Ter introductie voor gereformeerde vrienden en andere niet-katholieke geïnteresseerden: dit stuk schreef ik recent in het kader van mijn opleiding. Dat betekent dat het vooral een verwerking van een hoofdstuk uit een studieboek is. Het mist daarmee voor niet-katholieken vermoedelijk broodnodige onderbouwingen, maar ik plaats het niet primair om een standpunt mee te verdedigen.
Het doel dat ik nastreef met dit topic is vooral verduidelijking geven, iets laten zien van een paar "katholieke zienswijzen", niet die van de Kerk, maar die van mezelf, waarbij ik wel streef naar overeenstemming met de Kerk.
Het is kortom bedoeld voor wie het boeit, en ik zal met alle plezier onduidelijkheden trachten weg te nemen, vragen beantwoorden, of nav hiervan in gesprek gaan. Wat ik niet ga doen, is doen alsof ik hier een standpunt inneem ter verdediging, want dat is niet zo.
Is onze hoop alleen in het geloof?
Inleiding
De Bijbel is wat dubbelzinnig over de vraag of mensen verlost worden door geloof of door werken. Enerzijds stelt Paulus heel scherp dat geen werk zin heeft, alleen geloof. Aan de andere kant leert het Evangelie zelf dat niet wie “Heer, Heer” roept, maar wie de wil van de Vader doet, door Christus gekend zal worden. Hoe zit dat?
In het navolgende wil ik een antwoord geven op deze vraag, uitgaande van deel V, “Het leven van de toekomstige wereld” uit “De geloofsbelijdenis van de Kerk” (hierna: GvdK), van de Nederlandse Bisschoppenconferentie. Waar nodig maak ik gebruik van citaten uit de Bijbel. Hierbij gebruik ik de Willibrord 1995.
De tekst is als volgt opgebouwd:
Inleiding
Scherp stellen van de vraag
Dood
Oordeel
Het eeuwig leven in hemel, vagevuur en hel
Antwoord op de vraag
Scherp stellen van de vraag
Paulus schrijft aan de christenen van Rome (3;21-31)
Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden, waarvan de Wet en de Profeten getuigenis afleggen: Gods gerechtigheid, die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid. Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. Allen worden gratis door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. Voor wie gelooft heeft God Hem aangewezen als middel van verzoening door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, door in zijn verdraagzaamheid de zonden van het verleden te laten passeren. Hij heeft zijn gerechtigheid nu willen tonen, in onze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die leeft vanuit het geloof in Jezus.
Waar blijft dan de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door welke wet? Door die van de werken? Nee, door de wet van het geloof. Ik beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden. Is God soms alleen de God van de Joden en niet van de heidenen? Nee, óók van de heidenen, want er is slechts één God, die besnedenen en onbesnedenen op grond van het geloof zal rechtvaardigen. Bedien ik mij nu van het geloof om de wet buiten werking te stellen? Integendeel, ik laat de wet juist tot haar recht komen.
Paulus schijnt hier te zeggen wat Johannes ook al zei: “Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien. Integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.” (Joh 3;36). Kortom, het Sola Fide: verlossing uitsluitend door geloof.
Jezus zelf zegt, volgens Matteus (7;21-23), echter op het oog iets heel anders:
Niet ieder die Heer! Heer! tegen Mij zegt, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar alleen hij die de wil doet van mijn Vader in de hemel. Velen zullen Mij op die dag zeggen: “Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?” Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen: “Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!”
Jezus is heel duidelijk: Hem Heer noemen, beweren dat je in Zijn naam allerlei machtige dingen doet, kortom de in de Bijbel genoemde tekenen van geloof, baten tot niets als je niet de wil van de Vader doet. Sterker, Jezus geeft aan de overtreders van Gods wet door Hem niet gekend worden.
Paulus lijkt ieder handelen, ieder werk, af te wijzen, terwijl Jezus het houden van Gods wet, handelen naar die wet, juist ondubbelzinnig eist.
De te beantwoorden vraag is dus: wat moeten we doen om zalig te worden, geloven, werken, of beide? En secundair: hoe is de tegenspraak tussen Paulus en Jezus te verstaan?
Dood
In GvdK wordt ingegaan op de menselijke hoop, een hoop die haar grondslag vindt in Jezus Christus, die de eersteling is die van de doden is opgewekt. Grondslag en blijvende maatstaf voor onze hoop is dus de verrijzenis van Jezus Christus (GvdK). Hoop heeft alles te maken met verwachting, veel minder met een zeker weten. Toch spreekt GvdK over een zekerheid van de christelijke hoop. Blijkbaar kunnen we zekerheid hebben over iets dat in essentie onzeker is: onze hoop.
De dood is niet alleen het einde van ons aardse leven, het is ook de factor die kostbaarheid geeft aan onze tijd van leven. Wat begrensd is heeft waarde, waar we onbeperkt over kunnen beschikken heeft geen waarde voor ons. Zonder de dood zou het leven één grote verveling zijn (GvdK). Maar aan de andere kant, nu die tijd ons zo waardevol is, zouden we er wel graag onbeperkt over beschikken. De verrijzenis van Christus geeft ons hoop daarop. Maar naar christelijk verstaan neemt dat niet weg dat met de dood definitief de mogelijkheid voorbij is om het aardse leven vorm te geven en met de genade van God het heil te bewerken. Daarom moeten wij werkzaam blijven, zolang we de tijd daarvoor hebben. (GvdK)
De dood is in zichzelf geen kwaad. GvdK wijst er met nadruk op dat de dood niet afwezig was in het paradijs. …Dat wil uiteraard niet zeggen dat de mens in het aards paradijs gewoonweg eindeloos zou hebben doorgeleefd, als hij niet gezondigd zou hebben… Maar voor de Bijbel gaat het niet om de biologische of medische dood, maar om de concrete doodservaring van de mens als persoon: de dood als donkere en zinloze afbreuk en inbreuk, de pijnlijke en beangstigende dood waartegen zich de levenswil van de mens weert, ja zelfs in opstand komt. Deze dood heeft God niet gewild; deze dood is openbaring van zonde, teken van vervreemding van God, de bron en volheid van leven.
Christus’ overwinning op de dood is dan ook niet het einde van de dood. De vraag waarom mensen nog steeds sterven, ondanks Christus’ zoenoffer aan het kruis, misverstaat de dood die door Adam in de wereld is gekomen en misverstaat daardoor dus ook de werkelijke betekenis van Christus overwinning op de dood. In navolging van Jezus kan de dood veeleer als uitdrukking van de wil van de Vader verstaan en geaccepteerd worden. Daardoor heeft de dood zijn angel verloren. Daarom is iemand die gelooft, nu al overgegaan van de dood naar het leven … Waar de dood zo in geloof wordt geaccepteerd en als een overgang naar het eeuwige leven wordt opgevat, daar kan men met Franciscus van Assisi zelfs spreken over de “broeder dood” en zich met hem verzoenen. Men kan zelfs ter wille van het geloof en van de broeders en zusters bewust het offer van het leven op zich nemen in het martelaarschap. (GvdK)
Oordeel
De overwinning van Jezus Christus op de dood is dus niet het einde van de biologische dood. De biologische dood anderzijds is dus niet een straf voor de mens, geen gevolg van de zonde. Het is wel een overwinning op een spirituele dood, op een afgescheidenheid van God. Maar dat betekent niet dat daarmee God niet langer zou oordelen over de mens. In tegendeel: de ontmoeting met God, die plaats vindt in de dood, betekent voor de mens tevens het oordeel over zijn leven. “Want allen moeten wij voor Christus’ rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad” (2 Kor 5;10) … Voor de mens wordt dan definitief duidelijk of hij zijn leven heeft gewonnen of vergooid. Daarvan hangt het af of hij opgenomen wordt in het leven bij God of in de duisternis van de afwezigheid Gods. (GvdK)
Verwijzingen naar dit oordeel zijn op verschillende plaatsen in de Schrift te vinden. Zo verwijst Johannes (5,28-29) naar de relatie tussen “het goede doen” en “uit het graf opstaan ten leven”:
Wees daar niet verwonderd over: er komt een uur waarop allen die in het graf liggen zijn stem zullen horen en eruit zullen komen; wie goed hebben gedaan zullen opstaan om te leven, wie kwaad hebben gedaan zullen opstaan om veroordeeld te worden.
Van belang hierin is wel vast te stellen dat feitelijk sprake is van twee oordelen: het onmiddelijke oordeel in de dood, en het oordeel op de Laatste Dag, waarin de wereld geheel geoordeeld wordt. Voor de kwestie van “geloof of werken” is dit minder van belang, dus ik laat dit verder buiten beschouwing. Wat wel duidelijk is, is dat zowel de Schrift als de oudste traditie van de Kerk uit gaat van een oordeel van allen, waarbij zij die leven uit geloof in Jezus Christus terecht rekenen op een genadeoordeel.
Het eeuwig leven in hemel, vagevuur en hel
Het oordeel is niet zonder gevolg. Het eeuwige leven dat na de dood volgt, is een eeuwig leven in de gevolgen van het oordeel. In ons geloof kent eventueel nog een soort tussenstap in de vorm van het vagevuur, maar uiteindelijk volgt ook daarop een eeuwigheid. Toch zijn de beide eeuwigheden, hemel en hel, niet uiting van een soort binaire eeuwigheid: of je zit goed, of je bent de pineut. De hemel zelf draagt als het ware de sporen van onze werken in zich: Omdat de hemel de vervulling en bekroning van het leven is, wordt ook de volbrachte en doorleden vrucht van ons aardse leven opgenomen in de verheerlijking van het eeuwig leven. De vreugde van de hemel is daarom ook de vreugde over het loon dat wij mochten ontvangen (vgl. Mt. 5,12). Zo bekroont God bij de bekroning van onze verdiensten het werk van zijn eigen genade. Ieder zal het hem toekomende loon ontvangen (vgl. Mt 16,27; 1 Kor 3,8) (GvdK)
Over de hel zijn noch de Bijbel, noch de Kerk al te helder. Natuurlijk, er is een hel, en die is niet aangenaam. Een bestaan in volstrekte afscheiding van God wordt met heftige beelden beschreven, en daar zal zeker een vermanende werking van uit gaan, maar of iemand, en zo ja wie en waarom precies, naar de hel gaat, dat leren Schrift en Kerk niet. Zijn er werken, of is er een (on)geloof, op grond waarvan iemand naar de hel gaat? Noch de Schrift, noch de Kerk zijn hierover in absolute zin mededeelzaam.
Wel weer duidelijk, is de Kerk waar ze spreekt over het vagevuur. Begrijpen wat het vagevuur is, geeft begrip voor het oordeel en haar gronden en gevolgen in het algemeen. …Dat betekent voor een mens die weliswaar fundamenteel voor God gekozen heeft, maar deze keuze niet consequent heeft beleefd en dus niet aan het ideaal heeft voldaan – en bij wie zou dat niet het geval zijn! -, een louterende en omvormende kracht.
Juist daar waar niet de uitersten benoemd worden, maar waar de menselijke realiteit, die van de gelovige die faalt in zijn handelen, aan de orde is, wordt duidelijk hoe de vraag van het begin te beantwoorden is.
Het antwoord op de vraag
De te beantwoorden vraag is: wat moeten we doen om zalig te worden, geloven, werken, of beide? En secundair: hoe is de tegenspraak tussen Paulus en Jezus te verstaan?
Het antwoord kan gevonden worden in ons geloof over het oordeel van “gewone gelovigen”, maar ook door te beseffen dat er geen tegenspraak kan zijn tussen Paulus en Jezus. De Bijbel is steeds ofwel helder over een oordeel over onze daden, ofwel niet geheel duidelijk als gesproken wordt over “geloof alleen”. Zo schrijft Paulus niet simpelweg: door geloof, en uitsluitend door geloof, is men ontslagen van enig oordeel. Hij schrijft heel wat meer, en in de nuance die dat aanbrengt zit ook een antwoord.
Terugredenerend van de resultaten van het oordeel, zijn de gronden voor het oordeel te reconstrueren:
1. Naar de hemel gaat hij die in staat van genade sterft. Dat helpt niet, want we weten nog niet hoe in staat van genade te sterven.
2. Naar de hel gaat hij die definitief tegen God kiest. Is dat “ongeloof”? Nee, want we weten niet waarom iemand precies naar de hel gaat, we weten alleen dat er omstandigheden denkbaar zijn waaronder iemand naar de hel gaat. Nog steeds geen antwoord dus
3. Naar het vagevuur gaat iemand die:
a. Vóór God gekozen heeft
b. niet consequent uit het geloof geleefd heeft.
Kortom, Paulus zegt niets anders dan Jezus:
Hij heeft zijn gerechtigheid nu willen tonen, in onze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die leeft vanuit het geloof in Jezus.
En ook de evangelist zegt dit:
Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien. Integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.
En zo wordt duidelijk wat Jakobus al letterlijk schreef:
Broeders en zusters, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten, en iemand van u zou hun zeggen: ‘Ga in vrede, houd u warm en eet maar goed’, zonder hun te geven wat ze nodig hebben, wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, als het zich niet uit in daden, dood.
Maar iemand zal zeggen: ‘U hebt het geloof, maar ik heb de daad.’ Bewijs me eens dat u geloof hebt, als u geen daden kunt tonen; dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen. U gelooft dat er slechts één God is? Uitstekend! Ook de demonen geloven dat, en sidderen! Dwaas, wilt u het bewijs dat het geloof zonder daden waardeloos is? Is onze vader Abraham niet gerechtvaardigd vanwege zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak op het altaar ten offer bracht? Het is duidelijk dat zijn geloof zich in daden uitte en pas door zijn daden volkomen werd. Zo ging het woord van de Schrift in vervulling, dat luidt: Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend; en hij werd Gods vriend genoemd. Het is duidelijk dat een mens door daden wordt gerechtvaardigd en niet alleen door geloof. (Jak 2;14-24)
Anders dan wel eens wordt beweerd zegt Jakobus hier overduidelijk niet dat daden een uiting zijn van geloof, of dat geloof wordt afgemeten aan daden, maar dat het daden zijn, niet alleen geloof, waarop de mens wordt geoordeeld. Geloof sluit niet uit van dat oordeel, maar geloof is wel een belangrijke basis voor het oordeel. Maar niet het enige. Jezus vraagt niet alleen om geloof, Hij vraagt, zoals Paulus zegt, ook niet om werken van de wet, maar Hij vraagt wel degelijk om daden, om meewerken aan de genade van het geloof.
De Bijbel is hierover eenduidig, en het is dus volstrekt de Bijbel nasprekend, als de Kerk leert
Iedereen moet steeds deze genade van licht en kracht vragen, tot de sacramenten naderen, meewerken met de heilige Geest, zijn oproepen volgen om het goede te beminnen en zich te hoeden voor het kwaad. (KKK 1811)