quote:
Titaan. schreef op 13 augustus 2010 om 04:24:[...]
Ik weet niet precies hoe dit te rijmen is,
Betreffende het kwaad toerekenen,Misschien dat het te maken heeft met de context waarin hier de liefde genoemd wordt, namelijk de liefde als gave die Paulus de Korinthiers wees (I Kor.12:31), dus de liefde
onderling.
En dan zouden we Romeinen 14 ernaast kunnen leggen:
Het wandelen in de onderlinge liefde is volgens Rom.14 (vers 15, 13, 10, 3-4) om niet als rechter over elkaar op te treden, want de ander is niet onze knecht maar zijn Heer zal over hem oordelen. Alleen God is Rechter. Dus wij mogen elkaar geen kwaad toerekenen want wij zijn geen rechters, maar God de Rechter mag dat wel.
De SV-kanttekening vermeldt:
“Dat is, overlegt niet in haar gemoed hoe zij den naaste enig kwaad zal doen uit wraakgierigheid. Of: vermoedt niets kwaads in het doen van den naaste, uit argwaan en kwaad vermoeden, of rekent het kwaad niet toe.”
Betreffende het zich boos laten maken,misschien dat het in diezelfde sfeer gezocht kan worden.
De strongnote op dat woord geeft:
par-ox-oo'-no
to sharpen alongside, that is, (figuratively) to exasperate: - easily provoke, stir.Een mogelijke betekenis van: ergeren, makkelijk provoceren.
Op zo’n manier zie ik ook geen probleem, want er zijn wel teksten dat God toornt over onze zonden, maar niet dat hij zich makkelijk laat provoceren. Integendeel, Hij is juist lankmoedig en traag van toorn. En de toorn die Hij dan uiteindelijk heeft, daar hebben wel elk spatje dan dubbel van verdiend. Het lijkt dus ook wel raakvlakken te hebben met de God als Rechter (iets wat ons niet toekomt).
Maar voor aanvullingen, correcties, of andere mogelijkheden, houd ik me aanbevolen.
Bedankt voor je reactie, maar ik blijf met twijfels zitten. Wat mij opvalt is dat liefde een vrouwelijk woord is (Gr:
agapē) en
de Vader is mannelijk (Gr:
patēr) maar God is ook liefde (1 Joh 4,8) dus ook vrouwelijk. God kan liefhebben (Joh 3,16) maar ook haten (Op 2,6) maar de liefde kan niet haten en haat kan niet liefhebben.
Het woord van God kwam tot de Israëlieten uit de enige bron op aarde welke zowel zoet als zout water geeft, het rolde van de
tongen uit de monden (1 Kon 22,14;2 Kron 18,13) van de geïnspireerde profeten.
Jakobus 31 Laat niet zovelen uwer leraars zijn, mijn broeders; gij weet immers, dat wij er des te strenger om geoordeeld zullen worden. 2 Want wij struikelen allen in velerlei opzicht; wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man, in staat zelfs zijn gehele lichaam in toom te houden. 3 Als wij paarden de toom in de bek leggen, zodat zij ons gehoorzamen, kunnen wij ook hun gehele lichaam besturen. 4 Zie, ook de schepen, ofschoon zij zo groot zijn en door sterke winden voortgedreven worden, worden door een zeer klein roer gestuurd, waarheen maar het believen van de stuurman wil. 5 Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt. 6 Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel. 7 Want alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren worden bedwongen en zijn bedwongen door de menselijke natuur, 8 maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. 9 Met haar loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: 10
uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn. 11 Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? 12 Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.
God zegent (Gen 14,19) en vervloekt (Gen 3,14) met dezelfde mond
en is dus de bron die zout en zoet water geeft.
Klaagl 3,38Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?
En als we kijken naar de natuur moet dat volgens apostel Jakobus
niet zo zijn. Is dat niet erg vreemd?
Kortom, ik kan God niet los zien van liefde, want God is liefde, maar wat ik ook niet kan negeren is dat de Vader eveneens haat en vervloekt, eigenschappen die de liefde vreemd zijn. Ik vind het een heel moeilijk onderwerp, maar ben er nog niet uit hoe een en ander met elkaar te rijmen.
Wat denk je van mijn suggestie? Levert het problemen op met het grote gebod?