Hoi Filologos,
Ik heb nog een paar opmerkingen en vraagjes nav je antwoorden:
quote:
Filologos schreef op 31 januari 2005 om 19:38:Het is onjuist te spreken over een vervulling van Hosea 11 bij de uittocht, aangezien die eerder plaatsvond. Ook is het onjuist te spreken over een dubbele betekenis. Hier is sprake van één betekenis. Alleen, je moet je niet alleen willen focussen op de woorden die Matteüs opschrijft. Zoals zo vaak, wil hij héél het gedeelte in herinnering roepen. Gods doel bleef onvervuld in het roepen van zoon Israël uit Egypte. Daar is God niet tevereden mee (Hos 11,8-11). Dit doel wordt wel vervuld in Jezus.
Ik zei ook niet dat Hosea 11 wat betreft Israel nog vervuld moest worden. Het gaat me erom dat er een letterlijke betekenis is, precies wat de tekst zegt: Israel is door God uit Egypte geroepen. Israel wordt hier aangeduid als 'Mijn zoon'. Maar achter deze letterlijke betekenis, zit een andere. Namelijk diegene die Matteus ons vertelt.
quote:
Ik bedoel, dat de brieven van een ander karakter zijn dan de visioenen in de rest van het boek. De tegenwoordige tijd van het boek is de tijd van Johannes, niet die van ons. Het boek in zijn geheel geeft een visionaire kijk op de wereldgeschiedenis.
Ik ben me ervan bewust dat de tegenwoordige tijd in Openbaring de tijd van Johannes is. Daarom ook staat er in Op 1:1 dat de openbaring die Johannes krijgt, de dingen 'die haast geschieden moeten' worden getoond. Wij lezen dit echter 1900 jaar later en er kunnen dus al best heel wat zaken vervuld zijn. De vraag die ik dan stel is: wat wel en wat (nog) niet?
Je zegt dat de brieven van een ander karaketer zijn dan de rest van Openbaring. Zijn ze dan van hetzelfde karakter als bijv. de brief van Paulus aan de Galaten? Die Galatenbrief, is dat dan ook profetie? Dat zou dan toch moeten als je de brieven aan de 7 gemeenten daar mee vergelijkt? Want idd zijn het (ook) gewoon letterlijk brieven aan deze 7 gemeenten.
quote:
Dat was ook de gemeente, vergelijk Hebr. 7. Nergens wordt in Openbaring gesproken over een opname. Nergens blijkt dat het na Op 3 gaat over gelovigen na de opname. Nee, dat is pure speculatie.
De link met Hebr 7 kan ik even niet volgen. Misschien wil je dat verhelderen?
quote:
Inderdaad, maar dat sluit niet uit dat je er eerst over na moet denken. De tekst zoals die in de Bijbel staat heeft 1 betekenis. Dat wij die soms niet kunnen achterhalen en daarom 2 uitleggingen naast elkaar laten staan is iets anders. Met eenvoud bedoel ik dan dat er niet allerlei verborgen boodschappen in de tekst zitten verstopt. Je moet de Bijbel lezen zoals de auteur het heeft bedoeld en zoals de onbevooroordeelde lezer de tekst opvat.
Tussen hoe de auteur het bedoeld heeft en hoe de lezer het opvat, daartussen kan een flinke kloof liggen. Voorbeeldje:
Op 4:1-3
1 Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.
2 En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.
3 En Die daarop zat, was in het aanzien den steen
Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien der
steen Smaragd gelijk.
Wat betreft deze stenen: Wat wordt hier bedoeld? Gaat het puur om mooie stenen die op zichzelf al iets aangeven van de majesteit en heerlijkheid van God of zit er meer achter? Ik als westerse lezer zou in eerste instantie niet verder kijken, maar vergelijk dit eens met het volgende:
Exo 28:15-21
15 Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods zult gij hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken.
16 Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.
17 En gij zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een
Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
18 En de tweede rij van een
Smaragd, een Saffier, en een Diamant.
19 En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist.
20 En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een
Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.
21 En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israel, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.
Deze stenen staan voor de twaalf stammen van Israel, te beginnen met Ruben, eindigend met Benjamin. Dus Sardis = Ruben, Jaspis = Benjamin en Smaragd = Juda. Met dit in het achterhoofd, dan lees je Op 4:3 toch heel anders? Kijken we dan nog verder naar de betekenis van de namen dan lezen we: Zie een zoon (Ruben), zoon van mijn rechterhand (Benjamin), de leeuw uit de stam Juda. En ook het feit dat deze stenen in de borstlap voorkomen van de hogepriester vind ik veelzeggend.
Is dit puzzelen? Ik vind van niet. Voor mij was dit een ontdekking. Gods Woord is wat dat betreft een schat. Ik denk dan aan wat Jezus zelf zei:
Mat 13:52
52 En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.