quote:
Qohelet schreef op 11 oktober 2005 om 17:08:Wat betreft de doop als voortzetting van de besnijdenis: kunnen we het avondmaal zien als voortzetting van het pascha? Waarom wel/niet? En: wat was de rol van individe/gemeenschap in de participatie in het pascha?
Hier is nu eens echt bijbels bewijs voor:

1 Kor 5
Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. 8 Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.
En hier heb je toch ook weer dit punt: ons paaslam is Christus. Wanneer heb je deel aan Hem? Als je achter het bloed schuilt van het Lam. Dan gaat de verderfengel voorbij; wij zijn niet meer onder het oordeel als we geloven in het geslachte Lam.
Degenen die priester zijn, hadden in het OT deel aan het offer; ze aten van het offer.
Zo mogen we als NT-gelovigen allemaal priester zijn: dat betekent ook
weten wat Christus heeft gedaan en God eren. En van het offer 'eten', dat wil zeggen: in het Avondmaal aanbieden aan God wat we gezien hebben in Christus. Hoe volmaakt Hij was en hoe diep het lijden ging. En dan is het avondmaal een parallel met het altaar in het OT, oftewel we zitten
aan de tafel van de Heer als we Avondmaal vieren.
Dit wordt ook aangehaald in 1 Kor. 10:
14 Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij! 15
Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg. 16 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? 17 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. 18 Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees:
hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar? 19 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? 20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten. 21 Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan
de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten. 22 Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?
In het OT wordt hier bv over gesproken in Maleachi 1.
Verder wordt er gesproken tot verstandigen (vers 15) die hier ook iets van kunnen begrijpen.