Stel dat we Gen.1-3 niet als beschrijving van
geschiedenis zouden moeten zien. Waarom zouden we de hoofdstukken over Abraham bijvoorbeeld wél serieus moeten nemen als
geschiedenis? Ik denk dat dat een belangrijke vraag is; Als God zijn verbond niet gesloten heeft met Abraham, hoe kunnen wij ons dan nog op Gods
verbondstrouw beroepen? Als Hij beloften heeft gedaan, die hij toch niet heeft gedaan, of in ieder geval niet aan degene van wie wij dachten dat Hij dat heeft gedaan; wordt Gods trouw door de geslachten daarmee niet minder bemoedigend?
Als we Gen 1:1-2:3 even buiten beschouwing laten, is het volgens mij niet logisch om een déél van Genesis niet als geschiedschrijving en een ander deel wél als geschiedschrijving te zien. Daarvoor is nog een stijltechnisch argument: in Genesis zit een structuur die wordt gemarkeerd door de woorden 'Dit is de Toledoth van...' (
Link naar overzicht waarin de vindplaatsen op een rijtje staan). Toledoth kan worden vertaald met 'geschiedenis', 'geslacht', 'nakomelingen' enz.
Dit wordt gebruikt voor zowel de vertellingen over de schepping, als over Abraham, als over Ismaël, enz.
Kun je het ene deel afdoen als géén geschiedenisbeschrijving, en tegelijk het andere deel wél aannemen als geschiedenisbeschrijving?
Een paar opmerkingen erbij nog, waardoor de vraag nog iets spannender kan worden: Jezus maakt m.i.
gebruik van de historiciteit van Abraham, Isaäk en Jakob in een twistgesprek over de opstanding:
quote:
Matteüs 22:
31 Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: 32 Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob? 33 Hij is niet een God van doden, maar van levenden.
In hoeverre kan dit een sterk argument zijn, als Abraham niet historisch was, of de verbondssluiting met hem niet historisch was?
Matteüs begint zijn evangelie met het griekse equivalent van Toledoth, maar daar past hij die term toe op Jezus Christus. Die term kan zowel slaan op het geslachtsregister dat direct daarop volgt, als op de rest van het evangelie. Gezien de plaatsing (het éérste woord van een geschrift) is het zeer aannemelijk dat
ook die tweede optie bedoeld is. Hieruit kun je twee kanten op redeneren:
- Omdat het kennelijk gebruikt is voor het leven van Jezus, is het geschiedenisbeschrijving (met universele boodschap, maar toch), en dus is ook het gebeuren wat in Genesis 2:4 e.v. wordt beschreven, geschiedenis.
- Of omdat de term in Genesis gebruikt wordt voor niet-historische verslagen, kan het in Matteüs ook niet daarop slaan. Hiermee komt wel de betrouwbaarheid van het evangelie in geding.
Er zijn dus vanuit deze optiek twee opties: óf genesis én Matteüs zijn geschiedenis (met boodschap), óf ze zijn het beide niet (maar wel verhalen met waarheid).
Wellicht heb je hier iets aan?