quote:
mooi!
quote:
Hoe combineer je dan de verwijzing naar alle volken, de hele aarde, en het feit dat in de tijd van Maleachi de joodse godsdienst volstrekt niet door alle volken, over de gehele aarde, werd beleden? En wat is in jouw visie de betekenis van de genoemde offers, die "overal" gebracht worden?
Eerst even de context. Je dacht toch niet dat je zomaar een bijbeltekst kon plukken, zonder de omliggende verzen te bekijken?
quote:
Mal. 1
6 Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die mijn naam veracht. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij uw naam? 7 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des HEREN tafel, zij is verachtelijk. 8 Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen.
9 Welnu, tracht maar God te vermurwen, dat Hij ons genadig zij! Uwerzijds is zo gehandeld; zal Hij dan iemand van u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 10 Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken! Ik heb geen welgevallen aan u, zegt de HERE der heerscharen, en in een offer van uw hand schep Ik geen behagen. * 11 Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de HERE der heerscharen.
12 Maar gij ontheiligt hem door te zeggen: De tafel des HEREN, zij is minderwaardig, en wat zij oplevert, haar spijs, is verachtelijk. 13 En dan zegt gij: Zie, wat is het een moeite! Gij haalt er de neus voor op, zegt de HERE der heerscharen; gij brengt het geroofde, het kreupele en het zieke. Als gij dat offer brengt, zou Ik het uit uw hand met welgevallen aannemen? zegt de HERE. 14 Vervloekt is ook de bedrieger, die in zijn kudde een mannelijk dier heeft en die dat wel belooft, maar de HERE toch een ondeugdelijk dier ten offer brengt! Want een groot Koning ben Ik, zegt de HERE der heerscharen, en mijn naam is geducht onder de volken
Zoals je al opmerkte, gaat het in de rest van dit gedeelte over de tempeldienst. Meer specifiek: God klaagt de priesters (en anderen?) aan, omdat ze Zijn tempeldienst , Zijn altaar, zelfs Zijn Naam verachten! De offers die gebracht zijn, zijn ver onder de maat. Kreupele dieren, etc. Een teken dat men het slechts als vervelende fomaliteit ziet, en niet als het schuld belijden, en iets waardevols van jezelf geven aan de Here. Een wereldse heerser zou z'n neus ophalen voor de zooi die men offert.
In die context komt vers 10:
"Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken! Ik heb geen welgevallen aan u, zegt de HERE der heerscharen, en in een offer van uw hand schep Ik geen behagen". Het zou nog beter zijn, als de tempeldeuren maar dicht gingen en men het altaar met rust liet. God geeft aan dat Hij absoluut geen behagen heeft in het gepruts van de priesters.
Daarna als contrast vers 11. Omdat de foute priesters in het heden (van Maleachi) zijn, kan het heel goed zijn dat datgene waarmee gecontrasteerd wordt, dat ook is. Het is dan niet zozeer een profetie (alhoewel zo'n uitspraak best een dubbele lading kan hebben) maar simpelweg een enorme berisping aan het volk Israel. Immers, de eigen priesters gaan de fout in, terwijl elders op de wereld nota bene niet-Joden goede offers brengen.
In vers 12 en 13 gaat de focus dan weer even terug naar de misbaksels die de joodse priesters offeren, en dan stelt God de rhetorische vraag of Hij die zooi dan wel zou aannemen. En daarna komt vers 14 met
"Want een groot Koning ben Ik, zegt de HERE der heerscharen, en mijn naam is geducht onder de volken.". Aangezien ook hier geen tuidsaanduiding staat (volgens mij, voor zover ik kon zien in m'n studiebijbel) kan dit op de toekomst slaan, maar het kan evengoed ook gewoon op het heden slaan.
De moraal van het verhaal zou dan zijn: de eigen priesters van het eigen volk van God verprutsen het, en schofferen hun God, terwijl de niet-joden waar altijd op neergekeken wordt God juist goede offers weten te brengen. In dat geval is het 'overal' (alle volken) een hyperbool.