Mijn reactie op het artikel van Hendriks komt hier op neer:
Er wordt een tegenstelling 'gemaakt', terwijl die er niet is.
Het lezen van het artikel gaf mij sterk de indruk dat er een grote tegenstelling zou bestaan tussen Gods beloften en de Geest. Maar in mijn beleving zijn Gods Geest en de beloften onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is de Geest van de belofte (Ef 1:13). En zoals ik Gods beloften mijzelf kan toeëigenen door het geloof (het geloof is immers de hand waarmee ik Gods gaven aanpak), zo moet ik ook in het geloof leren uitspreken dat Zijn Geest in mij woont.
Dat laatste komt in mijn beleving echter veel dichterbij dan de term 'Gods beloften'. De Geest die in je woont, dat is wel heel dichtbij, wel heel intiem, toch? 'Gods beloften' (als term) dat klinkt/voelt iets afstandelijker. Daar kun je voor je gevoel eens naar kijken en om heen lopen. Althans zo beleef ik het.
Dat verklaart mijns inziens ook waarom mensen het lastiger vinden om uit te spreken dat Gods Geest in hen woont. Toen die vraag zaterdag 2 april tot zo'n 3 keer toe op mij afkwam, begon het inderdaad wel te kriebelen. Ik denk dat dat niet verkeerd is. Ik voelde hoe confronterend dat was. Een soort heilige onrust kwam over me. Ik werd gedwongen diep na te denken over wat ik nu geloof. En voor mij is het antwoord:
JA! Ik geloof dat de Geest in me woont! Ik weet het zeker! Geen twijfel dus, geen ongeloof. Ik belijdt dat Hij in me woont. Waarom? Niet om wie ik ben of wat ik doe, maar om Wie God is, en wat Hij belooft en wat Hij doet en wat Hij gedaan heeft in Christus, ook in mijn leven. Ik heb dingen mogen opmerken in mijn leven, waarvan ik zeg: dat is Gods werk. Dat kan niet uit mezelf zijn.
Zoek ik dan zekerheid in ervaringen? Ervaringen zijn niet het heil zelf, maar het zijn wel bevestigingen van God. Ik geloof dat God zich ook laat kennen en dat wij zijn liefde ook voelen en ervaren mogen en kunnen. Vandaag hebben we in onze gemeente avondmaal gevierd. Dat is ter versterking van het geloof, maar dat gaat niet langs ons heen. Wij ervaren daar, we proeven, en smaken, en leren zo Jezus Christus kennen. Maar God laat zich ook op andere manieren kennen: Door de werking van zijn Geest in ons leven.
Inhoudelijk heb ik moeite met o.a. het volgende wat Hendriks schrijft: Hij reageert als volgt op de vraag of je wedergeboren bent: ' Ik heb mij ernstig afgevraagd of dit wel de vraag is die zo klemmend aan de conferentiegangers moest worden gesteld. Het viel mij opnieuw op dat gereformeerde kerken deze vraag niet stellen wanneer er openbare belijdenis van het geloof wordt gedaan, noch wanneer het gaat om het waardig vieren van het avondmaal. '
'Toevallig' las ik vanmiddag dit in artikel 35 van de Nederlands Geloofs Belijdenis:
'Wij geloven en belijden dat onze Heiland Jezus Christus het sacrament van het heilig avondmaal voorgeschreven en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen die Hij reeds opnieuw geboren deed worden en in zijn huisgezin, dat is zijn kerk, heeft ingelijfd.'
Misschien zou de vraag juist wèl gesteld moeten worden aan die hen belijdenis doen en daarmee toegang vragen tot het heilig avondmaal! Nogmaals: Er is volgens mij geen tegenstelling.
Ik ben bang dat het probleem vastzit op weerstand. Zoals ik hierboven al schreef: als het gaat om de inwoning van de Geest, dan komt dat veel dichterbij, dan wanneer het gaat om Gods beloften. Maar Christus wil nou juist zo dichtbij komen! Hij wil ons leven be-Heer-sen: Heer van ons leven zijn. Ik geef me graag aan Hem over.
Aan het eind zegt Hendriks: 'Ik blijf maar turen op het feit dat Paulus niet schreef: ,,Indien gij zeker weet dat de Geest van God in u woont, zult u behouden worden'', maar: ,,...indien gij met de mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden'' (Rom.10:9).'
Maar Paulus schreef ook (en dat werd ook door Bottenbley aangehaald): "Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. " Rom 8:9.