quote:
Dit overdenkende lijkt het me goed om mijn visie wat uitgebreider uiteen te zetten. Het spreekt voor zich dat mijn visie de katholieke visie is.
Zijne heiligheid paus Pius XII heeft het prima verwoord in een encycliek. Ik zal de gehele encycliek hier plaatsen opdat mensen er kennis van kunnen nemen.
Voor de mensen die niet weten wat een encycliek is:
http://www.katholiekneder...etail_objectID575465.html
MYSTICI CORPORIS CHRISTI
Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus
Paus Pius XII - 29 juni 1943
Inleiding
De grootsheid van deze leer, haar nut vooral in deze tijdDe leer over het mystieke lichaam van Christus, dat de Kerk is, een leer, die het eerst werd vernomen van de lippen van de Verlosser zelf, plaatst in het volle licht de grote, nooit volprezen weldaad van onze innige vereniging met een zo verheven Hoofd. Ongetwijfeld is deze leer van die aard, dat zij door haar voortreffelijkheid en waardigheid alle mensen, die zich door de goddelijke Geest laten leiden, tot haar beschouwing uitnodigt en hen, doordat zij het verstand verlicht, ten zeerste aanspoort tot de heilzame werken, die met haar inhoud in overeenstemming zijn. Derhalve menen wij, dat het onze taak is, om door middel van deze encycliek met u over dit onderwerp te spreken, vooral die punten ontvouwend en uiteenzettend, welke de strijdende Kerk betreffen. Daartoe worden wij niet slechts bewogen door de buitengewone grootsheid van deze leer, maar ook door de omstandigheden, waarin wij leven.
Troost in de ellende van deze tijd Wij willen namelijk spreken over de rijkdommen, die liggen opgestapeld in de schoot van de Kerk, die Christus verworven heeft door Zijn Bloed (Hand. 20, 28) en wier ledematen zich beroemen op een Hoofd, dat met doornen gekroond is, wel een sprekend getuigenis, dat juist het meer glorievolle en uitnemende slechts uit smarten wordt geboren, en dat het derhalve ons zelfs een vreugde moet zijn, wanneer wij delen in het lijden van Christus, opdat wij ook bij het verschijnen van Zijn glorie ons blijde mogen verheugen.
De vervolging en miskenning der KerkNu moet er op de eerste plaats de aandacht op gevestigd worden, dat, zoals de Verlosser van het menselijk geslacht vervolgingen, lasteringen en folteringen heeft ondervonden juist van degenen, wier heil Hij was komen bewerken, zo ook de door Hem ingestelde gemeenschap ook hierin op haar goddelijke Stichter gelijkt. Immers, ofschoon wij niet ontkennen, ja zelfs veeleer met een Gode dankbaar hart erkennen, dat er ook in deze woelige tijd niet weinigen zijn, die, hoewel van de kudde van Jezus Christus gescheiden, toch tot de Kerk opzien als tot de enige haven van heil, is het ons niettemin geenszins onbekend, dat niet alleen de Kerk Gods veracht wordt en dat er met vijandige hoogmoed op haar wordt afgedongen door degenen, die met versmading van het licht der christelijke wijsheid, treurigerwijze terug willen naar de leerstelsels, de zeden en de instellingen van de heidense oudheid; maar dat zij ook dikwijls miskenning vindt, niet in tel is en zelfs een zekere afkeer en tegenzin opwekt bij meerdere christenen, verleid door de schone schijn van dwalingen of onder de ban geraakt van de verlokking en het bederf der wereld. Er is dus alle reden, eerbiedwaardige broeders, om, gevolg gevend aan onze gewetensplicht en aan veler wensen, aan allen voor ogen te stellen en te verkondigen de schoonheid, de lof en de roem van de Moederkerk, aan wie wij na God alles hebben te danken.
De vruchten der behandeling van dit onderwerp voor de gelovige christenenEr is ook gegronde hoop, dat onze onderrichtingen en vermaningen, in de huidige omstandigheden, bij de christengelovigen overvloediger vruchten zullen voortbrengen; aangezien wij weten, dat de vele beproevingen en smarten van deze stormachtige tijd, waardoor bijna ontelbare mensen zo zwaar beproefd worden, indien zij als uit Gods hand met berustende gelatenheid gewillig worden aanvaard, hun harten als van nature van het aardse en vergankelijke afwenden naar het hemelse en eeuwig blijvende en in hen wakker roepen een soort verborgen dorst en een hevig verlangen naar het geestelijke; daardoor voelen zij zich, gedreven door de goddelijke Geest, aangespoord en als het ware genoopt om met meer ijver het rijk Gods te zoeken. Het lijdt immers geen twijfel, dat de mensen des te geschikter worden om het licht van de bovenaardse geheimenissen waar te nemen,naarmate zij zich meer los moeten maken van de ijdelheden van deze wereld en van de ongeregelde liefde tot het tijdelijke. Welnu, heden ziet men, wellicht duidelijker dan ooit, de onbestendigheid en leegheid van het aardse, doordat rijken en staten ineenstorten, doordat ontzaglijke schatten en allerlei rijkdommen verzinken in de onmetelijke oceanen, en doordat steden, dorpen en vruchtbare landstreken met verschrikkelijke puinen worden overdekt en door broedermoord besmet.
Het nut voor de andersdenkenden Bovendien vertrouwen wij, dat hetgeen wij aanstonds over het mystieke lichaam van Jezus Christus zullen uiteenzetten, niet onwelkom en niet zonder nut zal zijn ook voor degenen, die van de schoot der katholieke Kerk gescheiden zijn, en dit niet alleen, omdat hun welwillendheid jegens de Kerk van dag tot dag schijnt toe te nemen, maar ook hierom: zij zien hoe op het ogenblik volk tegen volk en rijk tegen rijk opstaat en hoe tweedracht, afgunst en aanleidingen tot onenigheid tot in het oneindige uitgroeien: als zij dan hun blikken op de Kerk slaan, als zij haar van Godswege ontvangen eenheid beschouwen - waardoor alle mensen, van welke stam ze ook zijn, als in een broederbond met Christus verbonden worden - dan zullen zij zich ongetwijfeld gedwongen voelen een dergelijke liefdegemeenschap te bewonderen en zij zullen, onder ingeving en met de hulp van de goddelijke genade, zich er toe aangetrokken voelen om deel uit te maken van dezelfde eenheid en liefde.
De sprekende eenheid der christenheid bij het bisschopsjubilé van de paus.Er is ook een bijzondere, en wel een zeer aangename reden, waarom juist dit leerstuk ons voor de geest komt en ons ten zeerste verheugt. Gedurende het afgelopen jaar immers, het vijf en twintigste na het ontvangen van onze bisschopswijding, hebben wij, tot onze grote troost, iets gezien, dat overal ter wereld een duidelijk en lichtend beeld te aanschouwen gaf van het mystieke lichaam van Jezus Christus. Wij zagen namelijk, hoe, terwijl de broedergemeenschap der volken zo rampzalig door een langdurige oorlog op leven en dood verbroken was, overal al onze kinderen in Christus, één van wil en liefde, zich wendden tot de gemeenschappelijke vader, die de zorgen en angsten van allen tot de zijne maakt en het schip van de katholieke Kerk in zulk een ongunstig getij bestuurt. Daarbij hebben wij niet alleen de wonderbare eenheid van het christenvolk opgemerkt, maar tevens werd ons overduidelijk, dat, evenals wij alle volkeren, van welke nationaliteit ook, in onze vaderliefde insluiten, zo ook van alle kanten de katholieken van alle volkeren, ook al hebben deze tegen elkander het zwaard getrokken, tot de plaatsbekleder van Jezus Christus opzien als tot aller gezamenlijke, zeer geliefde vader, die, geleid door volkomen onpartijdigheid en een onvertroebeld oordeel en staande boven de storm en de verwarring van de menselijke woelingen, aandringt op waarheid, rechtvaardigheid en liefde, en ze naar vermogen beschermt.
Deze encycliek wil een getuigenis zijn van de dankbaarheid van de pausNiet minder troostte het ons te vernemen, dat men spontaan en met liefde een som gelds heeft verzameld, waardoor het mogelijk is te Rome een heiligdom op te richten, dat toegewijd zal worden aan onze heilige voorganger en naampatroon Eugenius I. Zoals dus door deze tempel, die tot stand zal komen door de vrijwillige bijdragen van alle christengelovigen, de gedachtenis aan dit gelukkig gebeuren vereeuwigd zal worden, zo wensen wij getuigenis af te leggen van onze dankbaarheid door middel van deze encycliek, waarin sprake is van die levende stenen, die op de levende hoeksteen, Christus, te zamen opgebouwd worden tot een heilige tempel, veel verhevener dan welke met handen gemaakte tempel ook, namelijk tot een woning van God in de Geest.
De voornaamste beweegreden is de herderlijke bezorgdheid van de pausVoornamelijk echter is het wegens onze herderlijke bezorgdheid, dat wij op het ogenblik vrij uitvoerig over deze verheven leer handelen. Er is immers veel over dit onderwerp verschenen en wij weten heel goed, dat niet weinigen heden ten dage zich met grote toeleg aan de studie er van wijden, en daar- door aan de godsvrucht der christenen een verkwikkend voedsel bieden. Dat schijnt wel daarin zijn voornaamste verklaring te vinden, dat de hernieuwde belangstelling voor de heilige liturgie en het veelvuldiger ontvangen van de eucharistische spijs en ten slotte de vuriger verering van het allerheiligst Hart van Jezus, waarover wij ons heden ten dage mogen verheugen, velen er toe gebracht hebben dieper door te dringen in de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, die in de Kerk worden bewaard. Bovendien hebben de in de laatste tijd verschenen officiële stukken betreffende de Katholieke Actie er zonder twijfel niet weinig toe bijgedragen om deze stof in het licht te plaatsen, aangezien zij de banden tussen de christenen onderling en met de kerkelijke hiërarchie en op de eerste plaats met de paus steeds nauwer aanhaalden. Al kunnen wij ons ook met volle recht verheugen over hetgeen wij hierboven aanstipten, toch valt het niet te ontkennen, dat er niet alleen door hen, die van de Kerk gescheiden zijn, ernstige dwalingen aangaande deze leer verspreid worden, maar dat er ook onder de christengelovigen óf minder juiste óf geheel valse meningen in omloop zijn, die de geesten van het rechte pad der waarheid afbrengen.
Want enerzijds leeft nog steeds het voorgewende rationalisme, dat al wat de krachten van het menselijk verstand te boven gaat of deze dwingt zich gewonnen te geven, als een grote dwaasheid beschouwt; een verwante dwaling gaat er mee gepaard - men zou het een plat naturalisme kunnen noemen -, die in de Kerk niets anders ziet noch zien wil dan louter juridische en sociale banden; anderzijds sluipt een vals mysticisme binnen, dat in zijn poging om de onwrikbare grenspalen tussen schepsel en Schepper omver te werpen de H. Schrift verkracht.
Deze tegengestelde, onderling tegenstrijdige en valse verzinsels hebben tot gevolg, dat sommigen uit ongegronde vrees deze hogere leer als iets gevaarlijks beschouwen, ja, er van terugschrikken als van een schone, maar verboden paradijsappel. Dit zij verre:de door God geopenbaarde geheimen kunnen de mens immers niet verderfelijk zijn en ook mogen zij niet zonder vrucht blijven gelijk de in de akker verborgen schat; maar zij werden van Godswege medegedeeld,opdat zij zouden bijdragen tot de geestelijke vooruitgang van hen, die ze godvruchtig beschouwen. Want, zoals het (Eerste) Vaticaans Concilie leert, "wanneer de door het geloof verlichte rede ijverig, godvruchtig en bescheiden zoekt, dan komt zij met Gods hulp tot enig,maar dan ook allervruchtbaarst inzicht in de geheimen, zowel uit de analogie met wat zij van nature kent, als uit de samenhang der mysteries onderling en met het laatste doel van de mens"; toch is zij, zoals het heilig concilie zelf in herinnering roept, "nooit instaat om ze te doorschouwen gelijk de waarheden,die haar eigen voorwerp uitmaken."
Doel en hoofdverdeling van de encycliekDit alles hebben wij voor God rijp overwogen. Opdat nu de schoonheid van de Kerk in nieuwe glorie strale, opdat de buitengewone bovennatuurlijke adel der gelovigen, die in het lichaam van Christus met hun Hoofd verbonden worden, duidelijker worde gekend; opdat ten slotte met betrekking tot dit punt alle dwalingen worden geweerd; hebben wij gemeend, dat het tot onze herderlijke plicht behoort om door middel van deze encycliek aan de gezamenlijke christelijke kudde de leer voor te stellen over het mystieke lichaam van Jezus Christus en over de vereniging van de gelovigen met de goddelijke Verlosser in dat lichaam; en om tevens uit die heerlijke leer enige bepaalde punten naar voren te brengen, waardoor het dieper onderzoek van dit geheim steeds overvloediger vruchten van volmaaktheid en heiligheid kan dragen.
DEEL 1
De Kerk, het mystieke lichaam van Christus
Bij het overdenken van de hoofdinhoud van deze leer komen ons aanstonds de woorden van de apostel voor de geest: "Waar de zonde tot overvloed kwam, won in overvloed de genade." (Rom. 5, 20) Het staat immers vast, dat de stamvader van het gehele menselijk geslacht door God in zulk een verheven staat was geplaatst, dat hij aan zijn nakomelingen tegelijk met het aardse ook het bovennatuurlijke leven der hemelse genade moest doorgeven. Evenwel, na Adams ongelukkige val, werd het gehele mensengeslacht met de erfzonde besmet en het verloor het deelgenootschap aan de goddelijke natuur, en allen werden wij kinderen van toorn. (Ef. 2, 3) Maar de erbarmingsvolle God "heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn eengeboren Zoon heeft gegeven" (Joh. 3, 16), en het Woord van de eeuwige Vader nam door diezelfde goddelijke liefde gedreven uit het geslacht van Adam een menselijke natuur aan, die echter onschuldig en van alle smet vrij was, opdat uit de nieuwe en hemelse Adam de genade van de Heilige Geest op al de zonen van de stamvader zou neerstromen; zo zouden dezen, die door de zonde van de eerste mens van de aanneming tot het goddelijk kindschap beroofd waren, naar het vlees broeders geworden van de eengeboren Zoon van God, de macht ontvangen kinderen Gods te worden. En zo heeft Christus Jezus hangend aan het kruis niet alleen herstel gebracht aan de geschonden gerechtigheid van de eeuwige Vader, maar ook voor ons, Zijn bloedverwanten, een onuitsprekelijke genadenovervloed verdiend. Deze had Hij zelf onmiddellijk en persoonlijk aan het gehele mensengeslacht kunnen uitdelen; Hij wilde dit echter doen door middel van een zichtbare uit de mensen te vormen Kerk, opdat door haar allen Hem tot op zekere hoogte hun medewerking zouden verlenen in de uitdeling van de vruchten der verlossing. Want zoals het Woord Gods, om door Zijn smarten en folteringen de mens te verlossen, onze natuur wilde gebruiken, zo benut datzelfde Woord op bijna dezelfde wijze in de loop der eeuwen Zijn Kerk om het begonnen werk te bestendigen.
Welnu, om deze waarachtige Kerk van Christus - die de heilige, katholieke, apostolische, Roomse Kerk is - nader te bepalen en te beschrijven, vindt men niets edelers, niets voortreffelijkers, niets goddelijkers ten slotte dan de uitdrukking, volgens welke zij genoemd wordt "het mystieke lichaam van Jezus Christus"; deze uitdrukking nu vloeit voort en bloeit als het ware op uit hetgeen de heilige boeken en de geschriften der Vaders veelvuldig voorhouden.
EERSTE HOOFDSTUK
De Kerk een "lichaam"
a. Een, onverdeeld, zichtbaar Dat de Kerk een lichaam is, verkondigen de uitspraken van de H. Schrift dikwijls. "Christus" zegt de apostel, "is het Hoofd van het Lichaam, de Kerk." (Kol. 1, 18) Indien de Kerk een lichaam is, dan moet zij ook iets zijn, dat één en onverdeeld is, volgens het woord van Paulus: "Wij vormen in Christus met velen één lichaam." (Rom. 12, 5) En niet slechts moet zij iets zijn, dat één is en onverdeeld, maar tevens iets concreets en zichtbaars, zoals onze voorganger Leo XIII z.g. in zijn encycliek Satis Cognitum bevestigt: "Omdat de Kerk een lichaam is, daarom is zij met de ogen waarneembaar." Daarom dwalen diegenen van de goddelijke waarheid af, die zich de Kerk zo voorstellen, dat zij met de zintuigen niet waarneembaar of zichtbaar is, maar slechts iets "pneumatisch",waardoor de verschillende christelijke kerkgenootschappen, ofschoon in het geloof van elkander gescheiden, toch onderling verbonden worden, al ontbreekt ook een zichtbare band.
Een lichaam echter vereist ook een veelheid van ledematen, die onderling zo verbonden zijn, dat zij elkander helpen. En zoals in ons sterfelijk wezen alle overige ledematen, wanneer één lidmaat lijdt, delen in de pijn en de gezonde ledematen bijstand verlenen aan de zieke: zo leven ook in de Kerk de afzonderlijke ledematen niet uitsluitend elk voor zich, maarzij helpen ook de andere, en allen bewijzen elkander hulpbetoon, zowel tot onderlinge vertroosting als tot steeds verdere opbouw van het gehele lichaam.
b. Organisch, hiërarchisch verbonden Daarenboven, gelijk in de natuur niet uit ieder willekeurig bijeenplaatsen van ledematen een lichaam ontstaat, maar daartoe een samenstel vereist wordt van organen, dat wil zeggen ledematen, die niet alle hetzelfde werk verrichten en die op geschikte wijze zijn geordend: zo ook moet men de Kerk voornamelijk daarom een lichaam noemen, omdat haar eenheid ontstaat uit de juiste en doelmatige verhouding en samenvoeging van de delen, en omdat zij voorzien is van ledematen, die, hoewel verschillend, toch bij elkander passen. Ook de apostel beschrijft de Kerk niet anders, wanneer hij zegt: "Zoals... wij in één lichaam vele ledematen hebben, en toch al die ledematen niet hetzelfde werk verrichten, zo zijn wij, ofschoon velen, in Christus één lichaam, maar ieder afzonderlijk zijn wij ledematen ten opzichte van elkander." (Rom. 12, 4)
Men moet echter volstrekt niet menen, dat deze geordende of zogenaamde "organische" bouw van het lichaam der Kerk alleen bestaat uit de graden der hiërarchie en zich tot haar beperkt; of dat zij, zoals de tegenovergestelde mening houdt, uitsluitend bestaat uit charismatisch begaafden, hoewel deze, met wonderbare gaven uitgeruste leden, nooit in de Kerk zullen ontbreken. Zeker, men moet er onvoorwaardelijk aan vasthouden, dat degenen, die in zulk een lichaam een gewijde macht bezitten, tot de aanzienlijkste en voornaamste ledematen behoren, omdat in hen, krachtens de opdracht zelf van de goddelijke Verlosser, de ambten van Christus-leraar, -koning en -priester bestendigd worden. Maar wanneer de kerkvaders breedvoerig de bedieningen, graden, beroepen, standen, rangen en ambten van dit lichaam verheerlijken, dan hebben zij zeer terecht niet slechts hen op het oog, die de heilige wijdingen ontvangen hebben; maar ook hen, die, de evangelische raden volgen en ofwel onder de mensen een werkzaam, ofwel in stilte een verborgen leven leiden, of die beide volgens de eigen aard van hun instituut trachten te verwezenlijken; en ook hen, die hoewel in de wereld levend, zich toch ijverig wijden aan de werken van geestelijke en lichamelijke barmhartigheid; en ten slotte ook hen, die door een rein huwelijk zijn verbonden. Ja, zelfs moet er de aandacht op gevestigd worden, dat juist in de huidige omstandigheden de huisvaders en de huismoeders, alsook depeters en de meters en met name diegenen onder de leken, die de kerkelijke hiërarchie behulpzaam zijn bij de uitbreiding van het rijk van de goddelijke Verlosser, een eervolle, zij het ook dikwijls nederige plaats innemen in de christelijke gemeenschap; en dat ook zij, onder de stuwing van Gods genade, kunnen opklimmen tot de hoogste heiligheid, die volgens de beloften van Jezus Christus nooit in de Kerk zal ontbreken.
c. Toegerust met "levengevende organen" of sacramentenZoals echter het menselijk lichaam met eigen werktuigen voorzien is om te zorgen voor het leven, de gezondheid en de groei van zichzelf en van de afzonderlijke ledematen: zo heeft ook de Zaligmaker van het menselijk geslacht in Zijn oneindige goedheid op wonderbare wijze zorg gedragen voor Zijn mystiek lichaam, en het met de sacramenten verrijkt, waardoor de ledematen als langs even zovele ononderbroken treden van genade vanaf de wieg tot aan de laatste ademtocht ondersteund zouden worden en waardoor tevens rijkelijk zou worden voorzien in de sociale behoeften van het gehele lichaam.
Zij immers, die voor dit sterfelijk leven worden geboren, worden niet slechts door middel van het bad van het doopsel uit de dood der zonde herboren en tot ledematen der Kerk gemaakt, maar hun wordt ook een geestelijk merkteken ingedrukt, waardoor zij in staat worden gesteld en de geschiktheid krijgen om de overige sacramenten te ontvangen. Door de zalving van het vormsel wordt de gelovige nieuwe kracht ingestort om de Moederkerk en het van haar ontvangen geloof moedig te beschermen en te verdedigen. Het sacrament van de biecht verschaft aan de ledematen van de Kerk, die in zonde gevallen zijn, een heilzaam geneesmiddel, dat niet alleen hun eigen zieleheil ten goede komt, maar waardoor ook van de andere ledematen van het mystieke lichaam het gevaar voor besmetting wordt verwijderd en hun bovendien de aansporing van het goede voorbeeld wordt gegeven. Meer nog: door de H. Eucharistie worden de gelovigen door één en dezelfde spijze gevoed en gesterkt en onderling en met het goddelijk Hoofd van het gehele lichaam verbonden door een onuitsprekelijke en goddelijke band. En wanneer ten slotte iemand dodelijk ziek is, dan staat aan het ziekbed de Moederkerk; want al verleent zij door het heilig oliesel niet altijd de gezondheid van dit sterfelijk lichaam, daar God anders beschikt, zo schenkt zij toch een bovennatuurlijk geneesmiddel aan de gewonde zielen om zo nieuwe burgers, die haar tot nieuwe beschermers zullen zijn, ten hemel te zenden, waar zij in alle eeuwigheid de goddelijke goedheid zullen genieten.
Verder voorzag Christus in de sociale behoeften van de Kerk nog op bijzondere wijze door de instelling van twee sacramenten. Want het huwelijk, waardoor de echtgenoten voor elkander bedienaren van genade zijn, voorziet in de uitwendige en regelmatige groei van de christelijke gemeenschap; en, wat van groter belang is, het voorziet ook in een goede en godsdienstige opvoeding van de kinderen, zonder welke dit mystieke lichaam zeer ernstig in gevaar zou komen. Door het heilig priesterschap vervolgens worden tot Gods eigendom gewijd degenen, die bestemd zijn om het eucharistisch offer op te dragen, de gelovigen te voeden met het Brood der engelen en het voedsel van de leer, hen te leiden door goddelijke voorschriften en raadgevingen en ten slotte hen door de overige bovennatuurlijke gaven te versterken.
Daarbij valt op te merken, dat, zoals God in het begin van de tijd de mens met het lichaam als met een prachtig werktuig toerustte, opdat hij daarmede al het geschapene aan zich zou onderwerpen, zich zou vermenigvuldigen en de aarde vervullen, Hij eveneens in het begin van het christelijk tijdperk de Kerk met de nodige hulpmiddelen heeft voorzien, opdat zij de bijna ontelbare gevaren te boven zou komen en niet alleen de gehele wereld, maar ook het hemelrijk zou bevolken.
d. Bestaande uit bepaalde leden Men moet echter alleen hen werkelijk tot de ledematen der Kerk rekenen, die het bad van de wedergeboorte hebben ontvangen en het ware geloof belijden, en niet zichzelf ongelukkig van het lichaam hebben losgescheurd of om zware misdrijven door het wettig gezag uitgesloten zijn. De Apostel zegt: "Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn wij in één Geest tot één lichaam gedoopt." (1 Kor. 12, 13) Zoals er dus in de ware gemeenschap der christengelovigen slechts één lichaam is, één Geest, één Heer en één doopsel, zo kan er ook maar één geloof zijn. Ja, ook hij, die weigert naar de Kerk te luisteren, moet volgens het bevel van de Heer beschouwd worden als een heiden en tollenaar. En daarom kunnen zij, die onderling verdeeld zijn, doordat zij niet hetzelfde geloof of hetzelfde gezag erkennen, niet in dit éne mystieke lichaam noch uit zijn éne goddelijke Geest leven.
e. De zondaren niet uitgesloten Ook moet men, om het feit dat het lichaam der Kerk Christus' naam voert, niet menen, dat het, ook gedurende de tijd van zijn aardse pelgrimstocht, slechts bestaat uit ledematen, die in heiligheid uitmunten, of dat het uitsluitend gevormd wordt door de groep, die door God tot de eeuwige zaligheid is voorbestemd. Want het is aan de oneindige barmhartigheid van onze Zaligmaker te danken, dat Hij hier in Zijn mystieke lichaam ook hun een plaats niet ontzegt, die Hij eens aan het gastmaal geen plaats weigerde. Immers, niet ieder misdrijf, ook al is het een zware zonde, is van die aar 5 dat het - zoals scheurmakerij of ketterij of afval - uiteraard de mens van het lichaam der Kerk uitsluit. Ook is nog niet alle leven geweken uit degenen, die, ofschoon ze door te zondigen de liefde en de goddelijke genade verloren en dus niet meer in staat zijn tot bovennatuurlijke verdiensten, toch het geloof en de christelijke hoop behouden en onder de verlichting van het hemels licht in het diepst van hun ziel door de aandrang van de Heilige Geest tot heilzame vrees worden geprikkeld en door God worden aangezet tot gebed en tot berouw over hun val.
Dat allen dus een afschrik hebben voor de zonde,waardoor de mystieke ledematen van de Verlosser besmet worden; wie echter jammer genoeg misdeed maar zich de gemeenschap der christengelovigen niet door hardnekkigheid onwaardig maakte, worde met grote liefde opgenomen, en men zie in hem met dadenrijke liefde een ziek lidmaat van Jezus Christus. Want zoals de bisschop van Hippo opmerkt, het is beter"genezen te worden binnen het verband der Kerk,dan van haar lichaam afgesneden te worden als ongeneeslijke ledematen." "Want men behoeft niet te wanhopen aan de genezing van wat nog met het lichaam verbonden is; maar wat afgesneden is, kan niet verzorgd noch geheeld worden."
TWEEDE HOOFDSTUK
De Kerk, het "lichaam" van Christus
Tot nu toe, eerbiedwaardige broeders, zagen wij in onze uiteenzetting, hoe de Kerk zo is ingericht,dat zij met een lichaam vergeleken kan worden; nu moeten wij nog uiteenzetten en nauwkeurig verklaren, waarom zij niet een of ander willekeurig lichaam,maar het lichaam van Jezus Christus moet worden genoemd. Dit nu ligt besloten in het feit, dat onze Heer van dit mystieke lichaam de Stichter, het Hoofd,de Instandhouder en de Zaligmaker is.
ARTIKEL 1
Christus de "Stichter" van de Kerk
Nu wij in het kort willen uiteenzetten, op welke wijze Christus Zijn sociale lichaam heeft gesticht, komt ons aanstonds deze uitspraak van onze voorganger Leo XIII z.g. voor de geest: "De Kerk, die, reeds vroeger ontvangen, uit de zijde zelf van de tweede Adam geboren werd, toen deze als het ware sluimerde op het kruis, trad op de hoogdag van Pinksteren voor het eerst en op uitnemende wijze in het licht der openbaarheid." Want de goddelijke Verlosser begon de bouw van de geheimzinnige tempel der Kerk, toen Hij al predikend Zijn leer mededeelde; Hij voltooide ze, toen Hij verheerlijkt aan het kruis hing; ten slotte maakte Hij ze bekend en kondigde ze openlijk af, toen Hij op zichtbare wijze de Geest, de Vertrooster, over Zijn leerlingen uitzond.
a. Door de prediking van het Evangelie Terwijl Hij namelijk het predikambt vervulde, koos Hij de apostelen uit en zond hen, zoals Hij zelf gezonden was door de Vader (Joh. 17, 18), als leraars namelijk, als bestuurders en als bewerkers van heiligheid in de gemeenschap der gelovigen; Hij wees hun hoofd, tevens Zijn plaatsbekleder op aarde aan; alles wat Hij van de Vader gehoord had, maakte Hij hun bekend (Joh. 15, 15); Hij gaf ook het doopsel, waardoor de toekomstige gelovigen in het lichaam van de Kerk moesten worden ingelijfd; en ten slotte stelde Hij het wonderbaar offer en het wonderbare sacrament, de Eucharistie, in, toen Hij op de vooravond van Zijn dood het laatste avondmaal vierde.
b. Door Zijn lijden op het kruis Dat Hij echter Zijn werk op het kruishout voltooide,verzekeren de heilige Vaders in een ononderbroken reeks van getuigenissen; zij vestigen er de aandacht op, dat de Kerk op het kruis uit de zijde van de Zaligmaker werd geboren als de nieuwe Eva, de moeder van alle levenden. "En nu wordt zij gebouwd" aldus de grote Ambrosius, handelend over Christus' doorboorde zijde, "en nu... neemt zij gestalte aan, en nu wordt zij geschapen... Nu rijst het geestelijk huis op tot een heilig priesterdom." Wie deze eerbiedwaardige leer nauwkeurig onderzoekt, kan zonder moeite de gronden onderscheiden, waarop zij steunt.
Vooreerst werd door de dood van de Verlosser de oude wet afgeschaft en door het Nieuwe Testament vervangen; toen is de wet van Christus tezamen met haar geheimen, wetten, instellingen en gewijde riten voor de gehele aarde bekrachtigd in het Bloed van Jezus Christus. Want, zolang de goddelijke Zaligmaker in een klein land predikte - Hij was immers alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël - stonden wet en Evangelie naast elkander ; maar op het kruishout, waaraan Hij stierf, deed Jezus de wet met haar bepalingen teniet ; het handschrift van het Oude Testament hechtte Hij aan het kruis [[bLKol. 2, 14]], en in Zijn Bloed, dat Hij voor het gehele mensengeslacht vergoot, stichtte Hij het Nieuwe Testament. "Toen heeft", aldus de H. Leo de Grote sprekend over het kruis des Heren, "zo klaarblijkelijk de overgang plaats gehad van de wet tot het Evangelie, van de synagoge tot de Kerk, van de vele offers tot het éne Slachtoffer, dat, toen de Heer de geest gaf, het geheimzinnig voorhangsel, dat het binnenste van de tempel en het verborgen heiligdom afsloot, plotseling van boven tot onder scheurde."
Op het kruis is derhalve de oude wet gestorven, om daarna als verwekster van de dood begraven te worden, en plaats te maken voor het Nieuwe Testament, waarvoor Christus als de geëigende bedienaren de apostelen had uitgekozen: uit kracht ook van het kruis oefent onze Zaligmaker, ofschoon Hij reeds in de schoot der H. Maagd tot Hoofd van geheel de mensenfamilie was gesteld, het ambt van hoofd in de volle zin van het woord in de Kerk uit. "Want", zo zegt de engelachtige en algemene leraar, "door de overwinning op het kruis verdiende Hij de macht en de heerschappij over de volkeren" ; door die overwinning vermeerderde Hij voor ons tot in het onmetelijke die schat van genaden, die Hij, glorievol heersend in de hemel, over Zijn sterfelijke ledematen onophoudelijk uitstort; door het vergieten van Zijn Bloed op het kruis maakte Hij een einde aan de toorn Gods, het beletsel aller genaden, en bewerkte zo, dat alle hemelse gaven, vooral de geestelijke goederen van het nieuwe en eeuwige testament, uit de bronnen van de Zaligmaker tot heil van de mensen en bovenal van de gelovigen konden uitstromen; op het kruishout ten slotte verwierf Hij Zich Zijn Kerk, dat wil zeggen alle ledematen van Zijn mystieke lichaam, daar deze immers door de afwassing van het doopsel niet in de eenheid van dit lichaam zouden worden opgenomen, tenzij door de zaligmakende kracht van het kruis, waardoor zij reeds volkomen onder de heerschappij van Christus gesteld waren.
Zo is dus onze Zaligmaker door Zijn dood, in de volle en volledige zin van het woord, het Hoofd van de Kerk geworden; door Zijn Bloed .Ook is de Kerk verrijkt met die overvloedige uitstorting van de Geest, waardoor zij, sinds de Mensenzoon op Zijn smartelijk kruis werd verheven en daaraan werd verheerlijkt, in goddelijke luister schittert. Toen immers is het gebeurd, zo merkt Augustinus op, dat na het scheuren van de tempelvoorhang, de dauw der liefdegaven van de Vertrooster, die tot dan toe alleen op de schaapsvacht, dat wil zeggen op het volk van Israël, was neergedaald, nu, terwijl de schaapsvacht droog bleef liggen, de gehele aarde, dat wil zeggen de katholieke Kerk, die door geen grenzen van stam of staat zou worden ingeperkt, op ruime en overvloedige wijze bevochtigde. Zoals derhalve op het eerste ogenblik van de Menswording, de Zoon van de eeuwige Vader de menselijke natuur, die Hij in zelfstandige eenheid aannam, met de volheid van de Heilige Geest zalfde, om er een geschikt werktuig van te maken voor het bloedige Verlossingswerk, zo wilde Hij ook, in het uur van Zijn kostbare dood, Zijn Kerk met de meest overvloedige gaven van de Vertrooster verrijkt zien, opdat zij bij de uitdeling van de goddelijke vruchten der Verlossing, een krachtig werktuig van het mens geworden Woord zou worden, een nooit in gebreke blijvend werktuig. Immers, de juridische zending van de Kerk en haar macht om te onderrichten, te besturen en de sacramenten toe te dienen, hebben juist daarom een hemelse kracht en uitwerking bij de opbouw van het lichaam van Christus, omdat Christus hangend aan het kruis de bron van de goddelijke goederen voor Zijn Kerk ontsloot, waardoor zij aan de mensen een nooit falende leer zou kunnen verkondigen en hen door van Godswege verlichte herders op heilzame wijze zou kunnen besturen en de overvloedigste hemelse genaden over hen zou kunnen uitstorten.
Wanneer wij al deze kruisgeheimen aandachtig beschouwen, dan zien wij heel helder de betekenis van die woorden van de apostel, waarmede hij aan de Ephesiërs leert, dat Christus door Zijn Bloed de Joden en de heidenen heeft één gemaakt, "doordat Hij in Zijn Vlees... de scheidsmuur... afbrak", die de beide volkeren van elkander scheidde; eveneens dat Hij de oude wet heeft opgeheven, "om beiden in Zichzelf tot één nieuwe mens om te scheppen", namelijk de Kerk; en beiden in één lichaam met God door het kruis te verzoenen.
c. Door de afkondiging- van de Kerk op de Pinksterdag De Kerk nu, die Hij door Zijn Bloed heeft gesticht,heeft Hij op de Pinksterdag met een bijzondere, uit de hemel neergedaalde kracht versterkt. Immers na degene, die Hij reeds eerder als Zijn plaatsbekleder had aangewezen, in zijn verheven ambt plechtig te hebben bevestigd, steeg Hij ten hemel op; en zittend aan de rechterhand van de Vader, wilde Hij Zijn bruid onder het ruisen van een hevige wind en de verschijning van vurige tongen, door de zichtbare komst van de Heilige Geest openbaren en haar waardigheid bekend maken. Want, zoals Hij zelf bij het begin van de uitoefening van Zijn predikambt door Zijn eeuwige Vader door middel van de Heilige Geest, die onder de gedaante van een duif neerdaalde en over Hem bleef 19 , werd bekend gemaakt; zo heeft ook Christus de Heer, toen de apostelen hun verheven leraarstaak zouden gaan beginnen, Zijn Geest uit de hemel neergezonden, die in de vurige tongen op hun hoofd rustte en de hemelse zending van de Kerken haar hemels ambt als met een vinger van Gods hand aanduidde.
ARTIKEL 2
Christus "Hoofd" van het lichaam
Dat dit mystieke lichaam, dat is de Kerk, de naam van Christus draagt, volgt op de tweede plaats hieruit, dat Hij werkelijk door allen als haar Hoofd moet worden beschouwd. Paulus zegt: "Hij is het Hoofd van het lichaam, de Kerk." (Kol. 1, 18) Hij is het Hoofd, waardoor heel het lichaam in de juiste samenstelling wordt bijeengehouden en toeneemt en zijn groei voltrekt tot eigen opbouw.
Gij zijt er van op de hoogte, eerbiedwaardige broeders, welk een helder licht de uitspraken uitstralen van de meesters der scholastieke theologie, en vooral van de engelachtige en algemene leraar, in hun uiteenzettingen hierover; en het is u ongetwijfeld bekend, dat de bewijzen, die hij naar voren brengt, getrouw overeenstemmen met de opvattingen der heilige Vaders, die overigens slechts de uitspraken van de H. Schrift weergaven en nader verklaarden.
a. Op grond van Zijn verhevenheid Gaarne gaan wij er echter tot aller nut in het kort op in.
Vooreerst is het duidelijk, dat de Zoon van God en van de heilige Maagd op grond van Zijn bijzondere verhevenheid Hoofd van de Kerk moet worden genoemd. Het hoofd bevindt zich immers op de hoogste plaats. Wie staat er echter hoger dan Christus-God, die als het Woord van de eeuwige Vader, als "Eerstgeborene van heel de schepping" (Kol. 1, 15) moet worden erkend? Wie is er op een verhevener hoogte geplaatst dan Christus-mens, die, geboren uit de onbevlekte Maagd, de ware en natuurlijke Zoon van God is, en die vanwege de wondervolle en glorierijke opstanding, waarmede Hij uit de overwonnen dood verrees, leeft als "de Eerstgeborene der gestorvenen?" (Kol. 1, 18; Hand. 1, 5) Wie is er ten slotte hoger opgevoerd dan Hij, die als "de éne... middelaar tussen God en de mensen" (1 Tim. 2, 5) op waarlijk wonderbare wijze de aarde met de hemel verbindt; die, omhoog geheven aan het kruis, als op een troon van barmhartigheid, alles tot Zich heeft getrokken; en die, de Zoon des mensen uit duizenden uitverkoren, meer dan alle mensen, alle engelen en alle schepselen door God wordt bemind?
b. Op grond van Zijn bestuurDaar nu Christus een zo verheven plaats inneemt, is Hij alleen met volle recht de leider en bestuurder van de Kerk; en derhalve moet Hij ook om deze reden met een hoofd worden vergeleken. Zoals immers het hoofd - om de woorden van Ambrosius te gebruiken - de "koninklijke burcht" van het lichaam is 5 en door het hoofd, dat immers met verhevener gaven is bedacht, alle ledematen, waarboven het is geplaatst om voor hun welzijn te zorgen, van nature geleid worden, zo heeft ook de goddelijke Verlosser het roer van de gehele gemeenschap der christenen in handen. Daar nu evenwel de leiding hebben van een groep mensen niets anders betekent dan hen met vooruitziende zorg, met de geëigende middelen en op de juiste wijze tot het vastgestelde doel te voeren, is het gemakkelijk in te zien, dat onze Zaligmaker, die het lichtend voorbeeld der goede herders is, dit alles op volstrekt wonderbare wijze verwerkelijkt.
Want toen Hij nog op aarde verbleef, heeft Hij ons Zijn wetten, raadgevingen en vermaningen medegedeeld in woorden, die nooit voorbij zullen gaan en die voor de mensen van alle tijden geest en leven zullen zijn. En daarenboven gaf Hij aan Zijn apostelen en aan hun opvolgers een drievoudige macht, namelijk om te onderwijzen, om te besturen en om de mensen tot de heiligheid te voeren; en deze macht omschreef Hij met bijzondere voorschriften, rechten en verplichtingen en maakte ze tot grondwet van de gehele Kerk.
Maar onze goddelijke Zaligmaker leidt en bestuurt ook rechtstreeks en persoonlijk de gemeenschap, die Hij heeft gesticht. Hij heerst immers in de geesten en de harten der mensen en buigt en dwingt zelfs hun weerbarstige wil volgens Zijn welbehagen. "Het hart van een koning is in de hand van de Heer, Hij leidt het waarheen Hij wil." ({{Prov.}} 21, 1) En door die inwendige leiding draagt Hij niet alleen als "herder en leidsman van onze zielen" zorg voor de enkelingen, maar ook voor de gehele Kerk, wanneer Hij namelijk haar bestuurders verlicht en versterkt om de hun opgedragen taak getrouw en met vrucht te volbrengen; ofwel wanneer Hij - vooral in moeilijke tijdsomstandigheden - uit de schoot van de Kerk mannen en vrouwen, opwekt, die uitblinken in glans van heiligheid, om aan de overige christengelovigen tot voorbeeld te dienen tot grotere wasdom van Zijn mystiek lichaam. Hier komt nog bij, dat Christus vanuit de hemel op Zijn ongerepte bruid, die hier op aarde in ballingschap zwoegt, steeds met een heel bijzondere liefde neerziet. Want wanneer Hij haar in gevaar bemerkt, redt Hij haar uit de golven van de storm, ofwel met eigen hand, ofwel door middel van Zijn engelen, ofwel door middel van Zijn Moeder, die wij aanroepen als de hulp der christenen, of ook door andere hemelse patronen. En na het woelen van de zee te hebben gestild, troost Hij haar met die vrede, "die ieder begrip te boven gaat." (Fil. 4, 7)
Men moet echter niet menen, dat Zijn bestuur zich enkel op onzichtbare wijze of in buitengewone gevallen uit, daar de goddelijke Verlosser immers ook op zichtbare wijze en in de gewone gang van zaken Zijn mystiek lichaam door middel van Zijn plaatsbekleder op aarde bestuurt. Gij weet toch, eerbiedwaardige broeders, dat Christus de Heer, na gedurende Zijn sterfelijk bestaan "de kleine kudde" (Lc. 12, 32) persoonlijk, op zichtbare wijze te hebben geleid, kort voordat Hij deze wereld zou verlaten en naar de Vader zou terugkeren, het zichtbare bestuur van de' door Hem gestichte gemeenschap aan het hoofd der apostelen heeft toevertrouwd. In Zijn hoogste wijsheid kon Hij immers het maatschappelijk lichaam van de Kerk, dat Hij had ingericht, niet zonder zichtbaar hoofd achterlaten. Tegen deze waarheid kan men niet aanvoeren, dat door de instelling van het jurisdictie primaat in de Kerk, het mystieke lichaam een dubbel hoofd zou hebben ontvangen. Petrus is immers, op grond van zijn primaat, niets anders dan plaatsbekleder van Christus, en zo is er slechts één primair hoofd van dit lichaam, namelijk Christus. Deze houdt niet op, de Kerk op verborgen wijze persoonlijk te besturen, maar leidt die Kerk toch op zichtbare wijze door hem, die op aarde Zijn plaats inneemt; zij is immers na Christus' glorievolle hemelvaart niet meer op Hem alleen, maar ook op Petrus als zichtbaar fundament gebouwd. Dat Christus en Zijn plaatsbekleder slechts één hoofd vormen, heeft onze voorganger z.g. Bonifatius VIII door zijn apostolische brief Unam sanctam plechtig geleerd, en na hem hebben zijn opvolgers nooit opgehouden dit te herhalen.
Derhalve verkeren diegenen in een gevaarlijke dwaling, die menen, dat zij Christus als Hoofd van de Kerk kunnen aanhangen, zonder Zijn plaatsbekleder op aarde getrouw te volgen. Want door het wegnemen van dit zichtbare hoofd en het verbreken van de zichtbare eenheidsbanden, verduisteren en misvormen zij het mystieke lichaam van de Verlosser zozeer, dat zij, die de haven van het eeuwig heil zoeken, dit lichaam niet meer kunnen onderscheiden en vinden.
Wat wij echter hier over de algemene Kerk hebben gezegd, geldt ook voor de bijzondere gemeenschappen der christenen, zowel de Oosterse als de Latijnse, waaruit de éne katholieke Kerk bestaat en wordt opgebouwd, daar ook zij elk afzonderlijk door Christus Jezus door middel van de stem en de macht van haar eigen bisschop worden bestuurd. Daarom moeten de bisschoppen niet alleen als de meest uitstekende leden van de algemene Kerk worden beschouwd, daar zij door een volstrekt enige band met het goddelijk Hoofd van het gehele lichaam zijn verbonden, en dus met recht worden genoemd "de eersten der ledematen van de Heer" , maar wat zijn eigen bisdom betreft, weidt en bestuurt ieder van hen de hem bijzonder aangewezen kudde in naam van Christus als ware herder. Bij de uitoefening van deze taak zijn zij echter niet volkomen onafhankelijk, maar staan zij onder het bindend gezag van de paus van Rome, ofschoon zij in het bezit zijn van de gewone jurisdictiemacht, die hun onmiddellijk door de paus wordt medegedeeld. Zij moeten derhalve, als de door God gewilde opvolgers van de apostelen, door het volk worden geëerbiedigd; en meer nog dan op de bestuurders van deze wereld, zelfs op de allerhoogsten onder hen, slaat op de bisschoppen, gezalfd als zij zijn door de Heilige Geest, dit woord van de H. Schrift: "Wilt niet raken aan mijn gezalfden."
Wij worden dan ook zeer smartelijk getroffen door de berichten, dat niet weinigen van onze broeders in het episcopaat, om het feit dat zij in waarheid het voorbeeld van hun kudde zijn geworden 18 en het hun toevertrouwde heilige "pand van het geloof" 19 , zoals het behoort, krachtig en getrouw behoeden; om het feit dat zij aandringen op de onderhouding van de heilige wetten, die in de harten der mensen zijn gegrift en de hun toevertrouwde kudde naar het voorbeeld van de opperste Herder tegen de roofzuchtige wolven verdedigen, niet alleen te lijden hebben van vervolgingen en kwellingen tegen hun persoon, maar - wat voor hen nog wreder is en zwaarder te dragen valt - ook tegen de schapen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, de medewerkers in de apostolische arbeid, tot zelfs de Godgewijde maagden. Een dergelijk onrecht achten wij onszelf aangedaan en wij herhalen de verheven woorden van onze voorganger z.g. Gregorius de Grote: "Onze eer is de eer van de gehele Kerk; onze eer is de hechte voorspoed van onze broeders; en eerst dan worden wij naar waarheid geëerd, wanneer aan geen van hen de toekomende eer wordt geweigerd."
c. Op grond van de behoefte aan elkaar bij hoofd en ledematenMen moet echter niet denken, dat, aangezien Christus het Hoofd op zo'n verheven hoogte is geplaatst, Hij de hulp van het lichaam niet zou behoeven. Want ook van dit mystieke lichaam geldt, wat Paulus over het menselijk wezen zegt: "Het hoofd kan niet tot de voeten zeggen: ik heb u niet nodig." (1 Kor. 12, 21) Het is natuurlijk overduidelijk, dat de christengelovigen de hulp van de goddelijke Verlosser absoluut nodig hebben, daar Hij zelf heeft gezegd: "Zonder Mij kunt gij niets doen" (Joh. 15, 5), en daar, volgens de verklaring van de Apostel, iedere toename van dit mystieke lichaam tot zijn eigen opbouw afhangt van Christus het Hoofd. Maar ook hieraan moet men vasthouden, hoe verwonderlijk het ook schijnen moge, dat Christus zijn leden nodig heeft. En wel op de eerste plaats in zover de paus de plaats bekleedt van Jezus Christus, en deze, om niet onder de last van zijn herderlijk ambt te bezwijken, op anderen, niet weinigen, een deel van zijn zorgen moet overdragen, en dagelijks ondersteund moet worden door het gezamenlijk gebed van heel de Kerk. Daarenboven wil onze Zaligmaker, voor zover Hij zelf persoonlijk op onzichtbare wijze de Kerk bestuurt, door de leden van Zijn mystiek lichaam geholpen worden in de uitvoering van Zijn verlossingswerk. Dit vindt zijn reden echter niet in Zijn ongenoegzaamheid of zwakheid, maar hierin, dat Hij zelf tot meerdere eer van Zijn ongerepte bruid het zo heeft beschikt. Al heeft Hij immers door Zijn dood aan het kruis de onmetelijke schat der Verlossing aan Zijn Kerk zonder haar medewerking geschonken, bij de uitdeling van die schat vraagt Hij niet alleen de medewerking van Zijn onbesmette bruid tot het werk der heiliging, maar wil Hij zelfs, dat haar werking er op zekere wijze de oorsprong van vormt. Waarlijk een huiveringwekkend en nooit voldoende te overwegen geheim: dat namelijk het heil van velen afhangt van de gebeden der leden van het mystieke lichaam van Jezus Christus en van de vrijwillige verstervingen, die zij tot dit doel op zich nemen, en tevens van de medewerking der herders en der gelovigen, vooral ook van de vaders en moeders in hun gezin! Zij allen toch moeten de goddelijke Zaligmaker in een ware zin behulpzaam zijn.
Aan de zo juist aangehaalde redenen, waaruit bleek, dat Christus de Heer het Hoofd moet worden genoemd van Zijn maatschappelijk lichaam, zijn nog drie andere toe te voegen, die wederom onderling allernauwst samenhangen.
d. Op grond van hun gelijkvormigheidAls uitgangspunt nemen wij die gelijkvormigheid,die wij waarnemen tussen hoofd en lichaam: zij zijn immers van eenzelfde natuur. Waarbij moet worden opgemerkt, dat, hoewel onze natuur lager staat dan die van de engelen, zij toch door Gods goedheid de natuur van de engelen te boven gaat: "Christus immers", zoals de Aquiner zegt, "is het Hoofd van de engelen, want Christus is Heer van de engelen, ook volgens Zijn mensheid... Eveneens omdat Hij ook als mens de engelen verlicht en invloed op hen uitoefent. Wat echter de gelijkvormigheid van natuur betreft, is Christus niet het Hoofd van de engelen, daar Hij niet hun natuur heeft aangenomen, maar - volgens de Apostel - het zaad van Abraham." En Christus heeft niet alleen onze natuur aangenomen, maar is ook onze bloedverwant geworden in een broos, lijdelijk en sterfelijk lichaam. Maar indien het Woord "Lzichzelf ontledigd heeft, de gedaante van een slaaf aannemend" (Fil. 2, 7), dan heeft Het dit ook hierom gedaan, om Zijn broeders naar het vlees deelgenoten te maken van Zijn goddelijke natuur, zowel in deze aardse ballingschap door de heiligmakende genade, als in het hemels vaderland door het bereiken van de eeuwige zaligheid. Daarom immers wilde de Eengeborene van de eeuwige Vader zoon des mensen zijn, opdat wij gelijkvormig zouden worden aan het beeld van de Zoon van God, en vernieuwd zouden worden volgens het beeld van Hem, die ons geschapen heeft. Allen dus, die er zich op beroemen christen te zijn, moeten niet alleen in onze goddelijke Zaligmaker het verheven en volmaaktste voorbeeld van alle deugden zien, maar Zijn leer en leven door het zorgvuldig vluchten van de zonde en de ijverige beoefening van de heiligheid zó in hun gedrag uitdrukken, dat zij, als de Heer zal verschijnen, Hem gelijk worden in glorie, doordat zij Hem zien zoals Hij is.
Zoals nu Christus verlangt, dat de afzonderlijke ledematen op Hem gaan gelijken, zo wenst Hij dit ook van het gehele lichaam der Kerk. Dit geschiedt, als zij op het voorbeeld van haar Stichter leert, bestuurt en het goddelijk offer opdraagt. Daarenboven beeldt zij door de onderhouding van de evangelische raden de armoede, gehoorzaamheid en maagdelijkheid van de Verlosser in zich uit. Door de veelvuldige en veelsoortige instellingen, waarmede zij als met bruidsjuwelen is versierd, geeft zij als het ware Christus weer, zoals Hij op de berg in beschouwing bad, ofwel predikte tot het volk, ofwel de zieken en ongelukkigen genas en de zondaren tot een beter leven bekeerde, ofwel zoals Hij allen weldeed. Het is dus ook volstrekt niet te verwonderen, dat zij, zolang zij hier op aarde verblijft, in navolging van Christus vervolgingen en kwellingen en pijnen lijdt.
e. Op grond van Zijn volheidVervolgens moet Christus ook hierom als het Hoofd van de Kerk worden beschouwd, omdat Hij met de volheid en de volmaaktheid der hemelse goederen is uitgerust, en Zijn mystiek lichaam uit deze volheid put. Zoals immers - hetgeen meerdere Vaders opmerkten - het hoofd van ons sterfelijk lichaam drager is van alle zintuigen, terwijl de overige delen van ons stoffelijk wezen slechts van de tastzin zijn voorzien, zo ook schitteren alle deugden, die men in de christengemeenschap kan vinden, alle gaven en charismata op de volmaaktste wijze in haar Hoofd Christus. "In Hem heeft de ganse volheid van God willen wonen." (Kol. 1, 19) Hij is immers gezalfd met die hemelse gaven, die de hypostatische vereniging met zich meebrengt; in Hem toch woont de Heilige Geest met een genadevolheid, die niet groter gedacht kan worden. Hem is gegeven "de macht over alle vlees"; overvloedig zijn in Hem aanwezig "alle schatten van wijsheid en wetenschap." (Kol. 2, 3) Ook de kennis, die men de Godsaanschouwing noemt, bezit Hij in zo hoge mate, dat zij zowel in omvang als in helderheid dat soort zalige kennis van alle heilige hemelingen volstrekt overtreft. En ten slotte, Hij is zo vol van genade en waarheid, dat wij allen uit Zijn onuitputtelijke volheid ontvangen.
f. Op grond van Zijn inwerking Deze woorden van de leerling, die Jezus met een heel bijzondere liefde beminde, brengen ons tot de laatste reden, die wij wilden aangeven, waaruit op heel eigen wijze blijkt, dat Christus de Heer het Hoofd van Zijn mystiek lichaam moet worden genoemd. Zoals er namelijk vanuit het hoofd naar alle ledematen van ons lichaam zenuwen uitgaan, die hun de kracht om te voelen en zich te bewegen overbrengen, zo doet ook onze Zaligmaker Zijn sterkte en kracht in de Kerk overgaan, en stelt de christengelovigen in staat het goddelijke helderder te kennen en vuriger na te streven. Uit Hem ontvangt het lichaam van de Kerk alle licht, waardoor de gelovigen op goddelijke wijze worden verlicht, en iedere genade, waardoor zij heilig worden, zoals Hij zelf heilig is.
Christus verlicht Zijn gehele Kerk; dit blijkt werkelijk uit bijna ontelbare plaatsen van de H. Schrift en van de heilige Vaders. "Niemand heeft God ooit gezien: de eengeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, Hij zelf heeft Hem verkondigd." De Leraar, van God gekomen om getuigenis te geven voor de waarheid 31 , heeft de jonge apostolische Kerk zo met Zijn licht overstraald, dat het hoofd der apostelen uitriep: "Heer, tot wie zullen wij gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven." (Joh. 6, 68) De evangelisten stond Christus zo uit de hemel bij, dat zij als Zijn ledematen, neerschreven wat hun door ingeving van het Hoofd werd meegedeeld. En ook heden is Hij voor ons, die in deze aardse ballingschap verblijven, de bewerker van het geloof, zoals Hij er de voltooier van zal zijn in het vaderland. Hij is het, die de gelovigen het licht van het geloof instort; Hij is het, die op hemelse wijze de herders en leraars, op de eerste plaats Zijn stedehouder op aarde, met hemelse gaven van wetenschap, verstand en wijsheid verrijkt, opdat zij de schat van het geloof getrouw bewaren, krachtig verdedigen, godvruchtig en ijverig verklaren en bevestigen; Hij is het eindelijk die, ofschoon onzichtbaar, de concilies der Kerk voorzit en voorlicht.
Christus is de oorsprong en de bewerker van de heiligheid. Er kan immers geen enkele tot heil strekkende daad worden gesteld, die niet uit Hem, als uit haar hemelse bron, haar oorsprong heeft. "Zonder Mij", zo zeide Hij, "kunt gij niets doen." Als wij, door droefheid en berouw over onze zondenschuld bewogen, ons uit kinderlijke vrees en hoop tot God bekeren, is het steeds Zijn kracht, die ons daartoe brengt. Genade en glorie ontspringen aan Zijn onuitputtelijke volheid. Vooral de voornamere leden van Zijn mystiek lichaam overstelpt onze Zaligmaker onophoudelijk met gaven van raad, sterkte, vrees en godsvrucht, opdat het gehele lichaam van dag tot dag steeds groeie in heiligheid en ongereptheid. En wanneer de sacramenten van de Kerk met uitwendig ritueel worden toegediend, verwekt Hij zelf hun vrucht in de zielen. Ook is Hij het, die de verlosten met Zijn eigen Lichaam en Bloed voedt, om daardoor de opgezweepte en woelige hartstochten van de ziel te bedaren; Hij is het, die daardoor de genaden vermeerdert en de toekomstige heerlijkheid van de zielen en de lichamen voorbereidt. En de uitdeling van al die schatten der goddelijke goedheid aan de leden van Zijn mystiek lichaam moet niet alleen daarom aan Hem toegeschreven worden, dat Hij ze als eucharistisch offer op aarde en als verheerlijkt slachtoffer in de hemel van Zijn eeuwige Vader afsmeekt door het tonen van Zijn wonden en het aanbieden van Zijn gebeden; maar ook daarom, dat Hij voor de afzonderlijke mensen de afzonderlijke genaden "volgens de maat, die Christus heeft toegemeten" (Ef. 4, 7), uitkiest, bepaalt, uitdeelt. Waaruit volgt, dat uit de goddelijke Verlosser, als uit de voornaamste bron, "het ganse lichaam, samengevoegd en samengehouden door de steun van ieder gewricht en door de eigen werking van ieder lichaamsdeel, zijn eigen groei voltooit in liefde." (Ef. 4, 16)
ARTIKEL 3
Christus "Instandhouder" van het lichaam
Wij hebben u, eerbiedwaardige broeders, hierboven kort en eenvoudig uiteengezet, op welke wijze Christus de Heer uit Zijn goddelijke volheid Zijn overvloedige gaven over de Kerk wil uitstorten, opdat deze zo volmaakt mogelijk aan Hem gelijkvormig worde. Deze uiteenzetting draagt er niet weinig toe bij om de derde reden te verklaren, waarom het maatschappelijk lichaam der Kerk de naam van Christus draagt. Deze reden nu ligt hierin, dat onze Zaligmaker de gemeenschap, die Hij heeft gesticht, zelf op goddelijke wijze in stand houdt.
Zoals Bellarminus scherp en fijn opmerkt, moet men deze benaming "lichaam van Christus" niet alleen daaruit verklaren, dat Christus het Hoofd van Zijn mystiek lichaam moet worden genoemd, maar ook hieruit, dat Hij zó de Kerk in stand houdt en zó tot op zekere hoogte in de Kerk leeft, dat zij als het ware een andere Christus is. Dit wordt ook bevestigd door de leraar van de heidenen, als hij aan de Korinthiërs schrijvend, zonder er iets bij te voegen, de Kerk "Christus" noemt, in navolging van de Meester zelf, die hem, toen hij de Kerk vervolgde, vanuit de hemel had toegeroepen: "Saulus, Saulus, waarom vervolgt gij Mij?" Ja, wanneer wij de Nyssener geloven, dan noemt de Apostel meerdere malen de Kerk "Christus" en, eerbiedwaardige broeders, u is ook niet onbekend het gezegde van Augustinus: "Christus predikt Christus."
a. Op grond van de juridische zendingDeze alleredelste benaming mag men echter niet zo opvatten, alsof die onuitsprekelijke eenheidsband, waarmede de Zoon van God een bepaalde menselijke natuur heeft aangenomen, zich tot de gehele Kerk uitstrekt; maar zij vindt hierin haar grond, dat onze Zaligmaker de goederen, die Hem het meest eigen zijn, op zodanige wijze aan Zijn Kerk mededeelt, dat zij in geheel haar levenswijze, zowel de zichtbare als de verborgene, het beeld van Christus zo volmaakt mogelijk uitdrukt. Want door de zogenaamde juridische zending, waarmede de goddelijke Verlosser de apostelen in de wereld heeft gezonden, zoals Hij zelf door de Vader gezonden was, is Hij het zelf, die door middel van de Kerk doopt, onderwijst, bestuurt,ontbindt, bindt, opdraagt en offert.
b. Op grond van de Geest van Christus Bovendien laat Christus de Heer volgens die hogere,inwendige en verheven schenkingswijze, waarover wij boven hebben gesproken, toen wij beschreven op welke wijze het hoofd zijn invloed uitoefent op zijn ledematen, de Kerk leven van Zijn verheven leven, doordringt Hij geheel Zijn lichaam met Zijn goddelijke kracht, en voedt en draagt Hij de afzonderlijke ledematen overeenkomstig de plaats, die zij in het lichaam innemen, ongeveer op dezelfde wijze als de wijnstok de met hem verbonden ranken voedt en vruchtbaar maakt.
Wanneer wij dit door Christus geschonken goddelijk beginsel van leven en kracht in zichzelf aandachtig beschouwen, in zover het namelijk de bron van iedere geschapen gave en genade is, zullen wij gemakkelijk inzien, dat het niets anders zijn kan, dan de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon voortkomt, en die op bijzondere wijze "de Geest van Christus" of "de Geest van de Zoon" wordt genoemd. (Rom. 8, 9; 2 Kor. 3, 17; Gal. 4, 6) Met deze Geest van genade en waarheid immers heeft de Zoon van God reeds in de ongerepte schoot van de heilige Maagd Zijn ziel gezalfd; deze Geest acht het Zijn welbehagen in de zegenrijke ziel van de Verlosser als in Zijn meest geliefde tempel te wonen; deze Geest heeft ons Christus op het kruis door het vergieten van Zijn eigen Bloed verdiend; deze Geest eindelijk heeft Hij, toen Hij over de apostelen blies, aan de Kerk geschonken om de zonden te vergeven. En terwijl alleen Christus deze Geest zonder beperking ontving, werd Hij aan de leden van het mystieke lichaam slechts geschonken uit de volheid van Christus, volgens de maat, die Christus heeft toebedeeld. En nadat Christus op het kruis is verheerlijkt, wordt Zijn Geest overvloedig over de Kerk uitgestort en haar medegedeeld, opdat zij en haar afzonderlijke leden steeds meer en meer aan onze Zaligmaker gelijkvormig worden. Het is de Geest van Christus, die ons tot aangenomen kinderen van God maakte, opdat wij eens "met ongesluierd gelaat de heerlijkheid des Heren aanschouwen, en steeds heerlijker in Zijn beeld herschapen worden."
c. Die Geest is de ziel van het mystieke lichaamAan deze Geest van Christus moet men het ook als aan het onzichtbaar beginsel toeschrijven, dat alle delen van het lichaam zowel met elkaar als met hun verheven hoofd worden verbonden, daar Hij geheel in het hoofd is, geheel in het lichaam en geheel in ieder van de ledematen. Hij is in hen aanwezig en staat hen bij volgens ieders afzonderlijke opdracht en taak, volgens de grotere of geringere graad van geestelijke gezondheid, die ieder afzonderlijk geniet. Hij moet beschouwd worden als degene, die door Zijn hemelse levensadem in alle delen van het lichaam het beginsel is van iedere daad, die waarlijk leven verwekkend en zaligmakend is. Hij is het, die ofschoon in alle ledematen tegenwoordig en in allen op goddelijke wijze werkend, toch de lagere leden door de dienst der hogere organen beïnvloedt; Hij is het eindelijk, die de Kerk door de werking van Zijn genade steeds nieuwe wasdom schenkt; maar Hij ook, die weigert om met Zijn heiligmakende genade te wonen in de ledematen, die volkomen van het lichaam zijn afgesneden. Deze tegenwoordigheid en werking van de Geest van Jezus Christus heeft onze wijze voorganger Leo XIII z.g. in zijn encycliek Divinum Illud met de volgende woorden kort en krachtig aangeduid: "Wij mogen volstaan met vast te stellen, dat Christus wel het hoofd is van de Kerk maar dat de Heilige Geest haar ziel is."
Wanneer wij nu die levenskracht, waarmede geheel de christengemeenschap door haar Stichter wordt onderhouden, niet meer in zichzelf beschouwen maar in de geschapen uitwerkingen, die er uit voortvloeien, dan bestaat zij in de hemelse gaven, die onze Verlosser samen niet Zijn Geest aan de Kerk mededeelt, en die Hij samen met Zijn Geest, als schenker van hemels licht en bewerker van heiligheid, uitwerkt. De Kerk kan dus juist als haar heilige leden deze grootse uitspraak van de Apostel op zichzelf toepassen: "Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij." (Gal. 2, 20)