4. Wanneer dit werk werd voortgebracht; [In den beginne,] dat is: in het begin des tijde, toen deze klok voor het eerst aan den gang werd gebracht. De tijd begon met de voortbrenging van de wezens, die door en naar tijd worden gemeten. Vóór het begin van den tijd was er niets en niemand dan het Oneindige Wezen, dat de eeuwigheid bewoont. Indien wij zouden vragen waarom God de wereld niet eerder gemaakt heeft, dan zouden wij slechts [den raad verduisteren metwoordenzonderwetenschap,] Job 38: 2; immers hoe kan er in de eeuwigheid van eerder of later sprake zijn? En Hij heeft haar gemaakt in het begin des tijds overeenkomstig Zijne eeuwige raadsbesluiten vóór allen tijd. De Joodse rabbijnen zeggen, dat er zeven dingen waren, die God geschapen heeft, eer Hij de wereld schiep, waarmee zij slechts de voortreffelijkheid van deze dingen willen te kennen geven-De Wet Bekering; het Paradijs, de Hel, de Troon der heerlijkheid het Huis van het Heiligdom en de Naam van den Messias. Maar voor ons is het genoeg te zeggen: [In den beginne] [was het Woord,] Joh. 1: 1.
Laat ons hieruit leren: [a.] Dat atheïsme dwaasheid is, en dat atheisten de grootste dwazen in de wereld zijn, want zij zien, dat er ene wereld is, die zich zelf niet heeft kunnen maken, en toch willen zij niet erkennen, dat er een God is, die haar gemaakt heeft. Ongetwijfeld zijn zij zonder verontschuldiging, maar de god dezer wereld heeft hun zinnen verblind. [b.] Dat God door een onbetwistbaar recht vrijmachtig Heer is over allen. Indien Hij de Schepper is, dan is Hij ongetwijfeld de Eigenaar en Bezitter van hemel en aarde. c. Dat bij God alle dingen mogelijk zijn, weshalve diegenen welgelukzalig zijn, die Hem tot hun' God hebben, en wier hulp en hope in Zijn' naam is, Psalm 121: 2; 124: 8. [d.] Dat de God, dien wij dienen, waardig is allen lof en prijs, en toch ver boven allen lof en prijs verhoogd is, Neh. 9: 5, 6. Indien Hij de wereld gemaakt heeft, dan heeft Hij onze diensten niet nodig, en Hij kan er ook geen voordeel van hebben, Hand. 17: 24, 25, en toch eist Hij ze met recht, en verdient Hij onzen lof, Openb. 4: 11. Indien alles is [van] Hem, den moet alles ook tot Hem wezen.
II. Hier is het werk der schepping in hare eerste [kiem,] of onontwikkelden toestand, vers 2, waar wij een bericht hebben van hare eerste [stof,] en den eersten [Beweger.]
1. De eerste [stof] was een chaos, zij wordt hier de [aarde] genoemd, (hoewel de aarde, in den eigenlijken zin, niet voor den derden dag gemaakt werd, vers 10 omdat zij het meest geleek op hetgeen later [aarde, blote] aarde genoemd werd, ontbloot van hare versierselen: het was ene zware, logge massa. Zij wordt ook genoemd [de afgrond,] zowel wegens hare uitgestrektheid, als omdat de wateren, die er later van afgescheiden werden, er nu nog mede vermengd waren. Het was uit deze ontzaglijke massa van stof, waaruit alle lichamen, zelfs het uitspansel, de zichtbare hemelen, later door de kracht van het Eeuwige Woord zijn voortgebracht. De Schepper zou reeds terstond dit werk volmaakt en volkomen hebben kunnen maken, maar door dezen trapsgewijzen voortgang wilde Hij tonen wat gewoonlijk de wijze van werken is van Zijne voorzienigheid en genade.
Let op de beschrijving van dien chaos. [a.] Er was niets in, dat begeerlijk was om aan te zien, want hij was [woest en ledig. Tohu] en [bohu, venvarring] en [ledigheid,] zo zouden die woorden ook overgezet kunnen worden, Jes. 34: 11. Hij was vormloos, hij was nutteloos, hij was zonder inwoners, zonder versierselen de schaduw, of ruwe omtrek van [toekomende dingen, niet het beeld zelf der zaken,] Hebr. 10:1. Door de zonde der mensen, waaronder de schepping zucht, is de aarde bijna tot dienzelfden toestand teruggebracht, -zie Jerem. 4: 23. - [Ik zag het land aan, en zie het was woest] [en ledig.] Aan hen, die hun hart in den hemel hebben, schijnt deze lagere wereld, in vergelijking met de bovenwereld, ook nu nog niets dan verwarring en ledigheid te zijn. Er is gene ware schoonheid te zien, geen verzadigende volheid te genieten op deze aarde, dan alleen in God. [b.] En al ware er iets begerenswaardig te zien geweest, dan was er toch geen licht om het er bij te kunnen zien; want [duisternis,] dikke duisternis, [was op den afgrond.] God heeft deze duisternis niet geschapen, zoals Hij gezegd wordt de duisternis der beproeving te scheppen, Jes. 45: 7; want het was slechts het gebrek aan licht, waarvan echter niet gezegd kan worden, dat er gebrek aan was, voordat iets gemaakt was, dat er bij gezien kon worden, en over het gebrek er aan behoeft ook niet veel geklaagd te worden, als er toch niets anders dan verwarring en ledigheid te zien was. Indien het werk der genade in de ziel ene nieuwe schepping is, dan stelt deze chaos den toestand voor van ene onwedergeborene ziel, waarin gene genade is, daar is wanorde, verwarring en alle boos werk; zij is ledig van alle goed, want zij is zonder God zij is duister, zij is de duisternis zelf. Dit is van nature onze toestand, totdat de almachtige genade ene gezegende verandering werkt.
2. De Geest Gods was de eerste [Beweger;] Hij [bewoog zich op de wateren] (Noot: naar de Engelse overzetting). Als wij de aarde woest en ledig beschouwen, dan, dunkt mij, is zij als het dal vol dorre doodsbeenderen. Kunnen dezen leven? Kan uit deze verwarde massa van stof ene schone wereld geformeerd worden? Ja, indien een geest des levens van God er in komt, Ezech. 37: 9. Nu is er hoop voor die zaak; want de Geest Gods begint te werken, en indien Hij werkt, wie of wat zal Hem dan afkeren? Er is gezegd, dat God de wereld maakt door Zijn' Geest, Psalm 33: 6; Job 26: 13, en door denzelfden machtigen Werker wordt ook de nieuwe schepping tot stand gebracht. Hij bewoog zich op den afgrond, zoals Elia zich over het dode kind uitstrekte; zoals [de hen hare kiekens vergadert onder hare] [vleugelen,] over ze heen fladdert en zweeft, om ze te verwarmen en te koesteren, Matth. 23: 37, zoals een arend zijn nest opwekt, en over zijne jongen [zweeft,] (het is hetzelfde woord, dat hier gebruikt wordt,) Deut. 32: 11. Leer hieruit, dat God niet slechts de Auteur is van alle zijn, maar ook de Fontein van alle leven, en de Oorzaak der beweging. Dode stof zou altijd dood zijn, indien Hij haar niet verlevendigde. En dit maakt het voor ons gelooflijk, dat God de doden opwekt. De kracht, of macht, die uit verwarring, ledigheid en duisternis zulk ene wereld te voorschijn heeft gebracht bij den aanvang des tijdse kan aan het einde van den tijd ons vernederd lichaam uit het graf te voorschijn brengen, al is het ook [een stikdonker land, als de] [duisternis zelf, en zonder ordeningen,] Job 10: 22, en het tot een heerlijk lichaam maken.