quote:
Adinomis schreef op 24 oktober 2005 om 23:59:Hoe weet je nu dat die kwast het Woord van God symboliseert? Als dat zo is, dan is die vergelijking inderdaad mooi te noemen. Had Jezus dan ook gebedskwasten? Ik dacht dat het iets van de Farizeëen was. Ook nu van de rabbijnen. Maar het was naar mijn mening geen opdracht van God om deze symbolen te gebruiken. Het was vaak een uiterlijke vroomheid. Het gaat God om het hart. Maar als symbolen (en kleuren) eraan bijdragen om God te verheerlijken, dan heeft het zeker een functie.
Dit las ik hierover:
quote:
Numeri 15
De gedenkkwasten
37 De HERE nu zeide tot Mozes: 38 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen, dat zij zich gedenkkwasten maken aan de hoeken van hun klederen, van geslacht tot geslacht, en dat zij in de gedenkkwasten aan de hoeken een blauwpurperen [hemelsblauwe - SV] draad verwerken. 39 Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden des HEREN gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden, 40 opdat gij gedenkt en volbrengt al mijn geboden en heilig zijt voor uw God. 41 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb uitgeleid om u tot een God te zijn; Ik ben de HERE, uw God.
De God van Israel wilde Zijn volk voordurend herinneren aan Zijn geboden. Vandaar de instelling van "
de hemelsblauwe draad", die ze als een hemelse herinnering aan de hoeken van hun klederen moesten bevestigen. Zodoende zou het woord van God in hun harten en hun gedachten blijven.
Telkens als een Israeliet keek naar die blauwe draad, moest hij aan Jehovah denken en gehoorzaam zijn aan al Zijn instellingen. Dit was de praktische bedoeling van de 'hemelsblauwe draad'.
Maar als we Mattheus 23 lezen, zien we welk treurig gebruik de mens van Gods voorschrift gemaakt had:
5 Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot,Dus juist de instelling die hen moest leiden tot Jehovah en die gehoorzaamheid moest bewerken aan Zijn woord, werd aangegrepen als een aanleiding tot zelfverheffing en geestelijke hoogmoed. In plaats van aan God en Zijn woord te denken, dachten ze aan zichzelf, en aan de plaats die ze in de achting van anderen innamen.
Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen.
Geen gedachte aan God. De geest van de oorspronkelijke instelling was geheel verloren, terwijl de uiterlijke vorm werd gehandhaafd uit zelfzuchtige motieven.
Zien wij niet dikwijls iets dergelijks onder ons? Laten we er ernstig over nadenken. Laten we er angstvallig voor waken
geen hemlsblauw aandenken tot een aards teken te verlagen, en wat tot ootmoed en gehoorzaamheid behoort te leiden, tot een gelegenheid van zelfverheffing te maken.
(Uit:
Aantekeningen op Numeri, door C. H. Mackintosh)