quote:
Het woord heeft niet alleen de betekenis gekregen van een geologische plek, maar is symbool geworden voor, en de betekenis gekregen van, een plek van eeuwige smart.
Gehenna (OT)De nieuwtestamentische naam
ge-henna, die gebruikelijk is voor de hel, is niet anders dan de hebreeuwsche term
ge-hinnom.
[ De korte ‘i’ in hinnom werd als ‘e’ uitgesproken; en de uitgang ‘om’ werd ‘am’ in het aramees, en zoals meer gebeurt, de slot-m werd afgeworpen (p.s. ter aanvulling; andere bronnen zeggen kortweg: ge-henna is de griekse transliteratie van het hebreeuwse ‘ge-hinnom’) ]
En ge-hinnom betekent: het dal van Hinnom.
Wie Jeruzalem verliet in zuid-oostelijke richting zag het daar liggen tussen twee bergkammen
Een moordenaarskuil was ervan gemaakt; met verwerping van het uitdrukkelijke gebod van Jahwe (Deut.18:10, Lev.18:21, Lev.20:2), had men ter ere van Moloch hun kinderen daar gedood, vaak zelfs
verbrand. Achaz, de koning, was zelf daarin het volk voorgegaan (2Kon.16:3; 2Kron.28:3 ) en Manasse was hem openlijk gevolgd (2Kon.21:6; 2Kron.33:6).
In de dagen van Jeremia, werd zelfs een regelmatige kinder-offerdienst in Hinnoms dal uitgeoefend.
En „tofeth”, d.w.z.
brandplaats, verbrandingsoord, dát was de schrikkelijke naam die, aangezien hij openlijk erkend was (Jes.30:33, Jer.19:14; 7:32; 19:6), ál de ellende van de afval en van de verloochening van de fundamentele beginselen van de dienst des Heeren luid verkondigde.
Zó diep had deze gruwelijke zonde wortel geschoten, dat zelfs Josia’s protest-daad weinig ertegen had kunnen uitrichten. Wel had Josia in zijn reformeerend werk het
tofeth laten verontreinigen, om zo de goddeloze offerdienst in het dal van Hinnom te beëindigen; wel had hij alles wat tot de Molochdienst behoorde, daar verbrand en het “heilige”
tofeth doen verwoesten, (2Kon.23:10) maar het hielp net zo weinig als al het andere. En na Josia leefde de gruwel van het kinderen-offeren en verbranden onder de regering van Jojakim weer op. Die zonde werd nu zwaarder, naarmate Josia’s luid protest met sterk accent de gewetens had wakker geschud en de overtuiging van zonde en strafwaardigheid door de publieke afkondiging van de oude wet had verscherpt en verdiept.
Zo kon in die drukkende atmosfeer van geweten zonde en bewuste afval het dreigend conflict tussen profetie en volkswil niet uitblijven.
Straks komen de profeten, en met de stem van de donder spreken ze, dreigend de hand opheffend tegen het Hinnom-dal, de oordelen uit, die komen zullen over die plaats.
Een “moorddal” (dal van slachting) zal gé-Hinnom straks heten, want de verslagenen in de oorlog zullen daar veel zijn (Jer. 7 : 31, 32), als het strafgericht over de afvalligen voltrokken wordt in de naderende benauwenis van oorlog en ondergang. Zo getuigt Jeremia. En het lijdt wel geen twijfel, of ook Jesaja heeft het oog op datzelfde dal van Hinnom, wanneer hij (Jes.66:24) zijn troostende profetie laat eindigen met de sombere nagalm van het zien van „ de lijken der mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen”.
Naar het dal van Hinnom werd, volgens rabbijnse overlevering, allerlei vuil gesleept om verbrand te worden. Ook dierenkadavers of de onbegraven lijken van veroordeelden en dergelijke onreine en verontreinigende dingen werden er òf aan verrotting, òf aan verbranding overgegeven.
De ironie van de historie: waar eens een “heiligdom” was van de afgoderij, daar kwam nu de mestvaalt van Jeruzalem. En de worm, die er altijd knaagde in de tot ontbinding overgegeven kadavers en het vuur dat steeds verteerde, ze bleven een bijna eeuwige bespotting van de voormalige afgodische aanbidding . . . .
Maar het joods bewustzijn trok een wijze les; het concludeerde uit deze ironie van de historie: het tofeth, de brandplaats van de mensen, zou het tofeth worden van God.
Gaandeweg kwam zo de gedachte op, dat
het dal van Hinnom een beeld was van de strafplaats van de goddelozen:Jes.31:9
“En hij zal van vrees doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.”
Jer.7:29
Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan: de HERE heeft verworpen en prijsgegeven het geslacht waarop zijn verbolgenheid rust. 30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn ogen, luidt het woord des HEREN; zij hebben hun gruwelen geplaatst in het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, 31 en zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen. 32 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet meer gezegd zal worden: Tofet en dal Ben-Hinnom, maar: Moorddal; en men zal in Tofet begraven bij gebrek aan plaats, 33 ja, de lijken van dit volk zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot voedsel strekken, zonder dat iemand ze verjaagt. 34 En Ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem doen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, want het land zal een verwoesting zijn.
Jes.66 :24
En zij zullen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen voor alle vlees een afgrijzing wezen.
Mal.4:1
1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.
( Dit beeld, dat het dal van Hinnom een beeld was van de strafplaats van de goddelozen is verder ook terug te vinden in de joodse literatuur, ook in de apocriefe, na de ballingschap, zie o.a.
Henoch 26:1 - 27:3 )
Gehenna (NT)En als Jezus Christus komt, dan gebruikt hij het woord: ge-henna, hetgeen grammatisch hetzelfde is als het in het OT al genoemde ge-hinnom, dal van Hinnom.
Het vergeten plekje in de omtrek van Jeruzalem is nu voor altijd symbool en analogie geworden van het eeuwige huis der smarten. Ook daar zullen — nu in volstrekte zin — de verslagenen zijn van God; ook daar zal de worm niet sterven en het vuur niet geblust worden.
Schrikwekkend zijn de kleuren, waarmee Jezus het beeld van die gehenna tekent. Een worm, die niet sterft. Een vuur, dat niet geblust wordt. Eeuwige smart. Buitenste duisternis. Pijn naar lichaam en ziel. Wenen en tandenknersen. Geen rust vinden. Verderf. Ondergang.Eindeloos, Eeuwig.
Jezus bedoelt niet het aardse plek want.. openb19:20 20:13-15
Dat is wat Jezus zegt.
Onder andere in: Mark.9:48, Mat.10:28; 6:23; 22:13; 25:30; 8:12; 13:42, 50; 24:51
En zijn discipelen en apostelen hebben ’t zóó ook weergegeven in woord en geschrift. Zie, behalve de reeds genoemde plaatsen o.a. nog Rom.2:5-9; 9:22; Gal.6:8; Fill.1:28; 3:19; I Thes.1:10; 5:3; 2Thes.1:9; Hebr.10:31; 2Pet.3:7 en verschillende plaatsen in de Openbaring van Johannes.
Zo klinkt over de wereld tweeërlei spraak van Jeruzalems omgeving uit: de stem van Golgotha, die verzoening meldt, en de stem van Hinnoms dal, die verwerping meldt.
God heeft Sion, de heilige berg, en ge-hinnom, het besmeurde dal, dicht bij elkaar geplaatst in welsprekend symbool. Maar de mensen hebben voor de zoveelste maal gescheiden, wat God had samengevoegd. Ze horen niet meer wat ge-hinnom, wat ge-henna zegt . . . .