quote:
Goed, aangezien het aanklikken van een linkje schijnbaar te lastig is voor je plaats ik het hele document maar:
1
De C van het CDA
De C van het CDA? Met die vraag betreden we heilige grond.
Zij is generaties tot inspiratie geweest. “Een samenleving waarin
de Bijbelse gerechtigheid gestalte krijgt, de mens zijn vrijheid en
verantwoordelijkheid kan beleven en waarin het welzijn van velen
wordt gediend.” Zo formuleerden we het 25 jaren geleden.
Heilige grond; maar ook een slagveld, zeker als het om de betekenis
van dat uitgangspunt gaat. Want over het beleid zijn we
het meestal nog wel eens, maar over de vraag of het voldoet
aan de Bijbelse gerechtigheid vaak minder. Dat is nu niet anders
dan vroeger. Wat een hoeksteen van beleid zou moeten
zijn, is vaak een steen des aanstoots. En niet alleen intern. We
worden er op aangekeken, op aangesproken, op aangevallen;
door kerken en actiegroepen, door kerkleden die zich niet herkennen
in het beleid, door buitenstaanders die de waarde van
het christelijk geloof aan het CDA willen meten. De één verwijt
ons misbruik omdat het beleid niet christelijk genoeg is; een
ander gebruik omdat het beleid hetzelfde is als wat anderen
doen. Zo dreigt wat bedoeld is als de noemer van onze inzet, te
worden tot de teller van wat we doen.
Toch kunnen we er niet over zwijgen. Want wat is het CDA zonder
de C? Een democratisch appèl; dat is niet veel meer dan
pragmatisch de waan van de dag vertolken en wanhopig pogen
je van andere partijen te onderscheiden. Het is niet herkenbaar
en niet geloofwaardig.
We mogen ook niet zwijgen. Deze tijd behoeft christendemocratisch
beleid; meer dan ooit. Nederland lijkt wel in een
identiteitscrisis te zitten. We waren redelijk tevreden met onszelf;
een open, verdraagzame en democratische samenleving.
Een voorstander van Europese integratie en een voorbeeld voor
anderen; als multiculturele samenleving en als ruimdenkende
2
gemeenschap die ieder ruimte geeft om zich zelf te zijn. Dat
beeld is in korte tijd verzuurd. Nederland lijkt ziek; een economie
die maar niet wil vlotten, mensen die steeds gewelddadiger
zijn en gestrest. Niets deugt als je de media moet geloven. We
zijn somber over de toekomst en bang voor criminaliteit, radicalisme
en terrorisme. Als we niet oppassen dan groeien verwarring,
angst en onzekerheid ons boven het hoofd, en gaan het
beleid bepalen. Dat voorkomen vereist oriëntatie en besef van
waar we mee bezig zijn. Die zal het CDA moeten bieden. We
bestaan dit jaar 25 jaren; reden om in dank om te zien; aanleiding
om kritisch naar onszelf te kijken, maar bovenal plicht om
vooruit te zien.
Waar staat de C van het CDA voor in onze tijd; wat bindt ons,
wat beweegt ons; wat is het waarom, waarheen en waartoe van
het CDA. Voor velen is dat geen vraag? In hun ogen staat de C
voor een beleid in dienst van barmhartigheid en naastenliefde;
van zwakken beschermen en hongerigen voeden, zieken genezen
en ouden verzorgen, daklozen huisvesten en vreemdelingen
herbergen; van rentmeesterschap over de natuur en bescherming
van het leven, van vrede stichten en ontwikkelingssamenwerking’.
Vraag voor hen is vooral of we het ook waar
maken. Het is één zienswijze, maar er is ook een keerzijde. In
2002 was dat een nog groeiend aantal van bijna 2 mln uitkeringsgerechtigden,
zonder uitzicht op werk en met steeds lagere
uitkeringen; een groeiende stroom asielzoekers die jarenlang
zonder perspectief in een steeds vijandiger omgeving aan hun
lot werden overgelaten; een stelsel van zieken- en ouderenzorg
dat ondanks miljarden meerkosten per jaar geen antwoord bood
op de vergrijzing. Keerzijde was dat zelfs op het einde van een
periode van ongekende groei en lage werkloosheid, steeds
minder werkenden in steeds minder tijd steeds meer moesten
opbrengen voor de pensioenen, uitkeringen en staatsschuld van
anderen.
3
Is dat bestaanszekerheid? Is dat sociaal en solidair? Is dat de
vreemdeling herbergen? We liepen vast in een eenzijdige kijk
op gerechtigheid. Gerechtigheid heeft twee gezichten; een individueel
en een collectief. Recht doen in afzonderlijke gevallen,
kan averechtse effecten hebben voor velen; zeker in een snel
veranderende wereld. Een sociaal gezicht, solidariteit, menswaardige
opvang van vluchtelingen - al die aspecten die men
met christen-democratie associeert – ze moeten worden ingepast
in een integrerende wereld, waarin nieuwe vragen een
antwoord vergen en oude vragen een nieuwe oplossing.
Maar het gaat dieper. Vraag is of naastenliefde, barmhartigheid
wel een bruikbare maatstaf bieden. Het zijn persoonlijk geboden
uit geloof. Overheidshandelen luistert naar andere regels dan
die van deugd, geloof en ethiek. Want men beslist voor anderen,
over anderen en gebruikt daarbij zonodig geweld. Het is o
zo verleidelijk om de staatsmacht in dienst te stellen van naastenliefde,
deugdzaamheid of het goede doel. Maar het is een
verleiding die moet worden weerstaan; als de derde verzoeking
van Christus in de woestijn: ‘alle koninkrijken ter wereld voor
één knieval’. Wie staatsmacht gebruikt om zijn geloof te belijden
of een ideaal te realiseren, eindigt doorgaans met bloed aan zijn
handen en verder dan ooit weg van de samenleving die hij beoogde.
"Das hat gerade der Staat zur Hölle gemacht, dass ihn
der Mensch zu seinem Himmel machen wollte" zei Hölderlin.
Want barmhartigheid is geen barmhartigheid meer, als het
wordt verricht door de overheid op kosten van belastingbetalers
die wat anders geloven. Dan leg ik anderen gedrag op dat ik uit
geloof betracht. Het is als wanneer de overheid zijn macht gebruikt
om mij tot een andere eredienst te dwingen, of om een
hoofddoek te dragen of de shari’a na te leven. Het heiligt
niemand; de belastingbetaler niet, de wetgever niet en ook de
kiezer niet die voor dat beleid gekozen heeft. Overheidsmacht
4
verandert iets wat adelt als het uit liefde of geloof wordt gedaan,
tot zielloze plicht en last als het op de wet berust.
Kerk en staat; je kunt ze maar beter scheiden. Wat niet wil zeggen
dat het beschermen van zwakken niet christendemocratisch
zou zijn of dat geloof en politiek niet zouden samengaan.
Geloof en politiek horen samen, maar dan gaat het
niet om het omzetten van Bijbelse geboden in Nederlandse wetten;
dat zou theocratie zijn niet christen-democratie. Christendemocratie
is breder; dat blijkt uit de politieke bijdrage die zij
heeft gehad op tal van terreinen. De rode draad daarbij is de
invulling die in het politiek handelen wordt gegeven aan de Bijbelse
visie op mensen, op hun onderlinge verhoudingen en op
hun verantwoordelijkheid jegens de schepping. Niet om anderen
ons geloof op te leggen, maar omdat die visie vruchtbaarder is
bij het vinden van duurzame, menswaardige oplossingen voor
vraagstukken van samenleven. Vandaar dat christendemocratie
zich tot de samenleving als geheel richt, en een appèl
wordt gedaan op ieder, van welke levensbeschouwing dan
ook, die deze visie deelt.
Het samengaan van geloof en politiek is niet uniek voor het
CDA. Ieder denkt en handelt vanuit opvattingen over de zin van
het leven; over mens en maatschappij; over wat goed is en wat
waar. Opvattingen die altijd op geloof berusten, op het zeker
weten van wat niet-bewijsbaar is. Want of men nu erkent dat
leven een diepere zin heeft of dit ontkent, het is beide geloof.
Het uitgangspunt dat geloof een privé-zaak is die niet in de politiek
thuishoort is daarom een drogredenering. Het is blinde arrogantie
die de eigen politieke vooronderstellingen zo vanzelfsprekend
acht, dat men ze niet meer als geloof ziet maar als
objectieve, algemeen geldige waarheid. Het leidt tot een mensen
maatschappijbeeld waarin een veelkleurige werkelijkheid
wordt uiteengelegd in abstracties en teruggebracht tot de ééndimensionale
wereld van wat we zien, horen en bewijzen. De
5
mens in zijn verscheidenheid wordt gereduceerd tot een rationeel
individu die zichzelf de norm stelt; de samenleving tot een
verzameling vrije, gelijke individuen die zich organiseren via de
overheid; de overheid tot een ‘instrument’. Menselijk handelen is
in die visie de uitkomst van behoeften, eigenbelang en een vrijheidsstreven,
dat alleen begrensd wordt door de gelijke vrijheid
van anderen of plichten uit overeenkomst of de wet.
Die visie heeft het politieke denken en de maatschappelijke
ontwikkeling in de afgelopen twee eeuwen sterk beïnvloed; ten
goede en ten kwade. Het heeft ongekende sociale en economische
groei gebracht, nieuwe mogelijkheden, emancipatie voor
velen en nieuwe technische inzichten de mens ten goede. Maar
het heeft ook niet geringe problemen gebracht. Economische
groei, technische vernieuwing en organisatorische rationaliteit
die ten koste gaan van menselijke maat en waardigheid, van
gemeenschapszin en solidariteit, en van natuur en milieu. Mensen
die zonder houvast op zichzelf worden teruggeworpen in
een bestaan van ongekende risico’s, economische onzekerheid
en maatschappelijke verwarring. De verwarring van een maatschappijbeeld
dat vastloopt in onoverbrugbare tegenstellingen
tussen individu en gemeenschap; samenleving en overheid; vrijheid
en dwang; eigen belang en collectief belang; en van een vrijheidsbegrip
dat geen oriëntatie meer biedt. Dan rest slechts:
‘meer, rijker, mooier’ als doel. Want de natuurlijke vrijheid heeft in
die visie geen tegenhanger in een even natuurlijke verantwoordelijkheid
jegens anderen en de gemeenschap; en de kwaliteit
van samenleven is slechts de optelsom van individueel nut.
Christen-democratie gaat uit van een andere werkelijkheid. Een
werkelijkheid zoals die uit bijbelse en christelijke traditie naar
voren komt. Een werkelijkheid waarin mensen verbonden zijn,
en tegengestelden samenhangen. Het gaat uit van een beeld
van de mens die als Adam, als persoon geschapen is maar van
wie God ziet dat het niet goed is dat hij alleen is. Van de mens
6
die individueel wordt aangesproken, maar op zijn verantwoordelijkheid
voor de ander; ‘zijn broeders hoeder’. Van mensen die
gelijkwaardig geschapen zijn, ieder naar Gods beeld, maar die
sinds Babel in diversiteit samenleven. Van een samenleven dat
niet primair door markt en overheid, concurrentie of dwang
wordt bepaald; maar door samenwerking in gezin, bedrijf, kerk,
organisaties. Van een overheid zonder welke we niet in vrede
samen kunnen leven en die dus voorwaarde is voor het bestaan.
Van vrijheid als het vermogen om met anderen te realiseren
wat ons ten diepste beweegt en nodig is voor ons bestaan.
Een beeld kortom van een werkelijkheid die niet uiteenvalt in
tegenstellingen, maar waarin individu en gemeenschap, vrijheid
en verantwoordelijkheid, gelijkheid en verscheidenheid, overheid
en samenleving samenhangen en elkaar wederzijds bepalen.
De C van het CDA is om die visie op de werkelijkheid tot uitgangspunt
van beleid te maken. Het biedt een beter perspectief
op de toekomst en een vruchtbaarder houvast in een wereld
van schijnbare tegenstellingen. Het leidt tot beleid waarvoor
kenmerkend is, niet om mensen steeds weer nieuwe rechten te
geven maar om ze meer tot hun recht te laten komen; niet om
ieder probleem voor mensen op te lossen, maar om ze in staat
te stellen hun problemen met anderen op te lossen; niet om
verantwoordelijkheid over te nemen, maar om mensen in staat
te stellen verantwoordelijkheid te dragen en voor zichzelf en
anderen te zorgen. Maar het leidt ook tot beleid dat berust op
het besef dat leven en samenleven niet mogelijk is zonder overheid.
Dat biedt een vruchtbaar uitgangspunt om een oplossing te vinden
voor de politieke vraagstukken van deze tijd. Het vraagstuk
bijv. van sociale zekerheid in een open, groeiende wereldeconomie,
een veranderende samenleving en technische ontwikkeling.
Uitkeringen bieden daarin steeds minder houvast als basis
7
voor maatschappelijke participatie. Ze worden veeleer een fuik,
want men verliest al snel aansluiting bij de arbeidsmarkt en de
hoogte van de uitkering en blijft steeds verder achter bij lonen.
Om aansluiting te houden bij maatschappelijke ontwikkelingen
en de kwalificaties die de arbeidsmarkt vraagt, vormt arbeid zelf
steeds meer de basis voor bestaanszekerheid en maatschappelijke
participatie, al is dat in steeds wisselend werk. Sociale zekerheid
zal derhalve sterker op arbeidsparticipatie gericht moet
zijn en minder op de zekerheid van een gegeven baan. In het
moderne mensbeeld vereist dit vooral prikkels. In het mensbeeld
dat ik net schetste hebben prikkels een plaats maar zijn
voor alles steun en zekerheid nodig om verandering mogelijk te
maken. Niet door middel van uitkeringen en rechten, maar door
anderen te prikkelen tot medeverantwoordelijkheid voor het vinden
van arbeid. De wijzigingen van de WAO, van de bijstand en
van de WW staan in dat teken. Wellicht zullen we zelfs de mogelijkheid
van de combinatie van arbeid en uitkering verder
moeten uitbreiden, om in een internationale economie plaats te
vinden voor ongeschoolde arbeid die anders wordt weggesaneerd.
Zwakken behoeven bescherming; maar door ze in staat te stellen
zich zelf staande te houden met behulp van anderen, niet
door ze hun verantwoordelijkheid te ontnemen. Dat bepaalt ook
de aanpak van de veranderingen in de zorg. Voorzieningen die
impliciet mensen de keuze uit handen nemen (bijv. een ziekenfonds),
worden daarbij vervangen door voorzieningen die mensen
hun verantwoordelijkheid laten zonder ze daarbij met ondragelijke
lasten of risico’s op te zadelen. Vandaar de levensloopregeling;
vandaar persoonlijke zorgbudgetten; vandaar een
stelsel van reële ziektekostenpremies maar met een voorziening
die verzekert dat de kosten nooit meer dan een vast percentage
van het inkomen bedragen; voor de kosten van wonen en opvoeding
wordt eenzelfde systematiek beoogd.
8
Evenzo wijst het geschetste mensbeeld de richting bij het zoeken
naar een nieuwe evenwicht tussen overheid, markt en samenleving.
Dat moet, want we lopen vast in de tegenstelling:
overheid of markt. In een internationale economie nemen de
mogelijkheden van nationale overheden af. Grensoverschrijdend
activiteiten onttrekken zich aan hun bereik. De nationale
samenleving laat zich steeds minder beschermen tegen van
buiten komende risico’s en veranderingen. Marktwerking biedt
echter geen alternatief. Schaarste laat zich op die wijze wel
doelmatig verdelen, maar niet noodzakelijkerwijze rechtvaardig
of verantwoord (in het oude Israël moesten de uitkomsten daarom
periodiek in sabbatsjaren en jubeljaren gecorrigeerd worden).
Markt en overheid, ze zijn beide nodig maar beiden ook
beperkt in hun mogelijkheden.
Inzichten dat samenleven zonder overheid niet mogelijk is, dat
samenwerking bepalend is voor samenleven, en dat vrijheid de
verantwoordelijkheid voor het samenleven inhoudt, bieden een
vruchtbaar uitgangspunt voor een antwoord op die ontwikkeling.
Daarbij gaat het in de eerste plaats om versterking van internationale
overheidsmacht. Want samenwerken en samenleven
gaat niet zonder een overheid. We staan aan de vooravond van
het referendum over het grondwettelijke verdrag van de Europese
Unie. Gediscussieerd wordt of het verdrag nu wel of niet
goed is voor Nederland. Dat gaat volledig voorbij aan het gegeven
dat we in Europa zo dicht op elkaar leven, dat we om in
vrede te kunnen samenleven een overheid behoeven die geschillen
kan beslechten, regels kan stellen en in het algemeen
belang kan optreden. Europese integratie heeft ons 60 jaren
van vrede en voorspoed geboden, maar om die te bewaren mogen
we nu niet in onvermogen vastlopen. Wie denkt dat het zo'n
vaart niet zal lopen moet even aan de Balkan denken. Joegoslavië
was meer geïntegreerd dan de Unie nu, maar de onwil en
het onvermogen om onderlinge irritaties en wedijver te beper
9
ken, hebben in korte tijd tot oorlog geleid. Het gaat bij Europese
integratie al lang niet meer om: meer of groter, maar om het
herwinnen van het vermogen om de bevolking van Europa te
beschermen tegen politieke onveiligheid, economische onzekerheid,
en de dreiging van criminaliteit, sociale afbraak en de
aantasting van natuur en milieu. Wie vast wil houden aan bestaande
problemen, wie de toekomst op het spel wil zetten,
moet vooral tegen stemmen in het referendum. Maar de C van
het CDA impliceert dat u voor stemt. Dat is geen mandement,
maar een vanzelfsprekendheid.
Een sterke internationale overheidsstructuur is één voorwaarde
voor het hervinden van een evenwicht tussen overheid markt en
samenleving. Versterking van het probleemoplossend vermogen
van de samenleving is een tweede. In de geschiedenis van
de christen-democratie zijn er vele begrippen - soevereiniteit in
eigen kring, subsidiariteit, gespreide verantwoordelijkheid -
maar één gedachte. Te weten dat er tussen markt en overheid
een eindeloos spectrum aan verbanden, organisaties en relaties
bestaat, waarin we gezamenlijk de oplossing van maatschappelijke
vragen en knelpunten ter hand nemen en elkaar tot steun
zijn bij het realiseren van ieders verantwoordelijkheden. Het
stimuleert mensen om verantwoordelijkheid waar te maken,
terwijl ze verzekerd zijn van de steun van anderen.
Het maakt bovendien een op menselijke maat gesneden aanpak
mogelijk. De overheid moet werken naar algemene regels
en vaste procedures, zonder aanzien des persoon’s. De markt
is de uitkomst van blinde krachten. Maar maatschappelijke samenwerking
werkt met aanzien des persoons en is daardoor
vaak doelmatiger en menselijker.
Maatschappelijke samenwerking en gespreide verantwoordelijkheid
kunnen niet functioneren zonder overheid, maar het
vergt wel een omslag in politiek denken. Niet de vraag: hoe kan
de overheid uw problemen oplossen, dient voorop te staan,
10
maar de vraag: wat heeft u van de overheid nodig om uw problemen
op te lossen. Gespreide verantwoordelijkheid, het is niet
een ander begrip voor terugtred van de overheid, maar een andere
wijze waarop de oplossing van maatschappelijke vraagstukken
gezamenlijk kan worden ondernomen. Dat vergt mogelijk
ook een eigen rechtsvorm voor maatschappelijk ondernemen.
Een derde element van een christen-democratische aanpak is
een ander begrip van vrijheid. Vrijheid in het moderne mensbeeld
is de ‘vrijheid van’; de afwezigheid van behoeften, beperkingen
en verplichtingen. Zoals gezegd, biedt vrijheid in die zin
geen richting of zin aan het bestaan wanneer in de behoeften is
voorzien en de beperkingen wegvallen. Maar vrijheid heeft nog
een ander gezicht. Dat is ‘vrijheid om’: de vrijheid om aan mijn
bestemming en aan onze bestemming te beantwoorden en om
gemeenschappelijke doelen te realiseren. Die ‘vrijheid om’
hangt af van het vermogen om samen te werken; om ondanks
de verscheidenheid in fundamentele uitgangspunten en doelstellingen
te kunnen samenleven. Dat is vrijheid die naar meer
dan wetten luistert; het is de vrijheid die zich zelf weet te beperken,
die maatschappelijke taboes niet nodeloos schendt en die
naar gemeenschappelijke waarden en normen luistert, om ook
zonder een vloed aan wettelijke ge- en verboden samen te kunnen
werken en samen te kunnen leven.
De geschetste uitgangspunten en het hier bedoelde begrip van
vrijheid bieden eveneens een betrouwbaar kompas bij het vinden
van een antwoord op de belangrijkste uitdaging van deze
tijd; de integratie in de samenleving van een groeiende islamitische
bevolkingsgroep. En dan doel ik niet op het antwoord dat
sommigen, die doorgaans het samengaan van geloof en politiek
scherp veroordelen, menen te vinden in de christelijke traditie
als instrument om anderen te beoordelen en buiten te sluiten.
11
Het christelijk geloof is er niet om uit te sluiten of buiten te sluiten.
Dat neemt niet weg dat het samenleven met bevolkingsgroepen
met fundamenteel andere levensbeschouwelijke en culturele
opvattingen, bijzondere eisen stelt. Voorop moet staan dat we
geen begrip mogen hebben voor terrorisme en gewelddadig
radicalisme in ons midden. Het is de ontkenning van de elementaire
waarden waardoor samenleven mogelijk wordt. Zekerheid
en wederzijds vertrouwen zijn een eerste eis om in vrede samen
te kunnen leven en die verzekeren is een eerste opdracht van
de overheid. Maar die behoefte aan zekerheid en vertrouwen
geldt wederzijds. We zullen geen stabiliteit en maatschappelijke
rust vinden, indien we niet het bestaan van de islam in ons midden
erkennen als godsdienst van een groot aantal Nederlanders
en medelanders. Zij zullen zich in hun waarden en hun opvattingen
gelijkwaardig beschermd moeten voelen, om vanuit die
zekerheid hier gemeenschappelijk een toekomst te verzekeren.
En die erkenning dient bij het CDA te beginnen, gegeven onze
eigen opvatting over de betekenis van geloof. Pas dan is er een
basis om hier vrijheid zoals wij die begrijpen, te realiseren. Niet
de ‘vrijheid van’; de multiculturele samenleving, het vrijblijvend
langs elkaar heen leven. Maar de ‘vrijheid om’, het vermogen
om elkaar te begrijpen, te respecteren en met elkaar rekening te
houden, teneinde hier een gemeenschappelijke toekomst te
verzekeren voor onszelf en onze kinderen.
Als we elkaar in diversiteit leren begrijpen, kunnen we verder
aan die toren bouwen; alleen af zal die niet komen.
Let wel, dat zal de radicalen niet bevredigen, want die keren
zich juist tegen een dergelijke ontwikkeling bij hun eigen geloofsgenoten.
Maar het is de enige aanpak die uitzicht biedt op
een samenleven hier in vrede en vrijheid.
Tot besluit
12
Dames en heren. Waar staat de C van het CDA voor in onze
tijd? Ik heb geprobeerd aan te geven dat de C het CDA een rijke
voorraad aan vruchtbare ideeën biedt. En dat laat zich verbreden
tot het hele terrein van het overheidsbeleid. Dat is ook nodig
want de christen-democratie zal een vernieuwend antwoord
moeten bieden. Anderen bieden vooral meer van hetzelfde;
meer markt, meer overheid of meer isolement uit vrees voor een
boze wereld en een onzekere toekomst.
Wij hebben de bouwstenen voor vernieuwing, maar dan moeten
we wel terug naar de tekentafel. Wie nieuwe wijn in oude zakken
wil doen; wie nieuwe vragen met oude oplossingen tegemoet
wil treden, biedt geen oplossing maar laat mensen in de
kou staan. Dan verliest de christen-democratie haar appèl.
In de inleiding wees ik op de identiteitscrisis waarin Nederland
lijkt te zitten. Een crisis in het vertrouwen in de toekomst. Tekenend
daarvoor is dat terwijl onze ouders begin vorige eeuw een
levenlang zwoegden om hun kinderen een betere toekomst te
verzekeren, wij nu een levenlang zwoegen om onze kinderen
eenzelfde toekomst te waarborgen. Als men geen normatief
beeld heeft over wat de toekomst zou moeten brengen, dan
wordt het zekerstellen van de toekomst alleen maar het wegnemen
van bedreigingen. Op den duur dreigt dan dat we uit
angst de ‘deken over ons hoofd trekken’ en de boze buitenwereld
buitensluiten; “stop the world, I want to get off”. Dan gaat
men met de rug naar de toekomst staan, om zich op het verleden
blind te staren. Dat is in de kern de houding van die mensen
die oproepen om in het referendum tegen het verdrag te
stemmen, uit angst voor wat we zouden verliezen. Ze zien niet
dat we het de enige mogelijkheid is om te herwinnen wat we
hebben verloren, het vermogen om de samenleving adequaat
bijeen te houden en te beschermen.
Vraag is niet: hoe terug, maar: hoe verder? Het Koninkrijk ligt
niet achter ons, maar voor ons. Maar daarin ligt ook een gerust
13
stelling, het koninkrijk is niet van deze wereld. Het zal niet in
één keer goed gaan. We mogen steeds weer opnieuw beginnen
en uiteindelijk hangt het niet alleen van ons af. Ook dat is de C
van het CDA.
Deze tijd behoeft christen-democratisch beleid; meer dan ooit.
Dat vraagt moed en beleid; het vraagt verantwoordelijkheid en
vertrouwen.
Dank u.