter, namelijk de jod, zodat de klem van Jezus betoog hangt aan die ene letter. Zo nauw neemt Jezus de autoriteit van het OT, en zo nauw luistert voor Hem het gezag van deze uitspraken van de Schrift.

    En wie hierop let verstaat ook dat de Heiland in de bergrede zegt:
    Want voorwaar zeg Ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota (kleinste letter van hebr. alfabet), noch een tittel (de kleine streepjes en bochtjes waardoor de verschillende letters uit het hebr. alfabet zich laten onderscheiden),  van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.”(matt.5:18).
    Of zoals Lukas deze waarheid van de Heere weergeeft: “het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel van de wet valle ”(Luk.16:17).
    Sterker kan het gezag van het OT niet beleden worden.

    En wanneer het dan aankomt op de jota’s en de tittel’s, op de kleinste letters en de kleinste tekens, dan ook zeer zeker op het kleinste en geringste, wat de Heilige Schrift ons meedeelt, en waarin wij misschien slechts bijkomstigheden zien.
    Wij hebben slechts te aanvaarden wat door de Geest van God tot ons is gekomen.
    Want Indien Christus het niet beneden Zich geacht heeft om voor de letter van de Schrift te buigen, dan is zeker in geen enkel opzicht vernederend voor ons of een afbreuk aan onze christelijke vrijheid, wanneer wij ootmoedig geloven hetgeen door de heilige schrijvers is te boek gesteld.

P. Strootman

  • Berichten: 1517
    • Bekijk profiel
Christus en het OT
« Reactie #1 Gepost op: december 14, 2005, 12:23:30 pm »
Titaan,
Je schreef:

In Matt.22:41-46, wijst Jezus de Farizeën er op dat Davids Zoon ook Davids Heere is en dus zelf God is. Want David zegt inde 110e psalm: “De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: zit aan Mijn rechterhand” (vs.1). Hierop komt alles aan op het tweetal woorden ‘Mijn Heere’ of liever op het ene woord “mijn”. En dat bezittelijke voornaamwoord ‘Mijn’ wordt in het Hebreeuws uitgedrukt door één letter, namelijk de jod, zodat de klem van Jezus betoog hangt aan die ene letter. Zo nauw neemt Jezus de autoriteit van het OT, en zo nauw luistert voor Hem het gezag van deze uitspraken van de Schrift.
------------------------------------------------------------------------------------------------------
Jezus vroeg aan de Farizeeen:'Wat dunkt u van de Christus.? Wiens Zoon is Hij?'
Toen zij Hem antwoordden:'Davids zoon', wees Hij dit antwoord van de hand, door te stellen: 'Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt; De Here heeft gezegd tot mijn Here...'
David noemde de Christus dus Here, dat is de Zoon van God.
« Laatst bewerkt op: december 14, 2005, 12:30:19 pm door P. Strootman »

Titaan.

  • Berichten: 428
    • Bekijk profiel
Christus en het OT
« Reactie #2 Gepost op: december 28, 2005, 03:44:13 pm »

quote:

P. Strootman schreef op 14 december 2005 om 12:23:
Titaan,
Je schreef:

In Matt.22:41-46, wijst Jezus de Farizeën er op dat Davids Zoon ook Davids Heere is en dus zelf God is. Want David zegt inde 110e psalm: “De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: zit aan Mijn rechterhand” (vs.1). Hierop komt alles aan op het tweetal woorden ‘Mijn Heere’ of liever op het ene woord “mijn”. En dat bezittelijke voornaamwoord ‘Mijn’ wordt in het Hebreeuws uitgedrukt door één letter, namelijk de jod, zodat de klem van Jezus betoog hangt aan die ene letter. Zo nauw neemt Jezus de autoriteit van het OT, en zo nauw luistert voor Hem het gezag van deze uitspraken van de Schrift.
------------------------------------------------------------------------------------------------------
Jezus vroeg aan de Farizeeen:'Wat dunkt u van de Christus.? Wiens Zoon is Hij?'
Toen zij Hem antwoordden:'Davids zoon', wees Hij dit antwoord van de hand, door te stellen: 'Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt; De Here heeft gezegd tot mijn Here...'
David noemde de Christus dus Here, dat is de Zoon van God.
Jezus vroeg aan de Farizeeën:
'Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij?', dus betreffende de Christus, de Messias die aan de vaderen beloofd is, Wiens Zoon verwacht Gij dat Hij is ?

Het antwoord konden de Farizeeën makkelijk geven namelijk:
Davids zoon”.

Want zij waren op de hoogte van de Schrift waarin o.a. in psalm 89:35,36 staat:
- “Ik heb eens gezworen bij Mijn Heiligheid: Zo Ik aan David Liege !  Zijn Zaad zal in der eeuwigheid zijn
- en in Jes.11:1 “Want er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.
[ter vergelijk:
- Hand. 13:22  “Ik heb gevonden David, de zoon van Isaï, . . .  Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den zaligmaker Jezus.”  
- Openb. 22:16 “Ik [Jezus] ben de Wortel en het geslacht van David
- Matt.1:1 "Het boek des geslacht van Jezus Christus de zoon van David de zoon van Abraham"
]

Jezus antwoordt dan: "Indien Christus Davids Zoon is, hoe noemt Hem dan David in de Geest zijn Heere ?"
Zijn bedoeling hiermee was niet de Farizeen te verstrikken zoals zij Hem wilden doen, maar om hen te onderwijzen in een waarheid die zij niet graag wilden geloven – namelijk dat de verwachte Messias God is.

P. Strootman, Jij noemde: “wees Hij [Jezus] dit antwoord van de hand”.
Dit is een onnauwkeurige uitleg (er staat nl. niet dat Jezus het zondermeer afwees).
Waar het om gaat is dit:
Indien hij alleen een zoon Davids is, dat is niets meer dan een mens uit David is, hoe noemt David hem dan zijn Heere terwijl David toch een souverein koning was en geen heer boven zich erkende dan God alleen.
Dus behalve dat Jezus mens is, is Hij ook God.

En terug on-topic; in het kader van dit onderwerp is de conclusie van deze tekst:
Dat het aankomt op het tweetal woorden ‘Mijn Heere’ of liever op het ene woord “mijn”. En dat bezittelijke voornaamwoord ‘Mijn’ wordt in het Hebreeuws uitgedrukt door één letter, namelijk de jod, zodat de klem van Jezus betoog hangt aan die ene letter.
Zo nauw neemt Jezus de autoriteit van het OT, en zo nauw luistert voor Hem het gezag van deze uitspraken van de Schrift.

Scholasticus

  • Berichten: 365
    • Bekijk profiel
Christus en het OT
« Reactie #3 Gepost op: december 28, 2005, 03:55:09 pm »
Wat wil je hiermee?
Wie nemen het OT / de hele bijbel niet zo serieus als volgens jou moet?

Titaan.

  • Berichten: 428
    • Bekijk profiel
Christus en het OT
« Reactie #4 Gepost op: december 28, 2005, 07:33:15 pm »

quote:

Scholasticus schreef op 28 december 2005 om 15:55:
Wat wil je hiermee?
Wie nemen het OT / de hele bijbel niet zo serieus als volgens jou moet?

quote:

Titaan. schreef op 14 december 2005 om 00:03
(In het Topic 'Wie van u zonder zonde is werpe het eerst een steen...'):

[...]
Nikolov, omdat de bijbel hier zo duidelijk over is, snap ik niet waarom je zegt dat de mens misschien zelf de straf heeft toegevoegd aan Gods wetten. De enige verklaring die ik kan bedenken is dat je misschien de bijbel niet als een eenheid ziet en/of niet als Gods onfeilbaar Woord.

Wat is Christus getuigenis b.v. over het Oude Testament ?