Een voorbeeld uit deuteronomium 31 (ik ga meer in op het aspect van de ts over de vraag of God overal de hand in heeft)
14 De HEER zei tegen Mozes: ‘Je leven loopt ten einde. Roep Jozua en kom samen naar de ontmoetingstent; dan zal ik hem als jouw opvolger aanstellen.’ Nadat Mozes en Jozua de tent waren binnengetreden, 15 verscheen de HEER in een wolkkolom, die boven de ingang bleef staan. 16 De HEER zei tegen Mozes: ‘Als jij bij je voorouders te ruste bent gegaan, zal het volk mij ontrouw worden en zich afgeven met de vreemde goden die zij zullen aantreffen in het land waar ze heen gaan. Ze zullen mij verlaten en het verbond dat ik met hen gesloten heb verbreken. 17 Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” 18 Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zo veel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.
Dit bevestigd tevens de voorzienigheid van God. Ik kan me goed in de omschrijving van Dingo vinden.
Volgens mij (maar zo bezie ik het) gaat het erom dat God zijn beschermende zegende handen
aftrekt van hen die Hem verlaten. Daardoor krijgt het kwaad alle ruimte het destructieve werk te doen. Dit is de vervloeking welke God uitspreekt.
Het volk zegt dat de oorzaak zou zijn dat hun goden hen verlaten hebben.
God zegt dat dit niet de oorzaak is. Het gaat erom dat Hij hen verlaten heeft. Hij laat ze aan hun lot over. Overgeven aan de krachten die achter de goden schuil gaan. De goden zijn een uitbeelding, vaak verbonden aan aspecten van de schepping. De krachten zijn de onzichtbare werkelijkheid.
De passage over de haren op het hoofd die niet afvallen moet je volgens mij ook in het verband zien van de positie van de gelovige christen die gezegend wordt door Gods bescherming (het is een troostende waarheid, geen dreigende zoals in sommige denominaties wordt uitgelegd) en is niet door te linken naar de positie van de niet-christen, lees hele mensheid. Zij geniet die bijzondere bescherming niet, zij worden losgelaten. Dit loslaten is in Gods hand, Zijn besluit. Dit loslaten is ook een proces. God verwijdert zich meer en meer. De gevolgen komen van het kwaad. Zie Job waar God Satan ruimte geeft te handelen. In God is geen kwaad, wel rechtvaardigheid. Deze rechtvaardigheid is terecht omdat het Joodse volk vrijwillig had verkozen Gods geboden te volgen. Lees het OT er maar op na. Aan deze vrijwillige keuze verbons God daarop Zijn voorwaarden. Deze werden aanvaard door het volk.
Uit deut. blijkt dat de christen die bescherming dus óók kan verliezen. Elders in deut. staat echter ook weer dat men die bescherming / zegen weer terug krijgt wanneer men terugkeert.
Overigens gaat deze bescherming ook gelden voor hen die zich bij de waarheid aansluiten, wanneer ze de waarheid eerder niet kenden.
In 1 Tim 4 staat:
Deze boodschap is betrouwbaar en verdient onze volledige instemming.
10 Hiervoor zwoegen en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de redder is van alle mensen
(redder als aanbod van genade), bovenal van de gelovigen.
(die deze genade al ontvangen, dus ook Zijn bescherming)
In Jacobus staat dat wie tot God nadert, God tot hem zal naderen. Als dit een waarheid is, is het omgekeerde ook een feit lijkt me.
Lees het lied van Mozes in deut 31 welke als getuigenis voor de joden was eens helemaal.
Het hele lied, maar vooral het laatste vers vind ik dan bijzonder mooi omdat dit in een apotheose uitloopt:
43 Laat alle volken zijn volk toejuichen,
omdat hij het bloed van zijn dienaren wreekt;
hij neemt wraak op zijn vijanden
en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit.’