In het dagblad "Trouw" van 26 februari stond een
artikel over de filosoof Leo Strauss. De Belgische rechtsfilosoof David Janssens heeft een studie naar zijn werk gemaakt en daar een boek,
'Tussen Athene en Jeruzalem', over geschreven. Een samenvatting.
,,De zaak van de modernen tegen de klassieken moet heropend worden. Het is helemaal niet zeker dat modernen als Machiavelli, Spinoza en Nietzsche het pleit gewonnen hebben van klassieke reuzen als Plato, Aristoteles, Al-Farabi en Maimonides."
Volgens Strauss zijn filosofie en religie de twee pijlers waarop de westerse beschaving rust. De moderne filosofie in het westen wil deze echter omver halen, waar volgens hem de crisis vandaan komt. ,,De pijlers waarop onze traditie berustte: de profeten en Socrates-Plato, zijn sedert Nietzsche omvergehaald.''
"Bevrijd van onze traditionele plichten -'God gehoorzamen', aldus de religies; 'vragen naar het goede leven', aldus Socrates- bestaat er geen idee meer hoe vrijheid nog positief is aan te wenden. ,,Ze is'', zegt Strauss ,,enkel de vrijheid tot het neen in plaats van het traditionele 'ja'''."
De centrale vraag van Strauss is, wat hij ook wel
'het theologisch-politieke probleem' noemt: "Moeten mensen doen wat God van hen eist, of moeten zij handelen naar eigen inzicht?"
Strauss begon zijn zoektocht met een studie naar Spinoza. Spinoza's kritiek op het jodendom zou diepe bressen slaan en de weg effenen voor zowel de joodse secularisatie en assimilatie, als voor het joodse nationalisme. Strauss stelt daar tegenover dat Spinoza's kritiek de gelovige niet echt kan raken. "Alle tegenstrijdigheden en onmogelijkheden in de bijbel zijn volgens de gelovige immers een teken van Gods almacht. Zo ontkent de gelovige simpelweg de onafhankelijke macht van de rede, waar Spinoza juist uitgaat van die macht."
Strauss stelt verder: "De moderniteit deed zo de blik verplaatsen van de hemel naar de aarde, van God naar de mens, en van de natuur naar de cultuur. Handelen naar eigen inzicht werd de norm, gehoorzamen van God en diens wetten de uitzondering.
De moderne filosofen waren te uitgesproken in hun kritiek op morele en politieke autoriteiten, vindt Strauss. Zij bevrijdden de mensen van de vrees voor God, maar leverden de mens aan de mens over. Het resultaat is een samenleving die in toenemende mate geplaagd wordt door relativisme, nihilisme en historicisme, en die blind is voor de moraal."
"Het geloof in ons sturende hogere politieke en spirituele machten, staat lijnrecht tegenover het geloof dat de mens op eigen denkkracht is aangewezen. En toch is er iets dat Athene en Jeruzalem verbindt: de leer van Socrates, die door Plato en Aristoteles werd uitgewerkt, door islamitische filosofen als Al-Farabi, Averroës, en Avicenna werd opgepakt, en vervolgens via de joodse filosoof Maimonides terecht kwam bij de kerkleraar Thomas van Aquino. Het Westen lijdt aan 'Socratesvergetelheid', zegt Strauss."
Socrates stelde zich in dienst van zijn samenleving. Altijd was hij in gesprek.
"De vraag naar het goede leven was voor hem een politieke vraag naar het goede samenleven. Wat islam en jodendom met Socrates gemeen hebben, is de overtuiging dat er een wet bestaat die ons vertelt hoe dit goede samenleven te realiseren. Alleen de manier om tot die wet te komen verschilt. De religie vertrekt vanuit de zekerheid Gods, Socrates vanuit de onzekerheid van de mens."
"Strauss pleit voor een herwaardering van het klassieke denken van de Middeleeuwen, toen islamitische en joodse wijsgeren religie en rede nog als twee gescheiden, maar elkaar complementerende, gebieden beschouwden."