quote:
misschien wordt het wat off topic, maar toch. Ik ben bezig te lezen in het oude testament.
Als je de vijf boeken van mozes door leest kom je soms (voor mij) opmerkelijke zaken tegen.
Bijvoorbeeld over leeftijd en verantwoordelijkheid.
Ik zet hier even een aantal teksten neer. Ik zou zeggen lees ze eens door en interpreteer eens leeftijd versus verantwoordelijkheid en Gods uitgangspunt daarin.
Is Zijn uitgangspunt daarin te beschouwen als norm voor elke situatie in het geloofsleven?
Is dit louter een administratieve zaak?
Waarom losgeld betalen boven een bepaalde leeftijd?
Wat leert ons dit of leren we hier niets van?
Wat betekent dit voor evangelisatie en de probleemstelling zoals de topicstarter hier neerlegde?
Werpt dit nog verdere vragen op?
Hier volgen de teksten:
Exodus 30
11 De HEER zei tegen Mozes: 12 ‘Als je onder de Israëlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden de HEER losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt. 13 Ieder die meegeteld wordt moet een halve sjekel betalen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel; de heffing voor de HEER bedraagt de helft daarvan. 14
Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de HEER betalen.
15 Rijken dragen als losprijs voor hun leven niet meer af dan een halve sjekel, armen niet minder. 16 Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent.
De losprijs die de Israëlieten voor hun leven betalen, zal ervoor zorgen dat de HEER hen niet vergeet.’ Numeri 1
3 ‘Houd onder heel Israël
een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen hoofdelijk en schrijf hen met naam en toenaam in, geordend naar geslacht en familie en ingedeeld naar de legerafdelingen waartoe ze behoren. Doe dit samen met Aäron.
Alle mannen van twintig jaar en ouder werden met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie, 19 zoals de HEER het Mozes had opgedragen.
Numeri 14
26 De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 27 ‘Hoe lang blijft dit verdorven volk zich nog tegenover mij beklagen? Ik heb hun voortdurende geklaag lang genoeg aangehoord. 28 Zeg hun dit: “Zo waar ik leef – spreekt de HEER –, ik zal zeker met jullie doen wat ik je heb horen zeggen. 29 Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn,
allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben. 30 Jullie zullen het land waarvan ik gezworen heb dat je er zou wonen, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31 Jullie kinderen, die volgens jullie zouden worden buitgemaakt, zal ik er wel brengen. Zij zullen het land dat jullie versmaad hebben, leren kennen.
Deut 1
34 Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak hij in woede. Hij zwoer: 35 ‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. 36 Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal ik het gebied geven dat hij verkend heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ 37 Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in,’ zei hij. 38 ‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. 39 En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden,
jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. 40 Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’