Uitgedaagd door de stelling van deze topic, ben ik afgelopen week op zoek gegaan naar betekenis, functie en gebruik van het woordje ‘Amen’ tijdens de erediensten. Daarbij stuitte ik o.a. op het boek Met al de heiligen : Liturgie in hemel en op aarde.- (Boek 2) deel III: ‘Zijn gemeenschap’ : de gereformeerde liturgie / door ds. G. van Rongen, uitgegeven door De Vuurbaak, 1990. p. 197-199. (Het schijnt trouwens nog steeds leverbaar te zijn, twee delen totaal ca. Euro 26,- ISBN 90-6015-839-3).
In het hoofdstukje over het woord 'Amen' staat een opvallende zin, zeker voor Reformanda-mensen wel een goeie denk ik: ‘Een gereformeerde kerk moet alsmaardoor gereformeerd worden’. Dat betekent het woord Reformanda immers?
Maar nog opvallender is, dat het in de volgende context staat (ik heb de zin maar vet gedrukt gehouden, wat in het boek niet zo is):
‘Dat we een hoofdstuk inlassen over het woord 'Amen' kan misschien wat vreemd lijken. Voor velen is dit geen apart element in onze liturgie. De dominee zegt het, vaak na het Votum, zeker na de groet, verder aan het eind van de preek, van de gebeden, en ook van de zegen helemaal aan het slot van de dienst.
Toch is dit gebruik niet naar de Schrift. Het is eerder een overblijfsel van de 'Roomse' tijd van de kerk, iets dat uit de dagen van de hiërarchen stamt.
‘Een gereformeerde kerk moet alsmaardoor gereformeerd worden’.De functie die het woord 'Amen' in onze kerken dient te hebben, is een van de punten waarop verdere reformatie nodig is: terugkeer naar de oude christelijke kerk en zo naar de Schrift.
Hopelijk zal het duidelijk worden dat het hier waarlijk niet om een onbelangrijk punt gaat. Daarom iets uit de Schrift en de historie. Velen weten wel dat 'Amen' betekent: "Het is waar en zeker", want ze kennen het slot van hun Catechismus. Maar daarmee houdt hun kennis dan ook op. En zodoende is het een traditie geworden die hun niet veel of niets zegt, wanneer in de kerkdienst het woord 'Amen' niet uit hun eigen mond maar uit die van de voorganger klinkt’.
Vervolgens laat ds. Van Rongen zien wat de betekenis en het gebruik van het woordje ‘Amen’ in de Schrift was.
Uit het Oude Testament haalt hij drie manieren van gebruik:
‘In de eerste plaats moest het klinken wanneer een vrouw werd beschuldigd van ontrouw aan haar man. Ze moest dan voor de priester verschijnen. Die sprak een vervloeking over haar uit in geval ze inderdaad ontrouw was, en de vrouw moest die woorden met "Amen" beantwoorden. Dat betekende dan dat ze daarmee wilde zeggen: dat mag over mij komen als ik inderdaad ontrouw ben geweest; maar dat ben ik niet! We lezen dat in Numeri 5:22.
Dezelfde functie had het woord 'Amen', toen een deel van het volk Israël bij de berg Ebal zijn instemming moest betuigen met de vervloekingen die werden uitgesproken over wie niet naar de geboden van God wilden leven. Tot twaalfmaal toe lezen we: "En het gehele volk zal zeggen: Amen." (Deuteronomium 27:11-26).
In Nehemia 5:13 speelt het woord 'Amen' eenzelfde rol: als men de mensen die in de loop van de tijd verarmd waren, hun bezittingen niet zou teruggeven, kon men een vloek over zich verwachten. De hele gemeente moest daarop "Amen" zeggen.
'Amen' had dus de functie van een bevestiging van een eeds- of vervloekingsformule. Iemand anders sprak die uit, en daarop werd met "Amen" geantwoord: men trok die woorden op deze manier als het ware naar zich toe.
Een tweede functie had 'Amen' als bekrachtiging van een opdracht. Ook dan was het een soort antwoord op wat eerst door een ander gezegd werd. Een voorbeeld daarvan vinden we in I Koningen 1:36: Benaja bevestigde daarmee de opdracht die koning David hem gegeven had, om maatregelen te treffen voor het uitroepen van Salomo als zijn opvolger: "Amen, zo bevestige de HERE de woorden van mijn heer de koning!"
De derde functie die het woord had, was die van een instemmen met een door iemand anders gesproken lofzegging. Davids lofzang van I Kronieken 16:36 werd ermee bevestigd: "En al het volk zeide: Amen, en: Loof de HERE." Hetzelfde gebeurde met de lofzegging van Ezra in Nehemia 8:7.
Elk van de onderdelen van het boek der Psalmen eindigt met een lofzegging en het woord 'Amen', Psalm 41:14; 72:19; 89:53, en 106:48, terwijl we Psalm 150 mogen beschouwen als één groot 'Amen' op de hele Psalmbundel’.
Over het gebruik van het woord ‘Amen’ in het Nieuwe Testament schrijft Van Rongen:
‘Vreemd is het daarom ook niet dat we het woord in diezelfde functies in het Nieuwe Testament zien terugkomen. Vooral in de Korintische gemeente is het zo gebruikt. De apostel Paulus wilde ook hierom het gebruik van het spreken 'in een tong' afremmen, omdat iemand die als toehoorder de samenkomst bijwoonde en die tongen taal niet verstond, geen Amen kon zeggen op de gehoorde dankzegging (I Korintiërs 14:16). En wat Paulus in II Korintiërs 1:20 schrijft: "Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons", slaat kennelijk op het gebruik van het woord 'Amen' wanneer in de kerk Gods beloften gehoord waren: de gemeente liet haar Amen op de preek horen. Ook in Openbaring 5:14 vinden we het woord als respons op een lofzegging. ,
Doxologieën werden ermee bekrachtigd (Romeinen 11 :36; Efeziërs 3:21 en vele andere plaatsen), en ook zegenspreuken (Romeinen 15:33; 16:24; Galaten 6:18).
'Amen' is het woord van de gemeente! Ze beantwoordde daarmee beloften, zegenspreuken of een lofzegging die ze gehoord had.’
Vervolgens gaat Van Rongen in op de (kerk)Historie:
‘Maar wat is er later mee gebeurd?
In de oude christelijke kerk is het schriftuurlijk gebruik van het woord 'Amen' bewaard gebleven. We geven één illustratie: Hiëronymus (340-420) vertelt ons ergens dat het 'Amen' van het volk in de basilieken van Rome als de donder van de hemel klonk.
Later werd aan de gemeente het zwijgen opgelegd. Men hoefde niets meer te horen, laat staan erop te antwoorden; als men maar naar de show-mis kwam zien! En zo ging de priester zelf 'Amen' zeggen op de gebeden, lofzeggingen, prediking en zegenspreuken.
Helaas hebben de reformatoren het 'Amen' niet aan de gemeente teruggegeven. Hoewel Calvijn – anders dan Luther – van mening was dat de doxologie tot de tekst van het Gebed des Heren behoort, en hij verband tussen die lofzegging en het woord 'Amen' zag, heeft hij toch niet laten zien, dat het een respons op de lofzegging was, die van de gemeente werd verwacht.
Alleen Ursinus, de hoofdopsteller van de Heidelbergse Catechismus, heeft in zijn Catechismusverklaring, het Schatboek, duidelijke taal over de functie van het woord 'Amen' gesproken.’
En dan citeert Van Rongen uit een oude Nederlandse vertaling van dat ‘Schatboek’ uit 1736 en geeft hij nog enkele voorbeelden waaruit blijkt dat het woordje ‘Amen’ niet bij het gebed zelf hoorde, maar door de gemeente werd uitgesproken. Van Rongen besluit:
'’Amen' is een woord van de gemeente. Het wordt tijd dat het haar teruggegeven wordt. Dan gaat de liturgie van de kerk op aarde weer harmoniëren met die in de hemel waar het 'Amen' klinkt als respons op de lof van "alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde, en op de zee en alles wat daarin is" (Openbaring 5: 13-14).’
In gelijke zin spreekt ook prof. C. Trimp in zijn boek ‘De gemeente en haar liturgie’, uit 1983, blz. 95-100.
Tenslotte nog iets uit eigen ervaring:
In onze kerk zingt de gemeente sinds ongeveer 1997 aan het begin van de dienst na de vrede-zegengroet een driedelig ‘Amen’. De liturgiecommissie pleitte er destijds voor om elke keer dat het woordje ‘Amen’ gezegd werd, dit door de gemeente te laten doen. Uiteindelijk resulteerde dit alleen in een gesproken ‘Amen’ door de gemeente na de preek. In de loop der jaren is dit gebruik uitgesleten en wordt het nauwelijks meer gedaan.
Aan het eind van de dienst na de slotzegen, zingt de gemeente een zg. ‘doxologie’ (lofprijzing) uit