Laat ik je analogie uitbreiden. Het probleem met al die mensen die daar met zaklantaarns op allerlei aspecten schijnen is, dat ze denken in een grot te lopen. Maar ze wandelen in een klein hoekje van een grote, overweldigend machtige zaal. Zo groots is de ruimte, dat ze niet met een zaklamp te peilen is. En als je omhoog kijkt, om het plafond te zien, voel je je alleen maar klein.
Dat laatste is het gevoel voor heiligheid. Je loopt in de gewijde galmende ruimte van de genade van een groot God. Al die details zijn óók de moeite waard. Ze leren je iets over de grote katedraal waarin je wandelt. En ze duiden, mits je ze in het juiste kader plaatst, iets aan van de essentie van het geheel.
Het grootste misverstand is wel omtrent het foldertje dat wordt rondgedeeld onder de groep zaklamplopende mensen. Het schetst een fantastisch kasteel, met goud en parels, gigantisch in grootte, met aanwijzingen over de te volgen route en afbeeldingen van duizelingwekkende diepten. De meesten schijnen er even met hun lamp over, denken: knappe reclame, frommelen het papiertje in hun zak. De routebeschrijving voor de bezoekers van het kasteel wordt afgedaan als een curiositeit.
Een paar bestuderen het foldertje aandachtig. Zo aandachtig, dat ze nog wel eens struikelen over een drempel. Maar als er een voorwerp voor de groep opdoemt, of een beslissing moet worden genomen over de te volgen route, is hun aandacht erbij. "Hier naar rechts, want dit is de zuil van Volharding!" "Niet daarheen, dat loopt dood!" "Je vergist je -- we zijn nog niet halverwege." Ook zij hebben maar een kleine zaklamp. Maar wat ze zien past wel binnen een kader, waarvan ze de plattegrond in hoofdlijnen hebben.