ter aanvulling,
1. De woorden ‘Kerk’ en ‘gemeente’ in de bijbel:
1a. gemeente
Voor het woord ‘ gemeente’ staat in de Griekse grondtekst het woord ‘ekklèsia’. Dit woord komt van het werkwoord ‘ kalein’ = roepen, samenroepen. Het betekent dus een gezelschap, dat samengeroepen is. Het was in het Grieks dan ook een gewoon woord voor ‘ vergadering’. Bijvoorbeeld gebruikt in handelingen 19 vers 32, 39 en 40, voor de volksvergadering die in Efeze belegd werd naar aanleiding van de beschuldiging van Demetrius de zilversmid tegen Paulus.
Christus zelf heeft het woord ‘ekklèsia’ het eerst toegepast op de Zijnen, toen Hij zeide in Mattheüs 16:18: Op deze petra zal Ik mijn ekklèsia bouwen -> degene die Hij geroepen en om Zich heen verzameld heeft.
Het woord komt dan voorts tientallen malen in het NT voor. De betekenis is daarbij overwegend plaatselijk: de gelovigen in een bepaalde plaats, b.v.:
Hand.5:11 “En daar kwam grote vreze over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.”
Hand.13:1 “En daar waren te Antiochië in de gemeente, die daar was …”
Hand.15:3 “Zij dan, van de gemeente uitgeleid zijnde, …”
Hand.15:22 “Toen heeft het de apostelen en de ouderlingen met de gehele gemeente goedgedacht, mannen uit zich te verkiezen …”
etc.
Er kan dan ook in het meervoud over worden gesproken, b.v.:
Hand. 9:31 “De gemeenten dan door geheel Judea en Galilea en Samaria hadden vrede,… ”
Hand.15:41 ”En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. ”
Hand. 16:5 “De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof en werden dagelijks overvloediger in het getal.”
Maar daarnaast heeft de ekklèsia in het NT ook wel de betekenis van de ganse kerk, dus niet alleen maar in een bepaalde plaats, zoals in:
1Kor.15:9 “Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. ”
Filipp.3:6 “… naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, …”
En zelfs wel de kerk van alle tijden:
Ef.1:22 “En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt. ”
Ef. 3:21 “Hem, zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid.Amen. ” (zie ook Ef.3:10)
Ef. 5:23 e.v. “Want de man is het Hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de gemeente is; en Hij is de behouder van het lichaam. Daarom gelijk de gemeente Christus onderdaning is, alzo …” t/m vs 33.
1b. Kerk
Ook het woord ‘ kerk’ komt uit de bijbel. Al kunnen wij dat in de vertaling niet zien. Het is namelijk afgeleid van ‘ kuriakos’, een grieks woord dat betekent ‘van de Kurios, de Kurios toebehorend.’ De Kurios hier bedoeld, is de Heere. Het woord wordt zowel van de vader als van de Zoon gebruikt. Tweemaal komt ‘kuriakos’ voor in het NT:
1Kor.11:20 -> ‘kuriakos’ in ‘het avondmaal des Heeren’.
Openb.1:10 -> ‘kuriakos’ in ‘de dag des Heeren’.
1c. kerk / gemeente
Begrijpelijk, dat men in de apostolische tijd al spoedig ‘kuriakè’ met ‘ekklèsia’ verbond en ging spreken van de ‘ekklèsia kuriakè’, ( de gemeente des Heeren )
De volgende ontwikkeling was, dat in de ene taal het eerste woord de overhand kreeg en in de ander taal het tweede:
- Eerste: In het latijn noemde men de (of een) vergadering van christenen ‘ecclesia’, vandaar in het frans ‘église’, spaans ‘iglesia’, portugees igreja’, enz.
- Tweede: In het Duits ‘ Kirche’ , en in het engels ‘ church’, bij ons ‘ kerk’, het Deens ‘kirke’, Zweeds ‘kyrka’, Russisch ‘tserk’, Tjechisch ‘ cirkev’, enz.