quote:
Justin schreef op 28 september 2004 om 07:15:[...]
P&A, volgens mij heb ik met aanhalingen van Calvijn uit zijn commentaar op Genensis 2:3 gezegd dat het niet zo simpel is om Calvijns mening over het vierde gebod helder voor de ogen te krijgen. Calvijn heeft het bv. over de bijgelovige onderhouding in zijn Institutie. Daar keert hij zich dan tegen. Om Calvijns mening over het vierde gebod enigszins te begrijpen zal je toch de hele Calvijn in rekening moeten brengen. Dat is wat ik al eerder heb opgemerkt.
Dat is wat je schreef in deze post als reactie op Qohelet:
quote:
Qohelet schreef op 24 september 2004 om 20:36:
De crux zit 'm inderdaad in het sabbatsgebod ("... op de zevende dag geen werk doen ..."). Ik heb al eerder aangetoond dat bijv. Calvijn deze frase in de tien geboden zag als een ceremoniële wet die niet als zodanig geldt voor de christenen uit de heidenen. In plaats daarvan wijst hij naar de geestelijke les die uit deze rituele wet geleerd kan worden: wij moeten rusten van onze boze werken. Of, om de schrijver van de Hebreeënbrief aan te halen: op die manier is er dus inderdaad een "Sabbat" voor het volk van God.
Justin schreef
Qohelet, ik heb je al eerder trachten duidelijk te maken dat het nog niet zo simpel is om Calvijns opinie over het sabbatsgebod duidelijk voor de geest te krijgen.
Wat vind je bv. van de volgende uitspraak van hem, dat lijkt me toch meer moreel (blijvend voor alle mensen) als ceremonieel:
Johannes Calvijn schreef in zijn Commentaar op Genesis bij Gen. 2:3:
“Eerst dus heeft God gerust, vervolgens heeft hij die rust gezegend, opdat ze door alle eeuwen onder de mensen heilig zou zijn, of liever, elke zevende dag heeft hij aan de rust gewijd, opdat zijn voorbeeld een eeuwigdurende regel zou zijn” ”dat de mens … van alle andere zorgen ontslagen, vrijer zijn geest tot de Schepper der wereld zou opheffen”
Nog een paar stukjes uit dat topic van de reformatoren over het vierde gebod.
Ik denk dat hier wel wat meer erover wordt uitgelegd. Dit vetgedrukte zinnetje van jou van Calvijn, leg ik op het eerste gezicht al anders uit dan jij doet. Dus lezen we even of Calvijn verder er nog wat van uitdiept in dit gedeelte.
Calvijn in de Institutie:
29 Geestelijke rustMaar door vele getuigenissen der Schrift wordt ons geleerd, dat die afschaduwing der geestelijke rust in de sabbat de voornaamste plaats in beslag genomen heeft.
Immers aan nagenoeg geen enkel gebod eist de Here op strenger wijze gehoorzaamheid. Wanneer Hij bij de profeten wil te kennen geven, dat de gehele godsdienst ternedergeworpen is, klaagt Hij, dat zijn sabbatten bezoedeld, geschonden, niet gehouden en niet geheiligd zijn; alsof, wanneer deze gehoorzaamheid is nagelaten, niets meer overbleef, waarin Hij kon geëerd worden. (Num 15, 32; Eze 20,12; 22,8; 23,38; Jer 17,21.22.27; Jes 56,2)
De onderhouding van de sabbat verheft Hij met uitnemende lofprijzingen; daarom achten de gelovigen, onder andere Godsspraken, de openbaring van de sabbat wonderbaar hoog. Want zo spreken de Levieten bij Nehemia (9,14) in een plechtige vergadering: “Gij hebt onze vaderen uw heilige sabbat bekend gemaakt, en Gij hebt hun geboden en inzettingen en een wet gegeven door de hand van Mozes.”
Ge ziet hoe aan de sabbat te midden van alle geboden der wet een bijzondere waardigheid wordt geschonken. En dat alles strekt tot aanprijzing van de waardigheid der verborgenheid, die door Mozes en Ezechiël zeer schoon wordt uitgedrukt. Zo leest men in Exodus (31,13; 35,2): “Gij zult mijn sabbatten onderhouden, want dit is een teken tussen Mij en ulieden, bij uw geslachten, opdat gij weet, dat ik de Here ben, die u heilig: onderhoudt de sabbat, dewijl hi julieden heilig is; dat dan de kinderen Israëls de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten; hij is tot een eeuwig verbond tussen Mij en de kinderen Israëls en een teken in eeuwigheid. Nog uitvoeriger spreek Ezechiël (20,12), van wiens woorden echter dit de hoofdinhoud is, dat de sabbat is tot een teken, waardoor Israël zou leren, dat God zijn Heiligmaker is.
Indien onze heiligmaking bestaat in de doding van onze eigen wil, dan doet zich een zeer geschikte overeenkomst voor tussen het uiterlijk teken en de inwendige zaak zelf. Wij moeten geheel rusten, opdat God in ons werke; wij moeten afstand doen van onze wil, ons hart doen berusten, van alle begeerten des vleses afstand doen. Eindelijk, wij moeten rusten van alle bezigheden van ons eigen verstand, om terwijl we God in ons werkende hebben, in Hem te rusten, zoals ook de apostel leert. (Heb 3,13; 4,4)
32 Blijvende oorzaakAangezien echter de twee laatste oorzaken niet tot de oude schaduwen gerekend moeten worden, maar voor alle tijden evenzeer passen, heeft, hoewel de sabbat afgeschaft is, toch dit nog een plaats onder ons, dat wij op bepaalde dagen samenkomen om het Woord te horen, om het heilige brood te breken en de openbare gebeden te doen; en verder dat de dienstknechten en handwerkslieden rust van hun arbeid geschonken wordt. Het is buiten twijfel, dat beide oorzaken de Here bij het instellen van de sabbat ter harte gegaan zijn.
De eerste wordt ruimschoots betuigd, alleen reeds door het gebruik der Joden. De tweede heeft Mozes aangegeven in Deuteronomium (5,14), met deze woorden: “Opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij: want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt.” Evenzo in Exodus (23,12): “Opdat uw os en uw ezel ruste en dat de zoon uwer dienstmaagd adem scheppe.”
Wie zou ontkennen dat beide voor ons evenzeer past als voor de Joden? De kerkelijke samenkomsten worden ons door Gods Woord bevolen en hun noodzakelijkheid is door de ervaring des levens genoeg bekend. Als zij niet vastgesteld waren en niet hun bepaalde dagen hadden, hoe zouden ze dan gehouden kunnen worden? Alle dingen moeten passend en met orde geschieden onder ons, zoals de apostel zegt (1 Cor 14,40). Nu is het er zover vandaan, dat hetgeen passend en ordelijk is, zonder die regering en regeling zou kunnen behouden blijven, dat een volkomen zeker verwarring en verwoesting de kerk boven het hoofd hangt, als die regeling zou worden weggenomen.
En indien wij dezelfde behoefte hebben, tot welker vervulling de Here voor de Joden de sabbat had ingesteld, bewere niemand, dat de sabbat op ons geen betrekking heeft. Want onze zeer voorzienige en goedertieren Vader heeft voor onze behoefte, evenzeer als voor die der Joden, willen zorgen.
Waarom komen wij dan niet liever dagelijks samen, zult gij zeggen, opdat zo de onderscheiding der dagen weggenomen worde? Och of dat ons gegeven werd; en voorzeker de geestelijke wijsheid was waardig, dat dagelijks voor haar een deeltje van de tijd werd afgenomen. Maar indien van de zwakheid van velen niet verkregen kan worden, dat dagelijkse bijeenkomsten gehouden worden, en de liefde niet toestaat meer van hen te eisen, waarom zouden wij dan niet gehoorzamen aan de regeling, die, naar we zien, ons door Gods wil is opgelegd?