Beste Berean, je hebt gevraagd om een uitleg waarom ik het eerder weergegeven artikel uit Reformanda onchristelijk vond. Bij deze. Ik wil de eerste plaats de term 'onchristelijk artikel' terugnemen. Het is een te zware term, die het hele artikel veroordeelt, terwijl het me maar om enkele punten gaat. Bovendien kan men de indruk krijgen dat ik de auteur als onchristelijk bestempel. Dat is niet zo, mijn excuses hiervoor.
Ik wil me beperken tot 1 aspect van het artikel, namelijk het feit dat twee van de geinterviewde dominees in dit stuk persoonlijk worden beschuldigd hun ambtseed te schenden en de belijdenisgeschriften opzij te zetten, ze worden met naam en toenaam genoemd. We zijn het eerder eens geworden over het feit dat mensen persoonlijk aanvallen/beschuldigen niet kan. Ik zal proberen duidelijk te maken waarom ik dit vind dat dit hier wel gebeurd, hieronder geef ik de passages waarom het gaat:
(..)
Toch wordt daar weer tegenin gebracht door V: “Als iemand, zoals VdJ, zo hoog spreekt over de kerk als ‘de bruid van Christus’, mag een ander zeggen: ‘Dat zegt mij niks’. Vervolgens gaan wij dan aftasten wat we bedoelen en met elkaar praten”. Ja, als je eenmaal het zicht verloren hebt op het centrale en fundamentele van ons denken en geloven en werken, namelijk dat het gaat om de zaak van Christus, verval je inderdaad in dat ik-denken dat we bij H.J. moesten constateren. Hier zien we doorwerking van het afvallige denken: de mondige mens moet centraal komen te staan. (..) Maar dat het om de zaak van Christus gaat, om de schat van Christus’ bruid, is daarmee helemaal uit het zicht verdwenen. En dat heeft dan ook tot gevolg dat wie zo denken bij de binding aan de belijdenis en bij de tien geboden van de HERE, niet meer mensen uit één stuk zijn.
(..)
En ook vindt hij dat H.J.terecht zegt dat de kerk als een ‘huis van zekerheden’ niet meer bestaat. Immers: “Het is ook zo’n denkfout om zekerheden te willen overdragen”. Dat wordt nu dus openlijk over de belijdenis gezegd, waarvan elke ambtsdrager, dus ook deze jonge dominees, voor God en zijn heilige gemeente verklaard hebben niet alleen dat zij van harte de hele leer die in de belijdenis beleden wordt, geloven en ermee instemmen, maar vervolgens ook dat zij die leer zullen onderwijzen (overdragen) en verdedigen tegen dwalingen. Maar in plaats van hun woord gestand te doen en zich dus te houden aan de roeping en hun aanvaarden van die roeping, gaan deze jonge dominees de weg op van de eigen authentieke inbreng, van het eigen verhaal, de eigen spiritualiteit. In plaats van vaste en zuivere leer staat het eigen ‘vrome’ denken – vroom, maar wel uit een zondig hart.
(..)
Jammer, dat in het gesprek niet duidelijker aan de orde gekomen is de ernst en de zwaarte van de beloften die predikanten doen bij hun ambtaanvaarding, ook deze twee jonge dominees, nog maar zo kort geleden. Zij hebben voor het aangezicht van God en zijn heilige gemeente toen beloofd (bezworen) hun trouw aan alle stukken der leer, zoals die in de belijdenisgeschriften wordt beleden. Dat blijft toch HET grote concentratiepunt, de enige maatstaf voor wat voorgangers menen te moeten beweren, de enige manier waarop inderdaad de eenheid van en in de kerk bewaard kan worden. En daarvan gold in de jaren zestig, toen ook aan die trouw aan belijdenis getornd werd en die zelfs goedgepraat werd, maar nog steeds, en vandaag sterker nog dan toen: de HERE wil dat we onze eden houden! Opmerkelijk ook dat zo kort na hun studie deze jonge dominees zo weinig aan de gereformeerde geloofsleer blijken te hebben en zelf zeggen hun zekerheden overal en nergens vandaan te moeten halen. De vraag is gewettigd, of de opleiding in Kampen hen werkelijk nog de liefde tot de gereformeerde belijdenisgeschriften bijbrengt? Immers, we krijgen sterk de indruk dat deze tot formaliteit verworden en niet meer functioneren als levende getuigenissen.
Uit: Reformanda, 'Jasperse 3', 3 juli 2002
Mijn reactie:
1. In deze passages wordt de suggestie gewekt dat de beide dominees hun ambtseed schenden, dat de ze de belijdenisgeschriften niet meer serieus nemen en de basale leer over Christus op de helling zetten. Dit zijn zware beschuldigingen, waarvoor eerst overstelpend bewijsmateriaal moet worden overlegd door de aanklager, voordat ze naar buiten worden gebracht. De suggesties in dit artikel zijn leugenachtig. Ten overvloede: Ik ken beide dominees en weet dat ze Jezus liefhebben en zich willen richten naar de Bijbel en de belijdenis. Omdat ze onwaar zijn, schenden deze suggesties de eer en de goede naam van de beide predikanten en zijn ze in strijd met het negende gebod.
2. Zelfs al zouden deze suggesties op de waarheid gebaseerd zijn dan moet dit volgens de kerkelijke weg behandeld worden. Dit betekent dus naar Mat 18, een gesprek onder vier ogen, als dat niet helpt met getuigen en dan pas naar de gemeente. Ook dan is het nog niet openbaar.
Ik weet niet of dit allemaal gebeurd is, maar in geen geval wordt een zaak als deze in een tijdschrift met naam en toenaam besproken. Tuchtzaken worden altijd met veel omzichtigheid en privacy behandeld, en kosten veel moeite voor alle betrokkenen. Het levert ook veel verdriet op.
In dit geval krijg ik niet de indruk dat de betreffende predikanten zijn benaderd, eerst onder vier ogen en dan met getuigen en dat er een onderzoek is geweest. Deze zware beschuldigingen baseren op uitsluitend een kranteartikel is misplaatst en niet voldoende.
3. Tot slot geldt het woord van Paulus: Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. (..) Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zijn het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen. (Hebr 13:7 en 15).
Onze dominees verdienen ons respect, onze steun en ons gebed, ook als we het met niet ze eens zijn. Het uiten van beschuldigen zonder grond staat daar lijnrecht tegenover.
Kortom, ik vind dat deze stijl van met elkaar omgaan niet past in een christelijke kerk. We achten elkaar hoog, als er kritiek op personen te oefenen valt doen we dat op een tactische en bijbelse manier, op de waarheid gebaseerd. Ik ben van mening dat Reformanda dit niet heeft gedaan in dit geval en vraag alsnog om dit artikel te rectificeren.