Auteur Topic: JHWH's echtgenotes  (gelezen 1675 keer)

slumber

  • Berichten: 52
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Gepost op: september 17, 2007, 01:17:47 pm »
Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen (Gen37: 9t/m11). Een leeuwenwelp is Juda (Eze22: 25/ Sef3: 3 / 1Pet5:8/ 2Tim4:17); na de roof zijt gij omhoog geklommen (Op18:2), mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin,; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten totdat Koning Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. (Gen49: 8t/m10)
Zo heeft de Here aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. En de Here gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals hij hun vaderen gezworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden; al hun vijanden gaf de Here in hun macht. Niet een van de goede beloften, die de Here aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen. (Joz21: 43t/m45)
De verwarring over de identiteit van ‘het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde’ (Op17: 5) komt veelal voor uit een gebrekkige kennis en misschien ook wel begrip van het oude testament. Het oude testament is namelijk behoorlijk consequent wie de hoer is, namelijk ‘Oholiba’ oftewel Jeruzalem, de overspelige echtgenote van God. (Eze23:5)

Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond dat zij verbroken hebben, hoewel ik Heer over hen ben, luidt het woord des Heren. (Jer 31: 31+32)

Het woord des Heren kwam tot mij; Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van één moeder. Zij pleegden ontucht in Egypte; in haar jeugd pleegden zij ontucht; daar werd haar boezem betast en streelde men haar maagdelijke borsten. De naam van de oudste was Ohola en die van haar zuster Oholiba. Zij werden de mijne en baarden zonen en dochters. Wat haar namen betreft, Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem. En Ohola pleegde overspel terwijl zij mijn vrouw was; zij hunkerde naar haar minnaars, naar Assur: hovelingen, bekleed met blauw purper, landvoogden en stadhouders, hoofd voor hoofd begeerlijke jonge mannen, ruiters te paard. En zij bedreef haar ontucht met hen allen, de keur van Assurs zonen; met allen, naar wie zij hunkerde, met al hun afgoden, verontreinigde zij zich.(Eze23: 1t/m7)

In Eze23:1t/m4 en Jer 31: 31+32 verteld God van zijn huwelijk met Ohola/ Samaria / huis van Israël (het noordelijke koninkrijk) en van zijn huwelijk met Oholiba/ huis van Juda/ Jeruzalem (het zuidelijke koninkrijk). Het blijkt uit deze teksten duidelijk dat God zichzelf als getrouwd met twee echtgenotes beschouwde.

Ezechiel 23: 5t/m7 lezen we over de hoererij van het huis van Israël (Samaria, hoofdstad van het noordelijk koninkrijk) en verderop lezen we over de hoererij van het huis van Juda (Jeruzalem, hoofdstad van het zuidelijke rijk) die de hoererij van haar zuster overtreft.

De eerste (oudere) echtgenote- Ohola

Hierboven werd geconcludeerd dat Ohola, (het huis van Israël) een hoer was (”een ontuchtige vrouw”) en één van haar minnaars waren de Assyriers en hun afgoden.

De wet geeft twee manieren om een hoer te bestraffen. We leren uit het oude testament dat God zowel zichzelf als Israël bond aan een huwelijk, volgens de wet gegeven op de berg Sinai.

Deut24: 1t/m4 stelt dat een man, als hij haar geen genegenheid toedraagt, omdat hij iets onbehoorlijks aan haar gevonden heeft haar een scheidbrief moet schrijven, haar die moet overhandigen, waarna hij haar uit zijn huis moet wegzenden.

Hierdoor kon God Israël (het noordelijke koninkrijk) scheiden, en haar uit zijn huis zetten (verstrooien). - Eze23:9+10

Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde. (Jer3:8)

Jeremia, hosea en andere profeten vertellen ons hoe God zijn overspelige echtgenote Ohola (huis van Israël) bestrafte omdat zij door Hem geen genegenheid toegedragen werd om haar ontucht. God schreef haar een scheidbrief en gaf die in haar handen middels de profeet Hosea, waarna Hij haar wegstuurde. Hiermee eindigde hun huwelijk. Ohola (huis van Israël) die ooit deel had aan het gezin werd weggezonden, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vervreemd van de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld, (Ef2:11t/m13).

Jeremia verteld ons dat voor de hoererijen gepleegd door Ohola, zij (noordelijke rijk) van God de scheidbrief kreeg, en weggezonden werd. Hij zei: “Ik heb haar verstoten en haar de scheidbrief gegeven (Jer 3:8).”, daarmee aanduidend dat deze dingen plaatsvonden voor Jeremia ten tonele verscheen en impliceert daarmee dat de scheidbrief dus gegeven moet zijn door een andere profeet.

Dit levert ons twee vragen op; nl:

Als God Ohola de scheidbrief gegeven heeft, waar vind ik die dan in de bijbel?

Als ik hem vind, kan ik dan vinden waar God haar heen gestuurd heeft?

Zorgvuldige studie onthuld dat de profeet Hosea de scheidbrief die God aan Ohola (het noordelijke rijk) gaf. Een deel van de scheidbrief heb ik hieronder uitgetikt.

Het woord des Heren, dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam, in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, Koning van Israel.

Het begin van het spreken des Heren door Hosea. De Here zeide tot Hosea. De Here zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de Here af.

Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaim, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. De Here zeide tot hem: noem hem Jizreël, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal in het dal van Jizreël. Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: noem haar Lo Ruchama, want Ik zal mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat ik hun iets vergeven zou. Doch over het huis van Juda zal ik mij ontfermen, en hen verlossen als de Here, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. (Hos1: 1T/m8)

Uit bovenstaand gedeelte leren we dat God zijn eigen scheiding illustreerde door Hosea de opdracht te geven: “Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw (hoer)”. Hosea’s hoer/ echtgenote en de kinderen die zij hem baarde moesten de scheiding uitbeelden tussen God en Ohola, het noordelijke rijk.

Het eerste kind, een zoon moest “Jizreël” genoemd worden. Jizreël is een Hebreeuwse landbouwers-term die duidt op het proces van zaaien tot de oogst. De zoon die door God Jizreël werd genoemd duidt dus op een uitzaaiing en een uiteindelijke oogst. Door Hosea spreekt God:

Ik zal een einde maken aan het koninkrijk van het huis van Israël (Hos1: 4). Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israels (Ohola) boog verbreken zal in het dal van Jizreël (1: 5). Ik zal mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen (1: 6). Dan zal ik haar voor Mij zaaien in het land (Hos2: 22/ vgl-1Kor15: 35t/m38). Want vele dagen zullen de Israelieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder geweide steen, zonder efod en zonder terafim (otw zonder haar identiteit) (Hos3: 4). Mijn volk gaat ten onder door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten (4: 6). Israël is verslonden. Nu zijn zij onder de volken geworden als een voorwerp waar niemand behagen in schept, omdat zij naar Assur getogen zijn (8: 8+9). Zij zullen in het land des Heren niet blijven, maar Efraim (huis van Israël) zal naar Egypte terug keren, en in Assur zullen zij het onreine eten (9: 3). Efraim is geslagen, hun wortel is verdord; vrucht zullen zij niet zetten. Wanneer zij nog kinderen zouden voortbrengen, zal Ik de lievelingen van hun schoot doden.- Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet geluisterd hebben; en zij zullen dolende zijn onder de volken (9: 16+17). Verdelgd wordt Samaria (huis van Israël); zijn koning wordt als een spaander op het watervlak. En verwoest worden de hoogten van Awen, Israëls zonde. Doornen en distelen zullen haar altaren overwoekeren. En zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons (10:7+8)! In de morgenstond wordt de koning van Israël voorgoed verdelgd (10:15).

Maar deze aanzegging van oordeel kwam niet zonder de belofte van de komende oogst:

Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk worden als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: gij zijt mijn volk niet- zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God (Hos1:10/ 1Pet1+2/ 2:9+10). Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeenscharen, één hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn (de oogst in Christus) (Hos1: 10+11). Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Here kennen. (2:18+19) Dan zal Ik haar voor mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ruchama en tot Lo- Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God! (2:22) Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil- in de dagen der toekomst. (3:5) Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraim, u overleveren, Israel? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed. Zij zullen achter de Here aan gaan, als een leeuw zal Hij brullen. Wanneer Hij brult, dan zullen zonen uit het westen bevend komen. Zij zullen bevend komen als een vogel uit Egypte, als een duif uit het land Assur, en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, luidt het woord des Heren (11:8t/m11). En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal vele gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken (12:11). Efraim, wat heb Ik nog met de afgoden te doen?- Ik verhoor hem en zie hem aan.- Ik ben als een altijd groene cypres, aan Mij is uw vrucht (Mat 21:43) te danken. (Hos14:9)

Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er (14: 10).

Hosea verteld ons dat Gomer een tweede kind baarde. Het tweede kind was een meisje en God wilde dat zij Lo-Ruchama zou heten (Hos1:6). In het Hebreeuws betekent ‘Lo’; niet en ‘Ruchama’ betekent genade. God verklaart hiermee dat Hij geen genade voor Ohola zal hebben (tot aan de oogst). Hij zou ze verstrooien onder de naties.

Nadat het tweede kind gespeend was, werd Gomer weer zwanger en baarde een derde kind voor Hosea. Dit kind was een zoon, en deze keer noemde God hem Lo-Ammi. In het Hebreeuws betekent ‘Lo’ niet en ‘Ammi’ betekent mijn volk. ‘Niet mijn volk’ dus, het derde kind in deze familie duidt er op dat het volk en de afstammelingen van Ohola (huis van Israël) niet langer gekend zouden worden als Israëlieten, en dat JHWH hun God niet meer zou zijn (Hos1:9).

Tot de dag der scheiding was Ohola (het noordelijke rijk Samaria/Efraim) gekend als Gods volk (Israëlieten). Na de scheiding en verstrooiing waren zij Gods volk niet meer (geen Israëlieten dus).

Het is niet meer dan logisch om te constateren dat, als het volk van Ohola geen Israëlieten meer waren, zij volgens de Hebreeuwse logica ‘goyim’ otw heidenen waren geworden. Vanaf de dag der scheiding en wegzending door God word het noordelijke koninkrijk/ ooit huis van Israël ‘de heidenen’ genoemd. (Mat12:21/ Hand13:47/ 24: 15/ 26: 6+7/ 15:7+14t/m18/ 26: 19t/m23/ 28:28/ 2Tim4:17-zie ook: Kol1:6+23/ Rom10:18/ 16:25t/m27)

Ondanks dat er in deze teksten nog veel meer ’schatten’ aan informatie te vinden zijn, staat het als een paal boven water dat God het huis van Israël verstoten heeft, en haar onder de volken zond (Hos8:8). De afstammelingen van het huis van Israël verloren hun identiteit als ‘Gods volk’ tot de tijd van de oogst; wanneer zij weer gekend zouden worden als Gods volk, en ‘kinderen van de levende God’ (Hos1: 10/ Rom8: 14+19/ 9: 25+26/ Fil2: 15/ 1Joh3: 1+2/ 1Pet2: 9+10) en één volk zouden zijn (Hos1: 11/ Eze37: 21+22/ Gal3: 26t/m29). Hij zou hen verzamelen onder één koning (Hos1: 11/ Eze37: 22/ Mat2: 2/ Mat27: 42/ Marc15: 32/ Joh12: 13/ 1Tim6: 15/ Op15: 3/ Op17: 14+15/ Op19: 16) en hun een nieuwe naam geven (Jes62: 2/ Hand11: 26/ Op2: 17/ Op3: 12).

Hosea en Jeremia verschaffen ons duidelijke informatie over de scheiding en verstoting van Ohola (huis van Israël), maar hoe zit het met het andere huis, het huis van Juda (Oholiba/Jeruzalem)?

De tweede echtgenote- Oholiba

Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen (Gen37: 9t/m11). Een leeuwewelp is Juda (Eze22: 25/1Pet5:8/ 2Tim4:17); na de roof zijt gij omhoog geklommen (Op18:2), mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin,; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten TOTDAT KONING SILO KOMT, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. (Gen49: 8t/m10)

De profeten Hosea en Jeremia maken duidelijk dat Juda (Oholiba/Jerusalem) ook een hoer is:

Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout. En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des HEREN. (Jer3: 8t/m10)

En de profeet maakt duidelijk dat God met Juda (Oholiba/Jeruzalem) nog niet klaar is:

Zo zegt de HERE: Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel, dat Ik aan mijn volk, aan Israël, ten erfdeel gegeven heb: zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en het huis van Juda ruk Ik weg uit hun midden. Maar nadat Ik hen heb weggerukt, zal Ik Mij weder over hen erbarmen en hen terugbrengen, een ieder naar zijn erfdeel en een ieder naar zijn land, en als zij zich dan geheel gewennen aan de wegen van mijn volk, zodat zij zweren bij mijn naam: Zo waar de HERE leeft!, gelijk zij mijn volk eraan gewend hebben te zweren bij de Baäl, dan zullen zij te midden van mijn volk gebouwd worden. Maar als zij geen gehoor geven, dan zal Ik dat volk geheel en al uitrukken en verdelgen, luidt het woord des HEREN. (Jer12: 14t/m17)

De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. (Hos5:10)

Ja, Israël heeft zijn Maker vergeten, en heeft paleizen gebouwd, terwijl Juda talrijke versterkte steden maakte. Doch Ik zal een vuur in zijn steden werpen; dat zal haar burchten verteren. (Hos8: 14)

Toch vond God nog enig goeds in Juda:

Wat zal Ik u aandoen, o Juda? Immers uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat. (Hos6: 4)

Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen verlossen als de HERE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. (Hos1:7)

De apostel Paulus beschrijft de verdraagzaamheid die God met het huis van Juda had als volgt;

En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, (Hos5: 10) die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft - (Rom9: 22).

De uiteindelijke vernietiging van de hoer Oholiba voorafschaduwd door Hosea was ook door Daniel voorspeld (Dan9: 26+27) en in uitgebreidere vorm door Jezus in de rede der laatste dingen (Mat24+ 25/ Marc13/ Luc21).

Paulus verwijst hier meerdere malen naar en het boek Openbaringen is hier bijna geheel aan gewijd.

Maar de zonde van Juda werd mede bestraft met de bestraffing van Israël:

De hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Israël en Efraïm zullen struikelen door hun ongerechtigheid. Ook Juda struikelt met hen. (Hos5: 5)

Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. Toen Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging Efraïm naar Assur en zond boden naar koning Strijdlust. Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen. Want Ik ben als een leeuw voor Efraïm, en als een jonge leeuw voor het huis van Juda. Ik, Ik zal verscheuren en heengaan. (Hos5: 12t/m14)

De auteur van 2Koningen geeft ons een uitgebreide beschrijving van deze gebeurtenissen, waaruit hieronder een kleine greep:

In het vierde jaar van koning Hizkia - dat is het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël - trok Salmanassar, de koning van Assur, op tegen Samaria en sloeg het beleg ervoor. Men nam het in na verloop van drie jaren; in het zesde jaar van Hizkia - dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël - werd Samaria ingenomen. De koning van Assur voerde Israël in ballingschap naar Assur en bracht hen naar Chalach, Chabor, de rivier van Gozan en de steden der Meden, omdat zij niet hadden geluisterd naar de HERE, hun God, maar zijn verbond hadden overtreden: al wat Hij aan Mozes, de knecht des HEREN, had geboden; zij hadden er niet naar geluisterd en het niet gedaan In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assur, op tegen alle versterkte steden van Juda en bezette ze. (2Kon18: 9t/m14)

Daarna zond de koning van Assur de veldmaarschalk, de hofmaarschalk en de maarschalk uit Lakis met een sterke legermacht naar Jeruzalem, tot koning Hizkia. Zij trokken op en kwamen te Jeruzalem; en toen zij opgetrokken en gekomen waren, stelden zij zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver op de weg naar het Vollersveld. (vers17)

Omdat de veldmaarschalk God lasterde (19: 11) en Hizkia berouw heeft wordt Jeruzalem bevrijd en haar oordeel uitgesteld:

Immers wat van het huis van Juda ontkomen is, wat over is, dat zal opnieuw naar beneden wortel schieten en naar boven vrucht dragen. Want van Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en van de berg Sion wat ontkomen zal; de ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen.

Daarom, zo zegt de HERE van de koning van Assur: hij zal in deze stad niet komen; hij zal geen pijl daarin schieten, geen schild daartegen opheffen en geen wal daartegen opwerpen. Langs de weg die hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar in deze stad zal hij niet komen, luidt het woord des HEREN. En Ik zal deze stad beschutten om haar te verlossen om Mijnentwil en ter wille van mijn knecht David.

In die nacht ging de Engel des HEREN uit en sloeg in het leger van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de morgen opstond, zie, zij allen waren lijken. Dus brak Sanherib, de koning van Assur, op en aanvaardde de terugtocht; en hij bleef te Nineve. (2Kon9: 30t/m36)

Terugblik:

Tot nu toe zagen wij dat God getrouwd was met Israël. Zijn verloving komen we tegen in Ex6 zoals van God overgeleverd aan Israël door mozes:
Zeg derhalve tot de Israëlieten: Ik ben de HERE, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten. Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn (en man Jer31: 32), opdat gij weet, dat Ik, de HERE, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid. En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik, de HERE. (Ex6: 5t/m7)

Hun trouwerij staat beschreven in Ex19: 3t/m8, geleid door Mozes en geaccepteerd door het volk Israel:

Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.

Toen kwam Mozes en ontbood de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden die de HERE hem geboden had, voor. En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk weder aan de HERE over.

De gemalin/moeder is in werkelijkheid twee zusters (Eze23); Ohola-Samaria en Oholiba-Jeruzalem. Beide zusters waren hoeren. Na een lange tijd gaf God de oudste zuster (Ohola) een scheidbrief en zond haar onder de volkeren. De afstammelingen van de gescheiden vrouw verloren hun identiteit als Israëlieten en waren vanaf toen ‘heidenen’ (goyim). Maar hen werd beloofd dat zij opnieuw gekend zouden worden als Gods volk, zonen van de levende God.

De jongste zuster (Oholiba) werd zwaar gestraft (middels Assur en Babylon) door God voor haar voortdurende hoererij, maar bleef gehuwd met God onder de belofte van een oogst van haar afstammelingen te samen met de afstammelingen van Ohola (Hos6: 11). Vele jaren later werd YahShua (God die redt) geboren uit dit huwelijk tussen de maagd Maria en het huis van David/Juda.

De tijd van de oogst

In Zijn tijd, de laatste dagen (Heb2: 1+2), verklaarde Jezus dat de tijd van de grote oogst, zoals geprofeteerd door Hosea en Amos en het bijeengaren van de afstammelingen van Ohola en Oholiba zoals geprofeteerd door Hosea, Amos en Ezechiel nabij was:

Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst. (Mat9: 37+38)

Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur. (Mat13: 30)

De akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen. (13: 37t/m39)

Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is. (Mar4: 29)

Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is. (Luc10:2)

En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tot Hem, die op de wolk gezeten was: Zend uw sikkel uit en maai, want de ure om te maaien is gekomen, want de oogst der aarde is geheel rijp geworden. (Op14: 15)

Eerder zagen wij al dat Gods wet twee manieren geeft om met een hoer af te rekenen. We zagen dat God de methode van Deut24: 1t/m4 toepaste op zijn vrouw Ohola. Hierna kunnen wij al vermoeden dat God de andere wettelijke methode om met een ontrouwe vrouw af te rekenen toepast op Zijn vrouw Oholiba, die ook een hoer was, maar niet van God was gescheiden (Gen49: 10). Lev20:10 beveelt dat zij zeker ter dood gebracht zal worden.

De dood van de hoer Oholiba/Jeruzalem.

De rede der laatste dingen (Mat24+25/ Mar13/ Luk21) en de Openbaringen van Jezus Christus geven de details van het doodvonnis van de hoer/overspeelster Oholiba. De apostel Johannes heeft in zijn evangelie geen ‘rede der laatste dingen’ opgenomen omdat hij deze dingen uitgebreider behandelen moest in het boek Openbaringen (Op1:1+2).

Het boek Openbaringen dat geschreven werd rond het jaar 66 verteld in alle details van de dood van deze jongere hoer, Jeruzalem. De bijbel verteld nergens over hoe God de jongere zuster scheidt. Vele commentators gaan er foutief van uit dat Openbaringen het verslag is van de scheiding tussen God en Israël. Dit is gewoonweg niet waar. De bijbel geeft ons wel in alle geuren en kleuren een verslag van de ’steniging’ en ‘verbranding’ van de hoer Oholiba/ Jeruzalem (Op17+18). Op17:1 zegt;” Kom hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren” De vrouw zittende op het scharlaken beest (vers3) is Jeruzalem, en het scharlaken beest is het Romeinse rijk. Vers 5 en 6 beschrijven haar (Mysterie Babylon) dronken van het bloed der heiligen (Mat23: 37/ Luc13: 33+34/ Hand7: 52/ Op18: 24). Petrus noemt Jeruzalem ook ‘Babylon’ (1Pet5: 13) en de Joden gebruikten het verbond met het scharlaken beest om de gemeente te vervolgen (Joh19:15/ Luc23: 2/ Hand4: 27/ 16: 20+21/ 17: 7/ 18: 12/ 21: 11/ 24: 1t/m9/ 25: 1+2 enz.).

Deze opstandige hoer, Oholiba/Jeruzalem, roeide haar man (Dan9: 26) uit onder de uitspraak; “Wij hebben geen koning, alleen de keizer! (Joh19: 15)” Hierbij gebruikte zij de macht (zittende op) van het Romeinse rijk om deze schanddaad uit te voeren. Na deze verschrikkelijke daad vervolgde zij de volgelingen van Christus door de verdrukking door de Romeinen over de gemeente te brengen. Dit ‘gebruiken’ van het beest door de Joden zorgde er uiteindelijk voor dat het beest zich tegen hen keerde:

En de tien horens, die gij zaagt, en het beest, dezen zullen de hoer haten, en zij zullen haar berooid maken en naakt, haar vlees eten en haar met vuur verbranden. Want God heeft in hun hart gegeven zijn zin te volbrengen en dit eensgezind te doen en hun koningschap aan het beest te geven, totdat de woorden Gods zullen voleindigd zijn. En de vrouw, die gij zaagt, is de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde. (Op17: 16t/m18)

En hij riep met sterke stem, zeggende: Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid. En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. (Op18: 2t/m4)

Geeft haar zoveel pijniging en rouw, als zij heerlijkheid en weelde genoten heeft. Want zij zegt in haar hart: Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien. Daarom zullen haar plagen (de vier ruiters Op6) op één dag komen: dood en rouw en hongersnood, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Here God, die haar geoordeeld heeft. En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd hebben en weelderig geweest zijn, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar verbranding zien, van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, gij grote stad, Babylon, gij sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen. (Op18: 7t/m10)

Vele ander argumenten zouden aangevoerd kunnen worden (Jes1: 1+10+21), maar bovenstaande informatie laat duidelijk zien dat de vernietiging van de hoer (Mysterie Babylon) in Op16: 18t/m19: 2, Gods uiteindelijke oordeel over zijn overspelige vrouw, de berouwloze ongelovigen van het huis van Juda/Jeruzalem/Oholiba is.

En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! (Mat27: 25)

Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is sinds de grondvesting der wereld.(Luc11: 50)

En Jezus wendde Zich tot haar en zeide: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. (Luc23: 28t/m30)

Petrus beschrijft dezelfde gebeurtenissen in 2Pet3: 4t/m13. Velen hebben foutief gedacht dat Petrus hier iets anders beschrijft vanwege zijn beweringen over ‘nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (vers13). Zonder hier nu al te diep op in te gaan kunnen we stellen dat Petrus evenals Johannes (Op21) niet spreekt over een letterlijke nieuwe hemel en aarde zoals velen geloven. Petrus gebruikt hier ‘apocalyptische’ taal uit het oude testament om de vernietiging van het oude verbond (2Kor5: 17/ Heb8: 13) en de volheid der tijden, die kort na Petrus’ dood bereikt werd met de vernietiging van de hoer te beschrijven. Voor een voorbeeld van een dergelijk taalgebruik zoals gebruikt door de oudtestamentische profeten, zie Dan8: 10 waar het heer des hemels verwijst naar hen die deel hebben aan het verbond, in het bijzonder de priesters te Jeruzalem. Het kan zeker niet letterlijk bedoelt zijn dat Antiochus Epiphanus’ (die een beeld van zichzelf ter aanbidding in de tempel liet zetten) grootheid tot in de hemel reikte. Dezelfde taal wordt gebruikt door Jesaja wanneer hij profeteerde over ‘de nieuwe hemel en de nieuwe aarde’ (Jes65: 17/ 66: 2).

De ‘oude hemel’ is het oude huwelijksverbond van Mozes met zijn tempel, priesterschap, en alles er op en er aan; de ‘oude aarde’ is het beloofde land van het oude huwelijksverbond. De ‘nieuwe hemel’ is het huwelijk van Christus en zijn bruid (Op21: 1t/m22: 5) en de ‘nieuwe aarde’ is het beloofde land (de gehele aarde-Mat5:5/ 28: 18/ Hand1: 8/ Rom10: 18/ Op21: 24) van het nieuwe huwelijksverbond met de reine maagd (2Kor11: 2/ Hos2: 19+20), de bruid van Christus (Op21: 1t/m22: 7).

Om de grote ontknoping van het grootste liefdesverhaal ooit verteld te zien moeten we kijken naar het nieuwe verbond in het bloed van Jezus Christus zoals dat beschreven staat in de bladzijden van wat wij ‘het nieuwe testament’ noemen.

Paulus zegt:

Of weet gij niet, broeders, - ik spreek immers tot wie de wet kennen - dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft. Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter. (Rom7: 1t/m6)

In de bovenstaande passage heeft Paulus niet een zouteloos vermaningspraatje inzake echtscheiding, maar beschrijft hij de ‘grand climax’ van het grootste liefdesverhaal ooit verteld. Gods liefde voor en de verlossing (door de kruisdood) van Israël.

Het is belangrijk er notie van te nemen dat Paulus hier tegen Joodse en ‘heidense’ christenen in Rome schrijft.

Paulus begint dit gedeelte van de brief van zijn brief aan de christenen in Rome met de opmerking “ik spreek immers tot wie de wet kennen”. Het moge duidelijk zijn dat ‘zij die de wet kennen’ hier het Joodse gedeelte van de gemeente betreft. Paulus noemt hen om de christenen te Rome duidelijk te maken dat ze enige kennis van de Joodse huwelijkswetten nodig hebben om zijn uitleg te kunnen volgen. De Joden die de wet kenden begrepen hoe deze uitleg op hen betrekking had en konden de ‘heidenen’ uit de verstrooiing uitleggen hoe het hen van toepassing was.

Terwijl we doorgaan is het belangrijk in gedachten te houden dat God van het huis van Israël gescheiden was (Jer3;8) en hun hen verstrooid had onder de volkeren (Hos9: 17/ Joh7: 35). Maar niet zonder de belofte haar opnieuw te huwen (Hos2: 18+19). Hierdoor creëerde Hij een probleem dat alleen Zijn dood op kon lossen.

In tussentijd bleef Hij getrouwd met Trouweloze Juda die ook een ontuchtige was (Jer3:8). Dit zorgde voor nog een probleem, het doel van het voortzetten van dit huwelijk was de geboorte van Jezus Christus, de leeuw uit de stam van Juda (Op5: 5). God zelf was in het vlees gekomen (Joh14: 9/ 10: 30/ Deut6: 4) in de Zoon des mensen.

Het was alleen door Jezus’ dood en opstanding dat beide problemen konden worden opgelost. De langverwachte dag was eindelijk aangebroken!
Paulus stelt dat “de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft”. Paulus schrijft hier niet over eender welke mens, maar de mens Christus Jezus (1Tim2: 5). Dan schrijft hij:” Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft”. Wederom schrijft Paulus hier niet over zo maar een vrouw, maar over Israël die het huwelijksverbond met God aanging op de berg Sinai. Vervolgens stelt Paulus:” wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond”, otw wanneer Jezus stierf; werd Israel, Gods vrouw ontslagen van de wet van het oude huwelijksverbond.

Nu begint Paulus het gene wat hij zojuist in vers 1 en 2 stelde toe te passen op het huis van Israël dat verstrooid was onder de volkeren en wat met de volkeren door Israël beërfd is (Am9: 11+12): “Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander (Assyrische goden- Eze23: 7) tot man neemt, echtbreekster heten.”

Hier is het waar Paulus van zijn lezers enig inzicht in de Joodse huwelijkswetten vraagt; hij gaat er van uit dat zijn lezers weten dat een man die van zijn vrouw is gescheiden wegens haar overspel zijn vrouw niet terug kan nemen zonder zelf een overspeler te zijn. Daarom moest God zelf mens worden om te sterven, zodat Israël van de oude huwelijkswet ontslagen werd, en Hij met haar kon hertrouwen.

Het andere probleem was dat het huis van Juda (de Joden) al een echtgenoot had, nl; God. De oplossing voor dit probleem was exact dezelfde als die hier boven al beschreven oplossing voor het huis van Israel. God, de toenmalige echtgenoot, moest sterven. Paulus erkende het tweede probleem toen hij zei: “Want de gehuwde vrouw (Juda) is door de wet aan haar man (God) gebonden, zolang deze leeft”. Dan beschrijft Paulus de gebeurtenis die de volledige oplossing voor beide problemen bracht: “Wanneer echter de man sterft (Jezus), is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft”. Oholiba, het huis van Juda was ontslagen van het huwelijksverbond van de berg Sinai.

De nieuwe echtgenote- de bruid van Christus

Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het (gekruisigde) lichaam van Christus OM HET EIGENDOM TE WORDEN VAN EEN ANDER, VAN HEM, DIE UIT DE DODEN OPGEWEKT IS, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes door Jezus Christus. Beide overspelige zusters waren nu ontslagen van het huwelijkscontract van Sinai zodat zij, tot maagd hestelt (2Kor11: 2), zonder vlek of rimpel of iets dergelijks (Ef5: 27) met Christus in het huwelijk kon treden.

Het nieuwe testament bevat nog vele andere details over Gods liefde voor zijn gekozen bruid (Israël als de gemeente) en de bruidsschat (alles wat Hij had- Mat13: 44) die Hij bereid was voor haar te geven.

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat (Israël), verborgen in een akker (de wereld), die een mens (God) ontdekte en verborg (Israël, verstrooid onder de volkeren), en in zijn blijdschap erover gaat hij heen (komt in het vlees) en verkoopt (het kruis) al wat hij heeft en koopt (verlossing- Op5: 9+10) die akker (de wereld Joh3: 16).

Door: Lloyd-Dale en vertaald door T.S.
Bron: The olive tree mystery + Preterist Archive
Aanvullende schriftplaatsen:

Uit de heidenen:

Gen11: 31/ Deut28: 33/ Mat12: 21/ Mat21: 43/ Hand15: 14t/m18/ Hand26: 14t/m23/ Hand28: 23t/m29/ Rom11: 7t/m15/ Gal3: 7t/m9

Geen onderscheid:

Rom2: 25t/m29/ Rom4: 16+17/ Rom9: 6/ Rom10: 12/ Fil3: 3/ Kol3: 11 Gal3: 7/ Gal6: 15+16/ Ef2: 11t/m22/ Ef3: 21/ Tit2: 11/ Heb11: 39+40

Een nieuwe naam:

Deut28: 37/ 1Kon9: 6+7/ Jes62: 2/ Jes65: 15/ Eze22: 2t/m6/ Eze23: 32/ Hos8: 8/ Hand11: 26/ Rom2: 24/ Rom9: 24t/m26/ Op3: 12/ Op22: 4

Een eeuwig koninkrijk:

Jes9: 6/ Jes45: 17/ Dan2: 44/ Dan7: 27/ Mat28: 18+19/ Luc1: 33/ Rom16: 26/ Kol1: 13/ Heb1: 7+8/ Heb12: 28

Het Koninkrijk:

Mat11: 12/ Mat12: 28/ Luc12: 32/ Luc17: 20+21/ Luc22: 29+30/ Joh18: 35t/m38/ Heb11: 16

Het hemels Jeruzalem:

Jes52: 1t/m12/ Gal4: 26/ Heb11: 10/ Heb12: 22/ Heb13: 14/ Op21: 1t/m 22: 5

Koning Jezus:

1Sam8: 6t/m8/ Mat26: 64/ Joh6: 14+15/ Joh14: 18t/m20/ Joh16: 10/ Joh18: 35t/m38/ Heb10 : 12/ Heb12: 28

diak2b

  • Berichten: 6897
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #1 Gepost op: september 17, 2007, 01:46:52 pm »
Google is je vriend. Ik zag dat het artikel is overgenomen van http://www.preterisme.nl/index.html

een site die helaas voor een eenvoudige buitenstaander te weinig programmatisch is om werkelijk nuttig te zijn, maar al googelend kom je toch weer een hoop boeiends tegen.

Beste Slumber, op de site waar je, naar ik uit je bericht begrijp, (mede)auteur/vertaler/eigenaar bent, staat een razend interessant begin van een artikel onder de titel "Wat is Preterisme". Helaas eindigt dat voor het goed en wel begonnen is. Zou je dáár niet eens wat meer over willen vertellen?
Waar beschaving en eerlijkheid botsen, zal ik maar zwijgen.

slumber

  • Berichten: 52
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #2 Gepost op: september 17, 2007, 02:02:43 pm »
Ik heb de bronnen erbij gezet.
De originele bron is het boek the olive tree mystery. De auteur van het boek is genaamd Lloyd Dale, die zover ik weet geen preterist is. Dit is er een hoofdstuk uit, vertaald door T.S. wat door meerdere bronnen is overgenomen.

Als ik zelf de schrijver was van dit hoofdstuk uit Dale zijn prachtige boek, schreef ik het wel op mijn eigen conto hoor!

Het enige wat ik heb gedaan is een paar puntjes op de i van de nlse versie gewijzigt die ik zo beter uit de verf vond komen. Ik ben ook niet de auteur van preterisme.nl
« Laatst bewerkt op: september 17, 2007, 02:10:01 pm door slumber »

slumber

  • Berichten: 52
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #3 Gepost op: september 17, 2007, 02:07:22 pm »
Het artikel waar je naar refereert staat hier in t engels in zijn geheel. Is erg interessant:

http://en.preterism.com/index.php?title=What_is_Preterism

diak2b

  • Berichten: 6897
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #4 Gepost op: september 17, 2007, 03:44:27 pm »

quote:

slumber schreef op 17 september 2007 om 14:07:
Het artikel waar je naar refereert staat hier in t engels in zijn geheel. Is erg interessant:

http://en.preterism.com/index.php?title=What_is_Preterism

Inderdaad! Heel boeiend.

Er zitten wat punten in die strijdig zijn met mijn geloof, maar oha kom ik vooral heel veel dingen tegen waar ik het grotendeels of geheel, of in een zekere context, mee eens ben. Het is een beetje het andere uiterste van het christelijk spectrum t.o.v. de "rapture-christenen" zo te zien. (en dat is in mijn ogen op zich al een pluspunt)
Waar beschaving en eerlijkheid botsen, zal ik maar zwijgen.

Divinespark

  • Berichten: 456
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #5 Gepost op: september 17, 2007, 05:51:11 pm »
Toch typisch dat Jezus in de eerste plaats een missie had met het volk Israël, en dat er een tijdens de profeten nog niet uitgekomen profetie was over Sion die door meerdere profeten is verkondigd, waarin het volk Israël een belangrijke rol blijft vervullen als het heilige volk t.a.v. de heidenen.

Profeten die iets onreins moeten doen om een kwaad in Israël te symboliseren en hun een signaal af te geven over hun eigen gedrag, komt niet alleen in de voorbeelden van de topic starter voor, maar ook in Ezechiël 3 als Ezechiël wordt gevraagd koeken te bakken met menselijke uitwerpselen als ingrediënt geeft dat aan dat Israël onrein bezig is. Hij geeft het bezwaar dat hij van het begin af al kosher heeft geleefd en mag het daarom met runderuitwerpselen doen (runderen zijn kosher).

Dergelijke acties door profeten die door God zijn gedicteerd, zijn om aan Israël iets uit te beelden over het gedrag. Het betekent niet dat Israël verstoten is als heilig volk.

Je zoekt naar een scheidbrief? Het geven van een scheidbrief komt in de Wet des Heren voor, de man dient een scheidbrief te schrijven en dat is de enige legitieme manier om te scheiden. Een legitime reden om te scheiden is overspel. Aan de hand hiervan weet je dus al wat de strekking is van zo'n brief, daarom hoeft het niet tot in elk detail voorgekauwd te worden, tenminste niet aan mensen die enige kennis hebben van de Joodse cultuur. Waar dus sprake van is, qua strekking, is dat Israël door af te wijken, overspelig is qua godsdienst, en dat dat is wat er wordt gesymboliseerd.

Groetjes, Divinespark
« Laatst bewerkt op: september 17, 2007, 05:52:16 pm door Divinespark »

slumber

  • Berichten: 52
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #6 Gepost op: september 17, 2007, 07:56:40 pm »

quote:

diak2b schreef op 17 september 2007 om 15:44:
[...]

Inderdaad! Heel boeiend.

Er zitten wat punten in die strijdig zijn met mijn geloof, maar oha kom ik vooral heel veel dingen tegen waar ik het grotendeels of geheel, of in een zekere context, mee eens ben. Het is een beetje het andere uiterste van het christelijk spectrum t.o.v. de "rapture-christenen" zo te zien. (en dat is in mijn ogen op zich al een pluspunt)
Ja, het beantwoordt mi vragen die bv de apologetische leer open laat. Bovendien is het preterisme niet een movement wat je 'erbij' wil hebben, maar een interpretatie van het christendom.
« Laatst bewerkt op: september 17, 2007, 08:00:31 pm door slumber »

slumber

  • Berichten: 52
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #7 Gepost op: september 17, 2007, 08:01:46 pm »

quote:

Divinespark schreef op 17 september 2007 om 17:51:
Je zoekt naar een scheidbrief? Het geven van een scheidbrief komt in de Wet des Heren voor, de man dient een scheidbrief te schrijven en dat is de enige legitieme manier om te scheiden. Een legitime reden om te scheiden is overspel. Aan de hand hiervan weet je dus al wat de strekking is van zo'n brief, daarom hoeft het niet tot in elk detail voorgekauwd te worden, tenminste niet aan mensen die enige kennis hebben van de Joodse cultuur. Waar dus sprake van is, qua strekking, is dat Israël door af te wijken, overspelig is qua godsdienst, en dat dat is wat er wordt gesymboliseerd.

Groetjes, Divinespark
Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde. (Jer3:8)

Zijnkind

  • Berichten: 5099
    • Bekijk profiel
JHWH's echtgenotes
« Reactie #8 Gepost op: september 17, 2007, 09:19:01 pm »
Modbreak:
Topic gaat dicht. Slechte OP en geen aanzet tot discussie.
Spreuken 16: 3 Vertrouw bij je werk op de HEER, en je plannen zullen slagen.