Zoals beloofd, hier een redenatie waarom datgene wat tot de apostelen gezegd werd ook voor ons geldt.
Zeker, ze hebben hem gedood door hem aan een kruishout te hangen, 40 maar God heeft hem op de derde dag weer tot leven gewekt en hem aan de mensen laten verschijnen, 41 niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe door God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dood was opgestaan. 42 Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden (Handelingen 10:39b-42)
In eerste instantie lijkt het hier te gaan over de apostelen. En zeker, zij worden ook absoluut bedoeld. Toch uit deze tekst te halen dat de opdracht tot evangelisatie voor iedereen is. Uit deze tekst kun je halen dat wat voor apostelen geldt, ook voor ons geldt. Twee aanduidingen uit deze tekst, de eerste is een argument om aan te geven dat de tekst ook over ons gaat, de tweede om aan te geven dat de tekst niet alleen over apostelen gaat:
1) Getuigen moeten zij, die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dood was opgestaan. Het enige verhaal in de bijbel wat gaat over Jezus en een maaltijd na zijn dood, is de maaltijd waarin Jezus Petrus opnieuw aanneemt. Echter, wij hebben het avondmaal. In dat avondmaal hebben wij gemeenschap met het lichaam van Christus. Zitten we aan aan Zijn tafel. Ook al is hij niet in 'verschenen' vorm aanwezig. Hij is wel aanwezig. Vergelijk bijv. 1 Kor. 10
16 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?... 21 ..., gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten.
Zodoende mogen wij ook zeggen dat wij met Hem gegeten en gedronken hebben en is die opdracht tot getuigenis ook voor ons.
2) Een tweede aanwijzing dat het ook over ons gaat is te vinden in een opmerking vlak voor het net behandelde. Daar zegt Petrus dat Jezus slechts aan enkelen verschenen is, namelijk aan ons. Dit ons slaat dus op degenen aan wie Jezus verschenen is. Dit zijn wel iets meer mensen dan de twaalf apostelen. We kennen natuurlijk de Emmaüsgangers en de vrouwen, maar Paulus maakt zelfs melding van meer dan 500 mensen in 1 Kor. 15:
3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen.
Het lijkt dus niet erg waarschijnlijk dat wanneer Petrus dat 'ons' verbindt aan hen aan wie Jezus na zijn opstanding verschenen is, alleen de apostelen bedoeld worden.
Gezien deze twee argumenten lijkt het mij moeilijk vol te houden dat wanneer er over apostelen gepraat wordt, je er vanuit moet gaan dat het ook alleen over apostelen gaat.