God`s rouwklacht.
Het was een hete dag. Daar, midden in de woestijn, stond een
enorme mensenmassa, vele honderdduizenden. Mannen en vrouwen.
Er waren jonge mensen bij, maar ook velen die reeds een heel
leven achter zich hadden. Tevergeefs zocht men of er kinderen
tussen stonden, hier en daar werd er een naam geroepen van een
zoontje of dochtertje. Er kwam geen antwoord. Velen waren
gewond, ziek. ook stonden er grote mannen, met woeste baarden
en haren, in vuile hemden en broeken, of lange kaftans.
Vrouwen met wilde haren, in korte rok of lang kleed, op sommige plaatsen vooraan het volk, stonden zij die eens de priesters der volken geweest waren, in
veelkleurige gewaden,veel was vuil of gescheurd. Anderen waren gekleed in ooit dure kleding,
kleding die eens de hooggeplaatsten droegen. Iedereen keek
rond. In de verte steeg een enorme rookzuil op, grijs zwart,
vele kilometers breed en hoog. Onder die zuil van rook, op de
horizon, sloegen hoge, groen gele vlammen omhoog. Het praten
verstomde. Iedereen keek naar een grote, goudglanzende zetel,
op een metershoog podium, met daarvoor een lage tafel. Daar
kwam een Man aangelopen, met trage pas, gevolgd door twee
dienaren. Het waren lange, grote gestalten. Zij waren gekleed
in glanzend wit gewaad, de Man Zelf had een gouden gordel
schuin over de borst, Hij straalde een koninklijke waardigheid
uit. Hij besteeg de korte trap, liep over het podium naar het
midden, gevolgd door zijn twee dienaren, die ieder een zeer
groot boek droegen. De Man keerde Zich naar de grote menigte,
en keek. De mensen keken elkander aan, keken rond, en dan weer
naar die grote Gestalte op het podium. Zij zagen Zijn gezicht,
omkranst door een zwarte baard, en lange zwarte lokken tot op
de brede schouders. Op dat gezicht, in die ogen, lazen zij een
groot verdriet, bijna een wanhoop, en een grote ernst. De Man
liep rond de tafel, en zette Zich op de zetel. Een dienaar
liep toe, en lei met trage beweging een boek voor Hem neer.
Het was doodstil geworden. Hier en daar klonk nog slechts een
geschuifel van een voet. Allen keken toe, hoe de Man het boek
opende, en traag bladzijde voor bladzijde omsloeg, aandachtig
lezende wat Hij zag. Degenen die vooraan stonden zagen Zijn
handen, die blad voor blad omsloegen. Het viel hen op dat die
handen, kort bij de brede polsen, een zeer diep litteken
hadden.
De Man keek op, en weer zagen de mensen een groot verdriet en
tegelijk een grote ernst op Zijn gezicht.
Hij stond langzaam op, keek naar het boek op de tafel, en weer
naar de grote mensenmenigte. Hij opende Zijn mond, en begon te
spreken, met zware, verdragende stem.
,,U heeft allen gezien dat Ik Uw namen in dit boek gezocht
heb. Ik heb iedere bladzijde meermalen bekeken."
Hij zweeg even, Zich zeer bewust van hetgeen Hij nu zeggen
moest, met verdriet en grote tegenzin. De menigte hield de
adem in, en stond strak te staren naar de Man op het podium.
Er kwam langzaam een diep gevoel van angst en wanhoop over de
mannen en vrouwen die daar stonden, alsof zij aanvoelden wat
er gezegd ging worden.
De Man sprak weer, met trage woorden. ,,Ik heb, van niemand
van u, de naam in dit boek gevonden. U staat er niet in. " Hij
zweeg weer kort, en hervatte toen: ,, Ik heb een groot
verdriet, en Mijn hart breekt bij het zien van u allen, die
het Koninkrijk niet binnen zullen gaan." De mensen voelden het
koud over hun rug lopen bij deze laatste woorden, sommigen
kreunden. De Man sprak verder. ,,U hebt, bij uw leven op deze
aarde, zeer duidelijk vernomen wat de eisen van uw Schepper
zijn: Bekent uw zonden, noemt ze bij name, en vraagt, op uw
kniëen, vergeving daar voor. En erkent dat er Eén, de straf
wegens uw zonden betaald heeft, en dat u Hem als uw Verlosser
aan naamt. U allen hebt dat geweigerd! In plaats daarvan heeft
u zich beroepen op uw eigen gerechtigheid, die geen
gerechtigheid is. U heeft het bestaan van de Schepper ontkend,
u heeft met Zijn Naam gespot, u heeft Hem, Die de straf voor
uw zonden betaald heeft aan het kruis, geminacht. U hebt Zijn
zorgen, Zijn liefde voor u, zijn genade over uw leven,
verworpen. U hebt uw vage en kwalijke hoop gesteld op zaken
die geen hoop geven, maar ondergang. U hebt uw hoop gesteld op uw
Boeddah, of uw pausen, uw priesters of uw pastoors, uw koningin des hemels, U hebt u beroepen op uw Shinto,
uw Manitou, uw Tenach en Tora, die nota bene van Mij
getuigden. U hebt u beroepen op uw goede werken, op uw
Mahomed, Wodan en Toutatis, en zelfs velen onder u op de Grote
Tegenstander des Heeren. U heeft, bij uw volle verstand, Mijn
waarschuwing opzij geschoven dat, wie deze dingen bedrijft,
geworpen wordt in de poel van vuur. Die was NIET voor u
bereid!" Deze laatste woorden werden luid uitgeroepen. Velen
in de mensenmassa lieten hun hoofd hangen.
De Man sprak verder. ,,U ziet dat hier geen onderscheid is wie
u bent geweest, en waar u vandaan komt." Hij zweeg weer, keek
neer op dat grote, geopende boek, en keek de menigte weer aan.
Men zag tranen over Zijn gezicht lopen. De twee dienaren,
links en rechts van Hem, hadden met gebogen hoofd de ogen
neergeslagen. De Man begon weer te spreken, met betraand
gezicht en nu gebroken stem. ,,Ik ken u niet. Niemand van u! U
hebt Mijn genade en liefde voor u verworpen! U hebt de uitgestrekte hand
van uw Schepper afgewezen." Hij stokte even, en sprak verder,
,,Ik veroordeel u tot de eeuwige poel van vuur, die bereid is
voor de satan en zijn engelen." En toen met luide, maar
gebroken stem: ,,Dienaren! Brengt allen weg!" Er steeg een
verschrikkelijk gehuil op uit de menigte, velen gilden en
vloekten, anderen probeerden weg te rennen, in zwarte wanhoop
proberend het verschrikkelijk oordeel te onsnappen. Maar er
was geen onsnappen. Zij die aan de rand stonden zagen dat zij
waren omsingeld door grote, in blinkend wit geklede gestalten,
het waren er ontelbaren. Degenen die weg probeerden te
rennen werden als eerste gegrepen en gillend en
tegenstribbelend weggevoerd, in de richting van de grote,
zwarte wolk in de verte.