Wat wordt nu precies met 'gerechtigheid van het geloof' bedoeld?
Rom 4:11
11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der
gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend
Dit vers houdt me bezig: de besnijdenis is een zegel. Waarvan? Van de
gerechtigheid van dat geloof dat Abraham in zijn onbesneden staat bezat.
In de Gereformeerde leer wordt vaak gesproken over de besnijdenis als zegel van/op de belofte. Bijv. Van Bruggen heeft het in 'Het diepe water van de doop' over een zegel op de belofte. Maar zijn redenering kan ik niet helemaal volgen. Hij legt uit dat de doop een zegel is, net als de besnijdenis, niet van het geloof (an sich), maar van
de gerechtigheid van het geloof. Van Bruggen gaat verder: Deze gerechtigheid bestaat hierin dat God het Abraham toerekende op grond van dat geloof.
Rom 4:5
5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid
Tot zover volg ik Van Bruggen.
De gerechtigheid wordt dan door Van Bruggen ingevuld als: vergeving van zonden en het mogen bestaan voor God. En meteen daarna noemt Van Bruggen de benijdenis een zegel op de
belofte!?. Dat gaat me iets te snel...
Belofte is toch niet hetzelfde als de gerechtigheid van het geloof?
Mijn interpretatie van de begrippen belofte, geloof en gerechtigheid is als volgt:
1. Beloften zijn 'kado's' van God. God
geeft ze aan Abraham.
De beloften zijn door God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan. Deze staan onomstotelijk vast. Want God zei het. God belooft geweldige dingen.
2. Geloof is het ontvangen/aannemen van Gods beloften.
Abraham moest de beloften wel geloven. Hij had tegen God kunnen zeggen: "Nee, dat kan ik niet geloven. Het klinkt geweldig, maar ik geloof er niet in. Te mooi om waar te zijn." Dan zijn de beloften dus wel gedaan, maar Abraham zou ze niet hebben aangenomen. (Misschien zou God dan toch zijn belofte in vervulling hebben laten gaan, echter God zou Abraham's niet-geloven niet tot gerechtigheid hebben gerekend.)
Maar Abraham geloofde - gelukkig - wel! Zie maar:
Rom 4:18-22
18 En hij heeft
tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En
zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; 20 maar aan de belofte Gods heeft hij
niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21 in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. 22
Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid.
Abraham had kunnen tegenwerpen: ik ben oud, Sarah is oud. Maar nee, hij geloofde God! Hij was er zeker van dat God bij machte is datgene wat Hij beloofd heeft ook te volbrengen. En
daarom werd het hem gerekend tot gerechtigheid.
Dat wijst toch naar zijn geloof? Niet naar de beloften, toch?
3. Gerechtigheid is recht staan voor God.
En dat geloven van die beloften rekent God Abraham tot gerechtigheid. Dus op grond van zijn geloof in Gods beloften, zet God een streep door zijn zonden. Dat lees ik ook in Rom 1:17
17 Want gerechtigheid Gods wordt daarin (=het evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.
Ik zie het zo: Abraham was als het ware een bedelaar. Hij zit aan de kant van de weg. Had niets van zichzelf om recht te staan voor God. God kwam met zijn geweldige beloften. Hij had geweldige plannen met hem en zijn nageslacht. Abraham geloofde die beloften, oftewel, hij pakte ze aan. Hij stak zijn hand uit naar God. God is daar blij mee, omdat Abraham eigenlijk alle reden had om niet te geloven. En
dat geloof rekent God hem tot gerechtigheid. God trekt hem als het ware omhoog en zet hem rechtop. Vervolgens krijgt Abraham het teken van de besnijdenis, als zegel van de gerechtigheid van het geloof.
Dus God zegt daarmee eigenlijk tegen Abraham: "Geloof Abraham! Blijf geloven, vergeet nooit dat je Mij hebt geloofd, terwijl je er nog niets van zag, want dat geloof, dat reken ik je toe tot gerechtigheid. "
Zie ik dit verkeerd? Was de bedoeling van de besnijdenis dat Abraham aan Gods beloften werd herinnerd? Of was het de bedoeling dat Abraham aan zijn geloof werd herinnerd? (Of maak ik een onderscheid dat er niet is....

)