quote:
op 13 Oct 2003 19:20:51 schreef Qohelet:
Chaveriem,
je stelling dat de sabbatdag de enige (week)dag is met een naam in het OT gaat niet helemaal op. De reden is, dat "Sabbatdag", Heb. "yom shabbat" geen tijdsaanduiding is, maar een functie-aanduiding. De zaterdag heeft, als zodanig, geen naam in de bijbel, maar alleen een nummer: de zevende dag. (Dat de woorden voor zeven (shebi`i) en sabbat veel op elkaar lijken is een leuk detail, maar meer ook niet.)
In het Gr. Nieuwe Testament wordt het woord sabbat 68 maal gebruikt, 43 keer in het enkelvoed en 25 keer in het meervoud. Daarnaast staat in Heb 4,9 het woord sabbatismos (< sabbatizein "sabbat-vieren"). In vrijwel alle gevallen is het onmiddellijk duidelijk, dat deze aanduiding een essentieel onderdeel van het verhaal is. Jezus confronteert de Farizeeën regelmatig met een wonderwerk op zaterdag, en wel omdat dat de Rust-dag is. Andere teksten beschrijven de werkwijze van Jezus en van Paulus: ze preken in de synagoge op de Rust-dag.
Kol 2,16 is de enige keer in de brieven van Paulus dat de sabbat genoemd wordt. Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat... Het gaat hier heel duidelijk om rituele gebruiken en ceremoniën, waarin christenen elkaar niet mogen veroordelen. Overigens staat sabbat hier in het meervoud, wat m.i. duidt op het geheel van religieuze feestdagen in de Joodse traditie.
Heb 4 geeft trouwens een interessante interpretatie van de sabbatsrust. Het spreekt over "ingaan in de rust (katapausis)". Een expliciet verband wordt gelegd tussen
* Jozua, die Israël naar de rust van het beloofde land leidde;
* met de dreiging in Psalm 95, "nooit zullen zij tot mijn rust ingaan", wat duidelijk slaat op de Exodus-generatie die Kanaän nooit zou bereiken;
* en de mededeling in Gen 2, dat God rustte van zijn werk.
De conclusie is, dat er nog steeds een belofte vervuld moet worden. Daarom, zegt de Hebreeënbrief, is er dus nog steeds een sabbatismos voor het volk van God; het rust van zijn werk, net als God. De best passende interpretatie bij dit gedeelte is, dat het sabbatizein, het vieren van de sabbat, een teken is met het oog op de rust die nog steeds moet komen.
Qohelet Toda raba,
Ik begrijp waar je heen wil. Waar het mij nu ff om gaat is dat zondagsrust zeer zeker niet het 4e gebod betreft. Dat betreft de Shabbat, de 7e dag. Het invoeren van de zondag ten koste van de Shabbat is wat mij betreft nog steeds niet schriftuurlijk hard te maken.
Men is nogal van mening, dat een christen de vrijheid geniet om zelf te bepalen welke dag men als wekelijkse rustdag mag kie-zen, namelijk de zondag in plaats van de Shabat. Wij zijn immers “vrij van de wet”, zegt men. Om deze opvatting te staven, wordt vaak Kolossenzen 2:16-17 aange-haald, waarin Sha’ul [Paulus] zegt: “Laat dan niemand u blijven oordelen in zake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is” (NBG-vertaling). Men gebruikt deze tekst echter niet alleen om de zon-dagsrust te rechtvaardigen, maar vooral ook om te bewijzen, dat de Kash’rut [spijs-wetten], Rosh Chodesh (nieuwe maan), de bijbelse feestdagen en uiteraard ook de Shabat door het geloof in Yeshua achter-haald en afgeschaft zouden zijn! De NBG-vertaling suggereerd daarom ook, dat de genoemde inzettingen SLECHTS een schaduw zouden zijn van hetgeen komen moest. Maar wat staat er in het Grieks? Daar wordt het woordje “slechts” helemaal niet gebruikt: “Mh oun tiv umav krinetw en brwsei h en posei h en merei eorthv h noumhniav h sabbatwn a estin skia twn mellontwn to de swma tou cristou”.” De Statenvertaling is op dit punt correct, door het woord “slechts” niet toe te voegen. Hier lezen wij aldus: “Dat u niemand oordeele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabatten; welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus”. Het idee, dat een schaduw iets negatiefs is, komt uit het Griekse denken, zoals Plato dit heeft onderwezen. Hij beschreef een grot waarin wij mensen zitten, met ons gezicht naar de muur. Achter ons is de opening, maar we zien hem niet. In de buitenlucht zijn zaken die op de muur worden gepro-jecteerd als schaduwen. En de meeste mensen - die niet zo slim zijn als Plato - denken, dat die schaduwen de realiteit zijn. In dit soort Grieks denken, dat onze bijbelvertalers heeft beïnvloed, bestaat het misverstand dat schaduwen waardeloze dingen zijn en dat je alleen maar hoeft om te keren om “het licht” te zien. Zowel TeNaCH (O.T.) alsook B’rit haChadasha (N.T.) leren ons echter, dat de afschadu-wing van wat er komen zal, ons door de Eeuwige is gegeven als iets zeer waarde-vols. Zo is de Shabat een afschaduwing van het Duizendjarig Vrederijk. Door het vieren van de Shabat mogen we als het ware door een kier naar de troonzaal van de Eeuwige kijken. Het is een dag die je het Koninkrijk van de Almachtige laat zien, voelen en ruiken, ervaren in allerlei opzichten. Het is niet een instelling die in de eerste plaats dichtgeplakt hoort te zijn met allerlei ge- en verboden. En nu komen we eigenlijk tot de kern van hetgeen Sha’ul haShaliach (de apostel Paulus) in feite bedoelde met de geciteerde tekst. Sha’ul trok het bestaansrecht van de Shabat, de feestdagen en de Kash’rut niet in twijfel, maar waarschuwde de gemeente veeleer voor de overdreven manier waar-op deze door het orthodoxe jodendom werd en wordt toegepast. Door de eeuwen heen hebben de rabbijnen allerlei wetten en wetjes opgesteld in een poging om aan te vullen wat de Heer zou zijn vergeten. De woorden “het stuk des feestdags” (Statenvertaling) laten duidelijk zien, dat Sha’ul hier kritiek leverde op de practische indeling van een feestdag en de overige inzettingen. Dat blijkt ook uit de tussenkop: “De dwaasheid van menselijke inzet-tingen” (NBG-vertaling). Wie de Bijbel serieus neemt als het Woord van G’d, moet erkennen dat zowel de spijswetten alsook de bijbelse feestdagen en de Shabat geen menselijke, maar g’ddelijke inzettingen zijn en derhalve in boven-staande tekst niet bedoeld kunnen zijn! Sha’ul heeft het dus over de practische invulling daarvan, waarvoor allerlei regels werden opgesteld, die zo vèrgaand waren, dat de Joden als het ware een juk werd opgelegd. Zijn kritiek sluit dus naadloos aan bij die van Yeshua. Voor de Eeuwige gaat het er niet om hoe men bepaalde dingen doet, maar waarom men ze doet. Ze moeten wijzen naar het hoofd van het lichaam: Yeshua! In deze context kunnen we Kolossenzen 2:16-17 ook in de Luther-vertaling lezen: “Zoo laat nu niemand u een gewetenszaak maken van spijs of van drank, of ten opzichte van feestdagen of nieuwemaandagen of sabatten; hetwelk is de schaduw van hetgeen toekomende was; maar het lichaam is in Christus”. De vertaling van “Het Boek” bezondigt zich aan een nog veel uitgesprokener anti-Tora houding dan de reeds eerder geciteerde vertalingen: “Laat u dus door niemand bekritiseren over wat u eet of drinkt. En of u zich al of niet aan feestdagen en rustdagen moet houden. Dit soort dingen zijn immers maar tijdelijk. Zij zijn slechts een schaduw van toekomstige zaken. Maar ons lichaam behoort aan Christus toe”. Deze tekst uit de vertaling van “Het Boek” gaat wel heel erg ver: hierin wordt niet alleen gesteld, dat je mag eten en drinken wat je maar wilt, het staat je zelfs vrij of je feestdagen en rustdagen überhaupt wilt houden of niet. Je mag het helemaal zelf weten! Dat is dus iets heel anders dan wat er in de oorspronkelijke Griekse grondtekst staat en wat Sha’ul [Paulus] bedoeld heeft. We moeten dus erg zorgvuldig omgaan met de keuze van de juiste bijbelvertaling om G’ds woord en Zijn bedoelingen goed te kunnen verstaan!
I Korintiërs 16:1-2
Onder het tussenkopje “Collecte en reis-plannen” lezen wij: