In feite heeft die persoon gelijk op dit punt: Al het goede komt van God. Al het kwade komt van de mens en van Gods tegenstander. Dat is moeilijk, maar zo is het wel. Ik begrijp dat mensen daar moeite mee hebben, je moet zeg maar jezelf verloochenen om dat te erkennen. En het valt niet mee te erkennen dat we tot niets goeds in staat zijn en uit onszelf niets goeds kunnen doen. Tegelijkertijd maakt ons dat geen marionetten van God. Wel marionetten van de duivel. We kunnen maar 1 kant op lopen en dat is de verkeerde kant. Tenzij God naar ons toekomt, de touwtjes doorknipt, ons vrijmaakt... en ons zijn Geest geef. Dat is geen loterij... die genade is er voor iedereen die die boodschap hoort en doet. Daarom gaan mensen niet verloren omdat God ze niet redt, Hij gaf Christus, mensen horen over Hem... en wijzen Hem af.
Het draai om totale afhankelijkheid. De auteur zegt: Ik wil wel geloven maar ik kan het niet komt duidelijk overeen met wat Paulus schrijft in Romeinen 7. Niet het goede, wat ik wil, doe ik, maar het verkeerde, wat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen. Maar dan is daar ook tegelijkertijd het antwoord. Jezus Christus, onze Heer. Alleen dankzij Hem, en niet op basis van wat wij kunnen en/of willen mogen we kinderen van God zijn. En is er vergeving voor onze gebreken, het niet kunnen. En dan komt er ook genezing, hoewel we in dit leven nooit de volmaaktheid bereiken.
Romeinen 7 en 8 zijn daarom zo mooi en rijk in zo'n situatie. Diepe wanhoop, dat eindigt met Jezus Christus als enige uitweg... en de enorme euforie in het hoofdstuk daarna.
18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. 19 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23 En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. 26 De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.
De Geest is daarin ook zo belangrijk, die is nodig om ons te overtuigen van onze redding in Christus, juist in onze zwakheid.
31 Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32 Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. 35 Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? 36 Er staat geschreven: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37 Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. 38 Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39 hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.