De Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van Van Genderen en Velema over de niet-lichamelijkheid van God (13.3.2, p 170) :
Wanneer God een geestelijk wezen genoemd wordt (NGB art 1), kan het woord 'geestelijk' vanuit de traditie geïnterpreteerd worden als onlicahmelijk of onstoffelijk. Geen stoffelijke beelden of lichamelijke voorstellingen van God! Als de Schrift zegt, dat God oren en ogen of handen en voeten heeft, zijn dat de antropomorfismen, waarvan God gebruik maakt, omdat Hij ons tegemoet wil komen in zijn wijze van spreken. Het is een aanpassing aan onze zwakheid (vgl. Calvijn, Inst., I, 13.1).
(In een voetnoot wordt vermeld dat H.M. Kuitert een heel andere weg inslaat in zijn proefschrift over dit onderwerp: "Dat brengt hem ertoe God theomorf of mensvoermig te noemen, wat 'de lichamelijkheid van God niet uitsluit'. Zijn mensvormigheid zou niets anders uitdrukken dan zijn 'Bondsgenootsgestalte'(H.M. Kuitert, De mensvormigheid Gods, 1962)." )
In de belijdenis dat God geestelijk is, ligt opgesloten, dat Hij geheel anders is dan al het aardse en menselijke. Hij is niet lichamelijk en afhankelijk zoals wij. Hij is de Schenker van het leven. 'De geestelijkheid van God wijst op het wezenlijk onderscheid dat bestaat tussen God, de SChepper en Herschepper, en de mens, zijn schepsel' (Gootjes, 1983, 228).
(Hier mis ik wel het gegeven dat Gods schepping een heleboel geestelijke schepselen bevat. Lijken die dan meer op Hem dan wij?)
Er is ook een andere benadering. Geestelijk wordt dan als een verwijzing naar zelfbewustzijn en persoonlijkheid beschouwd. Soms wordt gedacht aan Gods volstrekte vrijheid om te handelen en te oordelen.
Er is een tendens om een bijzondere plaats te geven aan de geestelijkheid van God en daarin een wezensaanduiding te zien. Maar de woorden: God is Geest (Joh 4,24) zeggen niet, dat God een Geest is. Dan zou aan het woord 'pneuma' (geest) een categoriale betekenis worden toegekend en zou het een soorbegrip zijn, waaronder meer wezens zouden kunnen vallen. De woorden van Jezus zijn echter kwalificerend en niet klassificerend. Er staat eigenlijk: Geest is God. Wij hebben daarbij vooral te denken aan de bijbelse gedachte, dat het de Geest is die leven geeft (vgl Joh 6,63).
Ik moet zeggen, het bijbels bewijsmateriaal is schaars. De omschrijving van God als Geest in een meer absolute zin past misschien wel veel beter bij de Grieks-filosofische traditie dan bij de Joods-christelijke. Sinds Parmenides rond 525 v.C. God omschreef, definieerde als het ware Zijn is het moeilijk die insteek op afstand te beoordelen: is het de waarheid of ballast? Interessant hierover is trouwens het boekje van A.P. Bos, Geboeid door Plato.