Hallo Nunc,
Je schreef:
quote:
Nunc:
- God spreekt geregeld in meervoud. Op zich geen bewijs, maar zeker een aanwijzing
- De titel 'Elohim' is zelf al een meervoud van 'El'. Soms is dit woord gekoppeld aan een enkelvoudswerkwoord, soms ook aan een meervoud.
Indien je het Christelijke Nieuwe Testament als uitgangspunt zou nemen (hetgeen we op dit Bijbelstudie-forum inderdaad doen), dan zou je binnen de Tanach aanwijzingen kunnen zien die duiden op een Drie-Eenheid.
Persoonlijk zie ik die aanwijzingen niet. Het is in het Hebreeuws, het Aramees en Ivriet (en andere Semitische talen) heel normaal om over 1 persoon te spreken in het meervoud. In Genesis 24 spreekt bijvoorbeeld Avraham's bediende, zijn meester Avraham aan als
"adoniem" -- letterlijk "Heren" (meervoud). Iets verder, in Genesis 39, spreekt Jozef over Potifar in het meervoud. Exodus 21 spreekt de wet van een "slaaf en zijn meester"; maar de Hebreeuwse term die voor "meester" wordt gebruikt is weer
"adoniem", letterlijk "Heren." Desondanks zou het foutief zijn om dit zelfstandige naamwoord meervoudig op te vatten.
Exodus 21:6 begint met de Hebreeuwse frase: והגישו אדניו אל האלוהים , dat is:
"En zijn meester (Adonajw = meesters [meervoud]) zal hem brengen naar de rechters ('Elohiem])...", of Genesis 39:20, waar staat: ויקח אדני יסף , dat is:
"En Josef's meester (אדני "meesters van" [meervoud]) nam hem …", etc… In Jesaja 19:4 vertelt de profeet aan Israel dat God hen over zal leveren aan een wreed meester,
"adoniem kasjeh" -- een meervoudig zelfstandig naamwoord. Iets daarvoor heeft Jesaja het over een eigenaar, ba'aliem (letterlijk: meesters/heren/echtgenoten, enz) -- allemaal meervoudige zelfstandige naamwoorden die enkelvoudig moeten worden begrepen. In 1 Koningen 1:11 wordt David aangesproken als "Heren" in het meervoud. Deuteronomium 10:17 zegt letterlijk "de goden van goden en de heren van heren."
Vooral in het geval van prominentie, of bij leiders, of overheersers, wordt het meervoud gebruikt, zoals in Jesaja 1:3 waar de ezel de krib van zijn meester kent, waar het meervoud van ba'al (meester) wordt gebruikt: ba'aliem.
Zelfs Ba'al Zebub wordt 'elohiem genoemd in 2 Koningen 1:3 ('Elohei Ekron), zoals evenals ander heerschap of een engel 'elohiem kan worden genoemd. 'Elohiem kan ook naar "rechter"/"rechters" verwijzen (zoek het desnoods op in elk goed woordenboek). Toch betreft het geen eenheid van meerdere heren. Mensen kunnen 'elohiem worden genoemd, zoals vaak in de Midrash gebeurd. Mozes wordt ook 'elohiem genoemd in Exodus 7:1.
Relevant is, dat de reden eenvoudig grammaticaal is te verklaren: Houd in gedachten dat
'Elohiem niet de meervoudsvorm is van "God" (de Heer), maar simpelweg een afgeleide van is het woord
'El, wat betekent
"kracht",
"macht." De term
"kracht"/[/i]"macht"[/i] en
"krachten"/[/i]"machten"[/i] wordt ook voor God gebruikt. Als je het woord meervoudig gebruikt, dan valt het terug naar
"krachten", zoals ook engelen, afgoden, machtigen (ook menselijk). Omdat het woord voor God,
'elohiem, letterlijk
"krachten" (in het algemeen) betekent (feitelijk een meervoudsvorm van
'elo'ah (= "kracht"/"macht") -- niet van
'el. Hoewel
'Elo'ah weer van
'el afkomstig is), kan het zonder problemen als meervoudig worden verbogen. Bekende voorbeelden zijn Jehoshoe'a (Jozua) 24:19, Tehilliem (Psalmen) 58:12 of Bereshiet (Genesis) 20:13a. Bovendien is het een
algemeen meervoudig woord zolang er in het Hebreeuws geen bepalend lidwoord (=
ha) voor staat (Ha'elohiem). Een constant aantal
specifieke entiteiten in 1 gebundeld, zouden
"Ha'elohiem" kunnen worden genoemd –
'elohiem is
onbepaald.
Veruit het beste Hebreeuwse woord voor goddelijke entiteiten is
'Elhot. Het beste Hebreeuwse woord voor een Drie-Eenheid is
sh'lieshiejah (of eventueel
sh'loshah).
Ik begrijp dat het vanuit het Christelijke perspectief volledig legitiem is om er een aanwijzing van drie Personen in te zien, al deel ik die gedachte, als niet-Christen, niet.
De reden, echter, waarom ik dit topic ben opgestart is om wat beter grip te krijgen op het concept Drie-Eenheid.
quote:
Nunc:
- In het shema staat zelfs weer een zeldzamere (vermoedelijk meervouds?)vorm van Elohim.
Het Sh'ma zegt letterlijk:
"sh'ma Jisra'el! J-H-W-h 'Elohejnoe, J-H-W-H 'echad" (sh'ma = luister!; Jisra'el = Israel; J-H-W-H = de Heer/HaShem; Elohejnoe = onze God; J-H-W-H = de Heer; 'echad = één). De Hebreeuwse woorden die voor God worden gebruikt zijn volstrekt normaal.
Wellicht komt het woord
'Elohejnoe (= "God van ons") een beetje vreemd op je over? Het is simpelweg een bezittelijke verbuiging van
'Elohiem (= "God"). Als je een Hebreeuws woord bezittelijk maakt, dan verandert de woordstam en komt vervolgens het bezittelijk voornaamwoord er achter aan vast. Er zijn meerdere manieren om hetzelfde woord te verbuigen. Bijvoorbeeld:
'Elohiem shel anach'oe = "God van ons." Dit is correct, maar het wordt alleen door beginners gezegd. Beter en korter zou zijn:
'Elohiem shelanoe = "God van+ons." Maar het beste is:
'Elohejnoe = God+van+ons. Als je bijvoorbeeld zou willen zeggen
"God van jullie", dan verandert de uitgang:
'Elohejchem. Indien de bezitters (de "jullie") vrouwelijk zijn, dan zou er
'ElohejcheN moeten staan, etc. Hetzelfde gebeurt met ALLE andere Hebreeuwse woorden die bezittelijk worden gemaakt. Vergekijk bijvoorbeeld Genesis 39, waar Jozef over Potifar spreekt in het meervoud:
'adoniem. Als hij Potifar had aangesproken als
"heer van mij", wat prima had gekund, dan zou hij
'Adonai hebben gezegd -- hetzelfde als God. Geen enkel probleem.
Of een Christelijk voorbeeld: kijk bijvoorbeeld naar Jesaja 53:9 -- een vers dat het Christendom als een verwijzing naar Jezus beschouwt. Daar staat
"bemotajw", wat letterlijk betekent:
"in zijn doden" -- ieder goed Hebreeuws woordenboek zal dat bevestigen. (Ik neem aan dat je op de hoogte bent dat het Jodendom de p’shat [= letterlijke/simpele betekenis] van ditzelfde hoofdstuk als een rechtstreekse verwijzing naar de tsadikiem (rechtvaardigen) van Israel beschouwt, terwijl de drash [= applicatie van citaten ten behoeve van het aanstippen van een concept] van de Talmoediem, de Midrashiem en de Targoemiem, delen van ditzelfde hoofdstuk gebruiken om iets te vertellen over bijvoorbeeld Rabbi Akiva, of over Mozes, of over rechtvaardigen in het algemeen, of de Moshiach, etc; zelfs over zaadlozing!).
De RaDaK (één van onze belangrijkste Rabbijnen) schreef dat er
"in zijn doden" staat, omdat rechtvaardigen binnen het volk Israel op velerlei manieren om het leven zijn gebracht.
Hoe kan het Christendom dit citaat dan desondanks op Jezus toepassen? Jezus stierf immers hooguit 1 maal. Het antwoord is Simpel: het Hebreeuws heeft geen moeite met een enkelvoudige applicatie van een meervoudig woord. Lees bijvoorbeeld Ezechiel 28:8, waar de profeet verklaart (mijn vertaling):
"En jij (enkelvoud) zult de dood (in het Hebreeuws staat hier meervoud: "doden") van iemand die geslacht is (enkelvoud) in de diepten van de zee." Hetzelfde vindt plaats twee verzen verder, in Ezechiel 28:10, waar een meervoudig woord wordt gebruikt om een enkelvoudig woord aan te duiden.
quote:
Nunc:
- In de psalmen is ergens sprake van de Here die tot mijn Here sprak (David, het nummer weet ik niet).
- Overigens ook bij de vernietiging van Sodom en Gomorra.
Waarschijnlijk bedoel je Psalm 110 en Psalm 2. In het Hebreeuws zegt de tekst van Psalm 110: לדוד מזמור (leDavid mizmor), waar de ל (le) een voorzetsel is van דוד (David), en מזמור (mizmor) betekent "een Psalm." Het Hebreeuwse voorzetsel ל (le) kan de volgende betekenissen hebben: 'aan/naar' of 'voor', 'door', en 'in' (de laatste is in de huidige context geen optie). Dat betekent dat de tekst in het Nederlands kan worden vertaald met "door David", of "voor David", of "aan/naar David". M.a.w.: de betekenis is niet zondermeer te achterhalen.
Een voorbeeldje:
In zowel Psalm 42, alswel 44, alswel 45, alswel 46, alswel 47, alswel 48, alswel 49, alswel 84, alswel 85, alswel 87 en 88, staat vermeld שיר מיזמור לבני קרה (shier mizmor li'vnei korah) - "een lied een Psalm
voor de zonen van Korach." Hier betekent ל
'voor' en niet
'door'. Of Psalm 72, gemaakt door David
voor Salomo. לשלמה (li'shlomoh) : "
voor Salomo".
Psalm 144 zegt לדוד (leDavid) in de zin van "
van David". Rashi zegt dat Psalm 110 een door David geschreven Psalm betreft over Abraham en z’n strijd tegen Amraphel, met de overwinning die volgt over de vier vijandelijke Koninkrijken (zie Genesis14). Maar omdat de Psalm niet in de 1e persoon staat, kan de Psalm evengoed door een ander zijn geschreven.
Psalm 110:1 "De HEER ( יהוה "J-H-W-H") spreekt tot mijn heer (לאדוני): 'Neem plaats aan mijn rechterhand, (totdat) ik maak van je vijanden een bank voor je voeten."
In het Nederlands staat er tweemaal het woord
"heer" (eenmaal met en eenmaal zonder Hoofdletters). In Hebreeuwse tekst staat er tweemaal een geheel andere combinatie: de eerste
"HEER" wordt geschreven d.m.v. het Tetragrammaton י-ה-ו-ה (
jod-heh-wav-heh) en verwijst naar God de HEER, de Schepper.
De volgende
"heer" wordt in het Hebreeuws geschreven als לאדוני (ladonie). Die combinatie bestaat uit twee componenten: het voorzetsel ל (le), dat hier alleen tegen/aan (m.b.t. spreken) betekent; en אדוני (adonie), wat is afgeleid van אדון (adon).
"Adon" heeft een flink aantal aan mogelijke betekenissen, zoals:
1) אדון (adon) kan "heerser", "regeerder", "staatshoofd" betekenen (zie bijv. Genesis 45:9 of Jeremia 34:5). Dit komt slechts een paar keer voor in de Tanach.
2) Het kan een titel zijn voor een superieur (zie bijv. Genesis 23:6 of Psalmen 114:7). In deze betekenis wordt het woord het vaakst gebruikt.
3) Het kan eveneens naar een meester of eigenaar van iets verwijzen (zie bijv. Genesis 24:51 of Job 3:19). Deze betekenis wordt zeer vaak gebruikt .
4) Tenslotte kan het een manier zijn om naar God te verwijzen (zie bijv. Jesaja 1:24 of Psalmen 114:7) Binnen die context komt het woord niet vaak voor, en vייl belangrijker: hier wordt Adon bedoeld – geen A-donai (want dat is het
substituut van JHWH, zoals in de moesaf dienst op de 2e dag van Rosh-Hashanah, - hoewel je dat hetzelfde schrijft als "Adonie").
In de eerste persoon wordt אדון (adon) in de Tanach meestal verbogen m.b.t. een bezitsrelatie (adonie): "mijn (menselijke!) meester/mijn (menselijke!) heer" (zie bijv. Genesis 24:18, Jesaja 36:9, Daniel 10:17). Of לאדוני (ladonie) "aan, voor mijn (menselijke!) meester" (zie bijv. Genesis 24:36,54,56, 32:5, 1 Samuel 25:27, 2 Samuel 19:29[28], 2 Samuel 4:8, 2 Samuel 4:8, etc). Of ואדוני (wadonie) "en mijn (menselijke!) meester" (zie bijv. Genesis 18:12 of 2 Samuel 11:11). Of באדוני (badonie) " 'tegen' mijn (menselijke!) meester” (zie bijv. 1 Samuel 24:11[10] of 2 Samuel 18:28 ). Of מאדוני (Madonie) "van/vanaf mijn (menselijke!) meester" (zie bijv. Genesis 47:18 ). Etc...
Daarvan zijn er 9 die zowel het Tetragrammaton (י-ה-ו-ה) alswel de term לאדוני hebben: 1 Samuel 24:6, 25:28, 30, 31 (2 maal); 2 Samuel 4:8; 1 Koningen 18:13; 1 Kronieken 21:3. In alle gevallen betekent de combinatie "aan mijn (menselijke) meester/heer", en de bijbels hebben al deze gevallen correct vertaald, behalve 1 maal:...... Psalm 110 (!) – daar wordt het vaak met een hoofdletter geschreven, alsof het zondermeer A-donai is. Maar A-donai (schrijf je in het Hebreeuws hetzelfde) is het 'substituut' van י-ה-ו-ה, en לאדוני betekent hier dus geen LA-donai - het betekent niet "naar/aan mijn Heer (met hoofdletter)". Het betreft een mens (of een engel); slechts Ladonie ("naar/aan mijn 'menselijke' meester") – geen La-donai.
Als je de evangelieen (Mattheus, Marcus en Lucas) erop naslaat (in het Grieks), zie je dat de twee verschillende Hebreeuwse termen י-ה-ו-ה (J-H-W-H) en אדוני (Adonie) met het
zelfde woord worden vertaald: κυριος (kurios), waardoor ieder onderscheid verdwijnt dat de Hebreeuwse taal geeft(!). De eerste κυριος (eigenlijk "ο κυριος") is de vertaling van יהוה (JHWH. Zie
http://www-users.cs.york....cgi-bin/gnt?id=01224402#h ), terwijl de tweede κυριος (eigenlijk κυριω μου) de vertaling is van לאדוני (
"ladonie". Zie
http://www-users.cs.york....cgi-bin/gnt?id=01224404#h ), waarvan אדוני (adonie) deel uitmaakt.
Op die manier wordt “ο κυριος" (o kurios) "de HEER"- een verwijzing naar God de Vader. En "κυριω μου” (kurio mou) kan "mijn Heer" worden – een andere referentie naar God: de Zoon, Jesus. Echter, in het Hebreeuws is deze promotie van de tweede heer onmogelijk; er is feitelijk niets goddelijks aan אדוני ("mijn meester/heer"). Alleen de eerste HEER (י-ה-ו-ה) verwijst naar God.
Een ander punt is de naam/titel Melchisedek. De Hebreeuwse combinatie מלכי-צדק (Malki-Tsedeq), betekent letterlijk
"mijn rechtvaardige koning" of
"mijn koning [hij] is rechtvaardig", en komt slechts tweemaal in de Tanach voor (Psalm 110:4 en Genesis 14:18 ).
quote:
Genesis 14:18: En Melchisedek (מלכי-צדק (Malki-Tzedeq), de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste.
Tijdens Abraham was Malki-Tzedeq een rechtvaardige heidense priester-koning die de ene ware God aanbad.
Zecharya spreekt over een Kohen (כהן). Betekent dit een priester-koning van "de orde van Malki-Tsedeq"? Kohen heeft simpelweg meerdere betekenissen. Het kan zelfs duiden iemand die het aanbidden van afgoden onderwijst, of een spirituele leraar, of een heerser, of een staatsdienaar of een rechter, of een prins, en eveneens een priester. 2 Samuel 8:18 laat bijvoorbeeld zien dat Davids zoons Kohanim waren, ondanks hun afstamming van Judah (!).
quote:
2 Sh'muel 8:18:
ובניהו בן יהוידע והכרתי והפלתי ובני דוד כהנים היו
Ter vergelijking even een paar Nederlandse Bijbelvertalingen:
quote:
2 Samuel 8:18 Staten Bijbel:
Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen (כהנים).
quote:
2 Samuel 8:18 Lutherse Bijbel:
en Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi, en Davids zonen waren staatsdienaren (כהנים).
quote:
2 Samuel 8:18 Leidse Bijbel:
Benaja, de zoon van Jojada, hoofd der Krethiers en Plethiers, en Davids zonen waren priesters (כהנים).
Dit betekent niet dat je er geen priester in
mág zien, maar je hebt ongelijk als je beweert dat men er een priester in
móet zien.
De Nederlandse vertaling van het woord 'priester' geeft niet helemaal de betekenis weer. Ten eerste: volgens de Tanach zijn de functies van priesterschap en monarchie gescheiden – zoals het idee achter de "scheiding van kerk en staat." In Deuteronomium 17:14-20 worden de plichten en kwalifikaties gedefinieerd waaraan een koning moet voldoen. Na Koning David (2 Sam 7:12-16), was het vereist om uit de stam van Judah afkomstig te zijn en biologische nakomelingen te zijn van koning Salomo.
Deuteronomium 18:1-8 beschrijft de andere catagorie van leiderschap: de priesters en Levieten. Zij moeten akomstig zijn van de stam van Levi. Daarom zijn beide gescheiden: een koning kan geen priester zijn en vice versa. Zie Leviticus 4:22-26:
quote:
Leviticus 4:22-26:
22 Als een vorst gezondigd heeft en zonder opzet tegen ייn van al de geboden van de HERE, zijn God, iets gedaan heeft dat niet gedaan mocht worden, en dus schuldig geworden is, 23 dan zal hij, als hem de zonde die hij begaan heeft, bekend geworden is, als zijn offergave een geitebok brengen, een gaaf dier van het mannelijk geslacht. 24 Hij zal zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar men ook het brandoffer voor het aangezicht des HEREN pleegt te slachten; een zondoffer is het. 25 En de priester zal met zijn vinger een deel van het bloed van het zondoffer nemen en dat strijken aan de horens van het brandofferaltaar; het overige bloed zal hij aan de voet van het brandofferaltaar uitgieten. 26 Maar al het vet zal hij op het altaar in rook doen opgaan, zoals het vet van het vredeoffer. Zo zal de priester over hem verzoening doen voor zijn zonde, en het zal hem vergeven worden.
Deze passage laat zien dat een koning ondergeschikt is aan een priester in het ritueel.
In het post-Levi tijdperk (!), kan een koning hooguit enkele priesterlijke functies vervullen – niet meer. David heeft bijvoorbeeld priesterlijke functies vervuld:
quote:
2 Samuel 6:14&17
En David danste uit alle macht voor het aangezicht des HEREN; David nu was omgord met een linnen lijfrok. (...)17 Nadat zij de ark des HEREN binnengebracht hadden, zetten zij haar neer op haar plaats, in de tent die David voor haar gespannen had, en David bracht brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht des HEREN.
Dat zal ook het geval zijn bij de Moshiach in het Messiaanse Tijdperk. Zie bijv. Ezechiel 45:17:
quote:
Ezekiel 45:17:
Maar op de vorst rust de plicht van de brandoffers, het spijsoffer en het plengoffer, op de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, op al de hoogtijden van het huis Israכls. Hij zal het zondoffer en het spijsoffer, het brandoffer en de vredeoffers brengen, om verzoening te doen voor het gehele huis Israels.
&
quote:
Ezechiel 46:12:
Wanneer de vorst een vrijwillig offer bereidt, een brandoffer of een vredeoffer als vrijwillige gave aan de HERE, dan zal men de poort die op het oosten uitziet, voor hem openen, en hij zal zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, zoals hij het op de sabbatdag doet; en nadat hij naar buiten gegaan is, zal men de poort na zijn vertrek sluiten
Hoewel een Koning dus enkele functies van een priester mag vervullen, sluit de Tanach uit dat een een priester Koning kan zijn, of dat een Koning priester kan zijn. Het priesterschap is voor eeuwig aan de stam van Levi toebedeeld. Zie bijv. Exodus 40:15:
quote:
Exodus 40:15:
Gij zult hen zalven [de zonen van Aaron], zoals gij hun vader gezalfd hebt, om voor Mij het priesterambt te bekleden; en dit geschiedt, opdat hun zalving voor hen tot een altoosdurend priesterschap zij in hun geslachten.
&
quote:
Numeri 25:12-13:
12 Zeg daarom: Zie, Ik geef hem mijn verbond des vredes, 13 opdat het voor hem en zijn nakomelingen tot een verbond van een altoosdurend priesterschap zij, omdat hij voor zijn God geijverd en over de Israכlieten verzoening gedaan heeft.
Als gevolg daarvan zijn verwijzingen (bijv. in de brief naar de Hebreeen) naar Jezus als een priester in de orde van Melchisedec irrelevant m.b.t. Pslam 110. Het priesterschap van Aaron (Israel) en het priesterschap van Malki-Tzedeq (pre-Israel) zijn twee totaal verschillende soorten priesterschap: de één is heidens (Malki-Tzedeq), de ander is Joods (Aaron).
Indien Jezus de Moshiach is, dus van de stam van Jedoedah afkomstig is, kan Hij dan priester zijn in de orde van Malki-Tzedeq? Indien Jezus
niet van de stam van Judah afkomstig is, kan Hij dan de Moshiach zijn? Voor mij gaat Psalm 110 niet over Jezus (om meerdere redenen, waarvan ik er hierboven nu 1 heb genoemd). Nogmaals: dit betekent niet dat je er geen priester van de Jehoedah in
mág zien, maar je hebt ongelijk als je beweert dat men er een priester in
móet zien.
Maar belangrijker is, dat het criterium van het opstarten van dit topic niet zozeer was om “bewijzen” voor de Triniteit uit de Tanach te discussiëren. De intentie was om beter grip op het concept Triniteit te krijgen.
Met betrekking tot Psalm 2, wordt er gesproken over God’s zoon. Het is vrij gebruikelijk dat in de Tanach mensen, Israel (en eveneens engelen) worden geïndentificeerd als een zoon van God.
quote:
Exodus 4:22:
Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon.
quote:
2 Samuel 7:14:
Ik zal hem (Sh'lomo) zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.
quote:
Exodus 4:23:
Ik heb je bevolen Mijn zoon (Israel) te laten gaan om mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal ik je eerstgeboren zoon doden
quote:
Hosea 11:1:
Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; en uit Egypte heb Ik Mijn zoon (Israel) weggeroepen.
quote:
Job 1:6:
Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor J-H-W-H te stellen, dat de Satan ook in het midden van hen kwam.
quote:
I Kronieken 22:9-10
want zijn naam zal Sh’lomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader.
quote:
Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren. Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.
In dat licht kan ook Psalm 2:7 worden gezien.
quote:
Psalm 2:7:
J-H-W-H heeft tegen mij gezegd: jij bent Mijn zoon, heden heb Ik je gegenereerd.
Maar er is meer aan de hand met de zoon uit Psalm 2. Het laatste vers zegt in Christelijke Bijbelvertalingen:
"Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt, en jij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen."De combinatie waarmee
"Kus de Zoon" is vertaald – נשקו-בר (nasjqoe var) – heeft verschillende mogelijkheden, zoals
"bewapen jezelf [met] zuiverheid", of
”wens reinheid”, etc., maar betekent het eveneens
"Kus de Zoon"?
נשקו-בר (nasjqoe var) bestaat uit twee termen: het werkwoord נשקו (nasjqoe) en het zelfstandig naamwoord בר (var). Het werkwoord is de tweede persoon meervoud van נשק (nashaq), wat tientallen malen in de Tanach op verschillende manieren wordt toegepast. De meest voorkomende toepassing is "kussen", zie bijvoorbeeld Genesis 27:27:
quote:
Genesis 27:27:
En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zeide: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de HERE gezegend heeft.
Een andere toepassing is "zich bewapenen", zie Psalm 78:9
quote:
Psalm 78:9:
De mannen van Efraïm, bewapend met pijl en boog, trokken zich terug op de dag van de strijd.
Weer een andere toepassing is "aanraken" of "tegen iets opbotsen", zie bijvoorbeeld Ezechiel 3:13:
quote:
Ezechiel 3:13:
het geruis van de vleugels der wezens, die elkander raakten, en het geratel der raderen daarnevens; het geluid van een geweldig gedruis.
En weer een andere toepassing is "verenigen" of "wensen", zie bijvoorbeeld Psalm 85:11:
quote:
Psalm 85:11:
Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander,
gerechtigheid en vrede verenigen met elkaar,
Het woord "kussen" is dus correct toegepast.
Het zelfstandig naamwoord בר (var) betekent "puur(heid)", "zuiver(heid)" in het Hebreeuws. De Bijbel vertaalt het in Psalm 2 met "zoon", dat afkomstig is van het Aramese בר ("bar"). Er kleven echter nogal wat problemen aan die vertaling.
Ten eerste: Het boek van de Psalmen is volledig in het Hebreeuws. "Bar" (בר) heeft alleen in het Aramees een connectie met het woord "zoon" – niet in het Hebreeuws. En in het Boek van de Psalmen worden helemaal geen Aramese woorden gebruikt (!!), De betekenis van בר in het Hebreeuws is niet "zoon", maar "graan/koren" of "puur(heid)" of "rein(heid)"/"zuiver(heid)". Zie bijvoorbeeld de rest van het Boek van de Psalmen:
quote:
Psalm 72:16:
Is er een hand vol koren (בר) in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.
quote:
Psalm 73:1:
Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein (לברי) van harte zijn.
quote:
[bPsalm 65:14:[13][/b]
De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren (בר); zij juichen, ook zingen zij.
quote:
Psalm 19:9[8]:
De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver (ברה), verlichtende de ogen.
quote:
Psalm 24:4:
Die rein van handen, en zuiver (ובר) van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;…
Als gezegd: het Boek van de Psalmen is in het Hebreeuws; er komt verder niet één Aramees woord in voor, en in het Hebreeuws betekent בר geen “zoon”. Zie bijvoorbeeld ook de andere plaatsen waar het Hebreeuwse woord בר voorkomt:
quote:
Job 11:4:
Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver (ובר), en ik ben rein in uw ogen.
quote:
Joel 2:24:
En de dorsvloeren zullen vol koren (בר) zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.
quote:
Spreuken 14:4:
Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein (בר); maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.
quote:
Amos 8:5:
Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren (בר) mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrotende, en verkeerdelijk handelende [met] bedrieglijke weegschalen;
quote:
Amos 8:6:[/b]
Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en den nooddruftige om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren (בר) verkopen.
quote:
Genesis 42:3:
Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren (בר) uit Egypte te kopen.
quote:
Hooglied 6:9:
Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere (ברה) dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
quote:
Hooglied 6:10
Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver (ברה) als de zon, schrikkelijk als [slagorden] met banieren?
quote:
Amos 5:11:
Daarom, omdat gij de geringe vertrapt en hem geschenken in koren (בר) afperst, – ook al hebt gij huizen van gehouwen steen gebouwd, gij zult er niet in wonen; ook al hebt gij kostelijke wijngaarden geplant, gij zult er de wijn niet van drinken.
quote:
Genesis 41:35:
En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren (בר) opleggen, onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het.
quote:
Genesis 42:25:
En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren (בר) vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.
quote:
Genesis 41:49:
Alzo bracht Jozef zeer veel koren (בר) bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.
quote:
Genesis 45:23:
En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren (בר), en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.
quote:
Spreuken 11:26:
Wie koren (בר) inhoudt, dien vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.
quote:
Job 39:4:
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren (בבר); zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
quote:
Jeremia 23:28:
De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren (הבר) te doen? spreekt de HEERE.
De variant van het Hebreeuwse woord בר "bar", namelijk "bor", draagt de betekenis "zuiver(heid)" of "schoon(heid)". Zie:
quote:
[/b]2 Samuel 22:25[/b]
Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid (כברי), voor Zijn ogen.
quote:
Job 22:30:
[Ja], Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid (בבר) uwer handen.
quote:
Psalm 18:25[24]:
Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid (כבר) mijner handen, voor Zijn ogen.
quote:
Jesaja 1:25:
En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste (כבר) afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.
quote:
Job 9:30:
Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere (בבר) met zeep;
quote:
Psalm 18:21[20]:
De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid (כבר) mijner handen.
quote:
2 Samuel 22:21:
De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid (כבר) mijner handen.
Zoals je ziet: nergens betekent het Hebreeuwse woord בר "zoon". Het Hebreeuwse woord voor "zoon" is בן ("ben"). David gebruikte het in
dezélfde Psalm (!) :
quote:
Psalm 2:
Mijn zoon zijt gij (בני[/u] אתה)
Ten tweede: Het Aramese woord voor "zoon" is ברא - niet בר(!).
בר betekent "zoon van..." (bezittelijk). Dus, stel dat van alle woorden die in het Boek van de Psalmen staan, net dit ene woord בר ("bar") Aramees zou zijn, dan draagt het de betekenis
"zoon van..." – en niet
"zoon". Het Aramese woord voor "zoon", zoals het in
"kus de zoon" zou moeten staan is dus niet בר.
quote:
Daniel 3:25Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der (לבר) goden.
quote:
Ezra 5:2:
Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van (בר) Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont]; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.
quote:
Ezra 5:1:
Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van (בר) Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel [profeteerden] [zij] tot hen.
quote:
Daniel 7:13
[Verder] zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon (כבר) (een zoon van mensen), en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.
quote:
Daniel 5:22:
En gij, Belsazar, zijn zoon! (ברה) (zoon van hem) hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.
quote:
Spreuken 31:2:
Wat, o mijn zoon ( בר) (zoon van mij), en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
quote:
Ezra 6:14:
En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van (בר) Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzie.
Het Aramese בר wordt slechts bezittelijk gebruikt. Het Aramese woord voor “zoon” is ברא en niet בר, zoals wordt gesuggereerd in “kust den zoon”.
Ten derde: Het bepaalde lidwoord "ה" ontbreekt eveneens in נשקו-בר (nashqoe var).
Als van de ongeveer 20.000 Hebreeuwse woorden die in het Boek van de Psalmen staan, dit ene woord בר ("bar") Aramees zou zijn, en als dit woord de betekenis
"zoon" zou hebben – en niet
"zoon van...."; dan ontbreekt het alsnog het voorvoegsel dat nodig is om van נשקו-בר tot "kus de zoon" te komen.
Ik zie persoonlijk geen reden waarom Psalm 2 persé een "prooftext" m.b.t. een deel van de Drie-Eenheid zou zijn, al neem ik aan dat het Christendom er legitieme redenen voor heeft om er een verwijzing naar de Triniteit in te zien. Eén van onze belangrijkste Rabbijnen Rabbi David Kimchi (de RaDaK) heeft geschreven dat de contextuele applicatie van het woord weinig problemen heeft met het woord "zoon", dus dat zit wel snor (al is het de minst waarschijnlijke optie, gezien de onderliggende grammatica).
Dat is m.i. echter niet relevant in dit topic. Het gaat me meer om een poging te wagen tot het beter begrijpen van het onderliggende concept – niet zozeer om "bewijzen" van de Triniteit uit de Tanach.
quote:
Nunc:
- De Engel (boodschapper) des Heren (o.a. Exodus 3) lijkt uitwisselbaar met JHWH. Het ene moment spreekt de boodschapper, het volgende moment spreekt die boodschapper over zichzelf als God.
Klopt. God laat zich zien via zijn boodschappers (מלאך betekent letterlijk "boodschapper"/"engel"), of via Zijn glorie (כבות), of via Zijn Shechinah. Daarom hoeven de mensen, die Hem op deze manier zien, niet te sterven. Dat Jezus goed in dit rijtje past, is inderdaad waar.
Overigens, het "Woord (van God)" is bij mijn weten in de T'NaCh niet een deel van God. Het komt
uit God voort. Het is een verwijzing naar God's bevel -- een extensie van God's wil, die op een beeldende manier zelfstandig handelt en bestaat (dingen voor God regelt). Zie bijvoorbeeld Psalm 107:19-20, of Jesaja 55:10-11, of Psalm 147:15-18.
Voorbeelden die ik persoonlijk ken uit het Judaisme, waarbinnen ik ben opgevoed, van
gelijkschakeling van het
"Woord van God" met "God", zoals in het Christelijke Testament, zijn bijvoorbeeld de Aramese Targoemiem. Het begrip "Memra" (= het Woord van God) komt meer dan 10.000 keer in de Targoemiem voor. De reden is simpel. De Torah vertelt dat, toen God de Hemelen en de Aarde schiep, Hij
zei:
"laat er licht zijn" (Genesis 1:3), en er was licht. En God
zei:
"laat het water onder de hemel worden bijeengebracht naar 1 plaats, zodat er droge grond verschijnt"; etc...
Het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor
"en God zei..." is
'amar (אמר). Dat woord is afkomstig van dezelfde woordstam als het Aramese zelfstandige naamwoord
Memra (= Woord). En in de Targoemiem wordt het "Woord van God" (Memra) gehanteerd als de perfecte afspiegeling van de onzichtbare ongrijpbare God. God zelf heeft Hemelen en de Aarde immers via Zijn Woord geschapen -- kijk maar naar Psalm 33:6. Het Woord (Memra) krijgt een zelfstandige rol, en telkens als God zich aan de mens kenbaar maakt, gebruiken de Targoemiem het Aramese begrip "Memra."
Zo vertelt de Torah in Genesis 1:27 dat God de mens creeerde. Om aan te geven dat God geen handen heeft waarmee Hij dingen maakt, zoals mensen die hebben, zegt het Targoem: "het Woord van God (Memra) maakte de mens." In Genesis 31:49 vertelt de Torah dat God kijkt. Om duidelijk te maken dat God geen ogen heeft, zoals mensen die hebben, zeggen de Targoemiem dat het Woord (Memra) kijkt. In Exodus 25:22 staat dat God sprak. Om te laten zien dat God niet echt een mond heeft, zoals mensen die hebben, zeggen de Targoemiem dat het Woord (Memra) spreekt. In Numeri 11:23 staat: "is de arm van God verkort?" Om aan te geven dat God niet werkelijk armen heeft, zoals mensen die hebben, zeggen de Targoemiem:
"is het Woord van God (memra) verkort/gevangen?" Zo zijn er letterlijk nog meer dan 10.000 voorbeelden te geven uit de Targemiem. De gelijkschakeling uit de Targoemiem van "God" met
"het Woord van God" is zuiver functioneel.
De Targoemiem waren voornamelijk Midrash (= toepassing van teksten om concepten te poneren) voor het gewone volk (dit in tegenstelling tot de Talmoed). De Targoemiem zijn zeer bekende Agadot -- en dat waren ze ook al ten tijde van Jezus.
Johannes, een Jood uit HaGaliel, moet hier zondermeer van op de hoogte zijn geweest. Hij past het begrip "Memra" (of, in het Grieks: "Logos") ook toe. Echter, zijn intentie is tegengesteld. Waar de Targoemiem het begrip "Memra" (Woord) hanteren als een conceptueel middel om anthromorfisme te voorkomen, daar gebruikt Johannnes hetzelfde begrip "Logos" (Woord) om Hem als vleesgeworden God te duiden.
De Targoemiem vertrekken vanaf een gepersonificeerde God, via het concept "Woord", richting anti-anthromorfisme. Johannes loopt de tegengestelde richting uit: hij gaat vanaf een onbekende, ongrijpbare God, via het concept "Woord", richting God geboren als mens.
(Een ander belangrijk onderscheid is overigens, dat in de Targoemiem het concept "Memra" (Woord) los van het concept Mashiach (Messias) wordt gehanteerd. Beiden, het Memra en de Masjiach, zijn NIET synoniem in de Targoemiem).
Toen Sh'lomo zei:
"ik heb een geweldige Tempel gebouwd voor U (God), een plaats voor U (God) om voor alijd te verblijven" (2 Kronieken 6:1-2), wist Sh'lomo zonder twijfel dat God meer was dan zijn Aanwezigheid in de Tempel -- lees 2 Kronieken 6:18 maar. En dezelfde God, Die niet kan worden bevat door de Hoogste Hemelen, belooft in Exodus 25:8 aan Mozes dat Hij tussen hen in zal wonen in het Tabarnakel.
In de Tanach woont God via Zijn Shechinah (Zijn aanwezigheid) in de Tempel. Hij laat Zich zien VIA zijn glorie (bijvoorbeeld Exodus 16:6-7,10, of Exodus 24:15-17). Hoewel het bekend is dat niemand God kan zien en leven, openbaart de onkenbare God Zich vele malen VIA een malach (boodschapper, middelaar) aan mensen (bijvoorbeeld Richteren 6:19-23 of Genesis 32:24-30 in verband met Hosea 12:4, of Richteren 13:19-23). Omdat het telkens de glorie, of de Shechinah, of de boodschapper is, VIA wie God zelf Zijn aanwezigheid laat zien, hoeft niemand te sterven bij het zien. Dat God zelf handelt VIA Zijn boodschappers/Engelen komt inderdaad vaak voor.
Helemaal interessant wordt het in het Boek Job. Job zegt
"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen." (Job 1:21) Ondanks dat het HaSatan (letterlijk: "de tegenstander") was, een malach, die handelde.
Vervolgens zegt Job tegen zijn vrouw:
"hebben wij het goede van God (me’at Ha'Elohiem) ontvangen, en zouden wij het kwade ook niet aannemen?" (Job 2:10). Weer weten we dat Satan degene was die handelde, maar God wordt als de gever geïdentificeerd. In Job 19:21 wordt dit duidelijk door Job verwoord:
"want Gods hand heeft mij aangetast." Via HaSatan.
Daarna komen Job's vrienden hem troosten vanwege
"al het kwaad, dat J-H-W-H hem had gebracht (“kol HaRa’ah asher hevie J-H-W-H alajw”)" (Job 42:11). Nogmaals wordt God als bron geidentificeerd achter de acties die Satan uitvoerde.
De parallel-Boeken Kronieken en de Boeken van Samuel beschrijven dezelfde gebeurtenissen, waar II Samuel 24:1 weergeeft:
"En de toorn des Heren ontstak wederom tegen Israכl, en hij spoorde David aan tegen hen, zeggende: Ga heen, tel Israכl en Jehoedah." Dit om David een volkstelling te laten houden. Het parallel-Boek in I kronieken 21:1 vertelt dat
"Satan opstond tegen Israכl, en David aanspoorde om Israכl te tellen." Het betreft dezelfde volkstelling als uit II Samuel 24:1, met één verschil: in de ene passage provoceert
Gףd David om een volkstelling te houden; uit de andere passage blijkt
HaSatan degene via wie God handelt.
Echter, wordt de Moshiach nergens in de p'shat (simpele, letterlijke betekenis) van de T'NaCh gelijkgesteld aan God. Zoiets kan binnen het Jodendom alleen in de drash (tekstapplicatie om een concept te lanceren) van de Midrash, de Targoemiem en de Talmoed. Evenmin is het woord van God in de Tanach (en binnen het Judaisme) een deel van God. Zijn Woord is een verwijzing naar God's bevel, een extensie van God's wil.
In de drash van de Midrash, de Targoemiem en de Talmoed is de gelijkschakeling van God met Zijn Woord geen probleem (maar de intentie van drash is niet de weergave van de letterlijke betekenis).
De verschillen en de overeenkomsten met betrekking tot het Judaisme staan echter hier niet ter discussie. En hoewel ik, als buitenstaander, het concept Triniteit interessant vindt, blijft mijn vraag onopgelost (ik ga er overigens vanuit dat dit komt door mijn eigen tekortschieten). Indien Jezus inderdaad een deel van God is, hoe konden Zijn discipelen dan blijven leven? (Bijv.: Exodus 33:20: "Geen mens zal Mij [= J-H-W-H] zien en leven"). Indien Hij niet God zelf was, maar een (eventueel perfecte)
beeltenis VIA Wie God Zich toonde (zoals VIA Zijn Malach, Zijn Shechinah, Zijn glorie), dan snap ik de Drie-Eenheid
nog niet, aangezien Jezus binnen de Drie-Eenheid de funtie van (een deel van) God speelt.
M.a.w.: Is, volgens het Christendom, Jezus (een deel van) God, of is Jezus een
beeltenis van de ene onzichtbare, ongrijpbare God?
Ik hoop dat mijn vraag enigszins duidelijk is gesteld.
quote:
Nunc:
(…) dat is even de Triniteit-kort-door-de-bocht. Hoop dat je er wat aan hebt?
Zeker heb ik wat aan deze informtie. Alvast m’n dank! Ik ben alweer een stap verder richting het wat-beter-begrijpen van de Triniteit.
(Ik hoop er volgende week weer te zijn)
Moshe