Auteur Topic: De hel  (gelezen 17009 keer)

Titaan.

  • Berichten: 428
    • Bekijk profiel
De hel
« Reactie #150 Gepost op: september 16, 2011, 11:08:22 pm »

quote:

Trajecto schreef op 15 september 2011 om 11:20:
(...)
Gehenna slaat in feite op het Dal van Hinnom.
(...)

Het woord heeft niet alleen de betekenis gekregen van een geologische plek, maar is symbool geworden voor, en de betekenis gekregen van, een plek van eeuwige smart.


Gehenna  (OT)
De nieuwtestamentische naam ge-henna, die gebruikelijk is voor de hel, is niet anders dan de hebreeuwsche term ge-hinnom.
   [ De korte ‘i’ in hinnom werd als ‘e’ uitgesproken; en de uitgang ‘om’ werd ‘am’ in het aramees, en zoals meer gebeurt, de slot-m werd afgeworpen (p.s. ter aanvulling; andere bronnen zeggen kortweg: ge-henna is de griekse transliteratie van het hebreeuwse ‘ge-hinnom’) ]

En ge-hinnom betekent: het dal van Hinnom.
Wie Jeruzalem verliet in zuid-oostelijke richting zag het daar liggen tussen twee bergkammen
Een moordenaarskuil was ervan gemaakt; met verwerping van het uitdrukkelijke gebod van Jahwe (Deut.18:10, Lev.18:21, Lev.20:2), had men ter ere van Moloch hun kinderen daar gedood, vaak zelfs verbrand. Achaz, de koning, was zelf daarin het volk voorgegaan (2Kon.16:3; 2Kron.28:3 ) en Manasse was hem openlijk gevolgd (2Kon.21:6; 2Kron.33:6).
In de dagen van Jeremia, werd zelfs een regelmatige kinder-offerdienst in Hinnoms dal uitgeoefend.  
En „tofeth”, d.w.z. brandplaats, verbrandingsoord, dát was de schrikkelijke naam die, aangezien hij openlijk erkend was (Jes.30:33, Jer.19:14; 7:32; 19:6),  ál de ellende van de afval en van de verloochening van de fundamentele beginselen van de dienst des Heeren luid verkondigde.

Zó diep had deze gruwelijke zonde wortel geschoten, dat zelfs Josia’s protest-daad weinig ertegen had kunnen uitrichten. Wel had Josia in zijn reformeerend werk het tofeth laten verontreinigen, om zo de goddeloze offerdienst in het dal van Hinnom te beëindigen; wel had hij alles wat tot de Molochdienst behoorde, daar verbrand en het “heilige” tofeth doen verwoesten, (2Kon.23:10) maar het hielp net zo weinig als al het andere. En na Josia leefde de gruwel van het kinderen-offeren en verbranden onder de regering van Jojakim weer op. Die zonde werd nu zwaarder, naarmate Josia’s luid protest met sterk accent de gewetens had wakker geschud en de overtuiging van zonde en strafwaardigheid door de publieke afkondiging van de oude wet had verscherpt en verdiept.

Zo kon in die drukkende atmosfeer van geweten zonde en bewuste afval het dreigend conflict tussen profetie en volkswil niet uitblijven.
Straks komen de profeten, en met de stem van de donder spreken ze, dreigend de hand opheffend tegen het Hinnom-dal, de oordelen uit, die komen zullen over die plaats.
Een “moorddal” (dal van slachting) zal gé-Hinnom straks heten, want de verslagenen in de oorlog zullen daar veel zijn (Jer. 7 : 31, 32), als het strafgericht over de afvalligen voltrokken wordt in de naderende benauwenis van oorlog en ondergang. Zo getuigt Jeremia. En het lijdt wel geen twijfel, of ook Jesaja heeft het oog op datzelfde dal van Hinnom, wanneer hij (Jes.66:24) zijn troostende profetie laat eindigen met de sombere nagalm van het zien van „ de lijken der mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen”.

Naar het dal van Hinnom werd, volgens rabbijnse overlevering, allerlei vuil gesleept om verbrand te worden. Ook dierenkadavers of de onbegraven lijken van veroordeelden en dergelijke onreine en verontreinigende dingen werden er òf aan verrotting, òf aan verbranding overgegeven.  

De ironie van de historie: waar eens een “heiligdom” was van de afgoderij, daar kwam nu de mestvaalt van Jeruzalem. En de worm, die er altijd knaagde in de tot ontbinding overgegeven kadavers en het vuur dat steeds verteerde, ze bleven een bijna eeuwige bespotting van de voormalige afgodische aanbidding . . . .

Maar het joods bewustzijn trok een wijze les; het concludeerde uit deze ironie van de historie: het tofeth, de brandplaats van de mensen, zou het tofeth worden van God.
Gaandeweg kwam zo de gedachte op, dat het dal van Hinnom een beeld was van de strafplaats van de goddelozen:

Jes.31:9
 “En hij zal van vrees doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.”

Jer.7:29
Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan: de HERE heeft verworpen en prijsgegeven het geslacht waarop zijn verbolgenheid rust. 30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn ogen, luidt het woord des HEREN; zij hebben hun gruwelen geplaatst in het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, 31 en zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in mijn hart niet is opgekomen. 32 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat niet meer gezegd zal worden: Tofet en dal Ben-Hinnom, maar: Moorddal; en men zal in Tofet begraven bij gebrek aan plaats, 33 ja, de lijken van dit volk zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot voedsel strekken, zonder dat iemand ze verjaagt. 34 En Ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem doen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, want het land zal een verwoesting zijn.

Jes.66 :24
En zij zullen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen voor alle vlees een afgrijzing wezen.

Mal.4:1
1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.

 ( Dit beeld, dat het dal van Hinnom een beeld was van de strafplaats van de goddelozen is verder ook terug te vinden in de joodse literatuur, ook in de apocriefe, na de ballingschap, zie o.a. Henoch 26:1 - 27:3   )


Gehenna (NT)
En als Jezus Christus komt, dan gebruikt hij het woord: ge-henna, hetgeen grammatisch hetzelfde is als het in het OT al genoemde ge-hinnom, dal van Hinnom.
Het vergeten plekje in de omtrek van Jeruzalem is nu voor altijd symbool en analogie geworden van het eeuwige huis der smarten. Ook daar zullen — nu in volstrekte zin — de verslagenen zijn van God; ook daar zal de worm niet sterven en het vuur niet geblust worden.
Schrikwekkend zijn de kleuren, waarmee Jezus het beeld van die gehenna tekent. Een worm, die niet sterft. Een vuur, dat niet geblust wordt. Eeuwige smart. Buitenste duisternis. Pijn naar lichaam en ziel. Wenen en tandenknersen. Geen rust vinden. Verderf. Ondergang.Eindeloos, Eeuwig.

Jezus bedoelt niet het aardse plek want.. openb19:20  20:13-15

Dat is wat Jezus zegt.
Onder andere in: Mark.9:48, Mat.10:28; 6:23; 22:13; 25:30; 8:12; 13:42, 50; 24:51
En zijn discipelen en apostelen hebben ’t zóó ook weergegeven in woord en geschrift. Zie, behalve de reeds genoemde plaatsen o.a. nog Rom.2:5-9; 9:22; Gal.6:8; Fill.1:28; 3:19; I Thes.1:10; 5:3; 2Thes.1:9; Hebr.10:31; 2Pet.3:7 en verschillende plaatsen in de Openbaring van Johannes.
Zo klinkt over de wereld tweeërlei spraak van Jeruzalems omgeving uit: de stem van Golgotha, die verzoening meldt, en de stem van Hinnoms dal, die verwerping meldt.
God heeft Sion, de heilige berg, en ge-hinnom, het besmeurde dal, dicht bij elkaar geplaatst in welsprekend symbool. Maar de mensen hebben voor de zoveelste maal gescheiden, wat God had samengevoegd. Ze horen niet meer wat ge-hinnom, wat ge-henna zegt . . . .

Piebe

  • Berichten: 6200
  • oud katholiek
    • Bekijk profiel
De hel
« Reactie #151 Gepost op: oktober 07, 2011, 01:57:07 pm »

quote:

Pijn naar lichaam en ziel. Wenen en tandenknersen. Geen rust vinden. Verderf. Ondergang.Eindeloos, Eeuwig.

Jezus bedoelt niet het aardse plek want.. openb19:20 20:13-15

Vreemd dat knersing van tanden dan wel een aards fenomeen is in het OT (Ps 112,10; Klaagl 2,16) het lijkt mij ook nogal vreemd dat iemand die dood is zijn tanden knerst, want het lichaam blijft immers hier.

Ik heb Openbaring 19,20 er even bij gepakt, jij zegt dat het over een toestand na de dood gaat maar het vers zegt wat anders:

'Deze twee zijn levend geworpen in de poel des vuurs, die met sulfer brandt.'

Hoe kan iemand nou levend in een vuur geworpen worden wat na de dood brandt? Kortom, het verterende vuur waar in de Bijbel naar verwezen wordt is een aards vuur.

2 Petr 3,10
Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.

Als de hel een toestand na de dood zou zijn, waar gingen de elementen dan heen nadat ze verbrand en vergaan waren? Wat deden de elementen in de hel?
« Laatst bewerkt op: oktober 07, 2011, 02:01:32 pm door Piebe »
'Wie van zijn bezit of zijn werk leeft heeft het goed, maar wie een schat vindt heeft het beter.'

Titaan.

  • Berichten: 428
    • Bekijk profiel
De hel
« Reactie #152 Gepost op: oktober 19, 2011, 07:57:39 pm »

quote:

Piebe schreef op 07 oktober 2011 om 13:57:
(...) Hoe kan iemand nou levend in een vuur geworpen worden wat na de dood brandt? Kortom, het verterende vuur waar in de Bijbel naar verwezen wordt is een aards vuur.

De bijbel spreekt van eerste dood en van een tweede dood.
Je vraag in de kern is wellicht: hoe kan iemand die dood is ( eerste dood ) nog dood gaan ? ( tweede dood).

De tweede dood is de eeuwige dood. Die volgt op de dood door de zonden wanneer mensen zich niet hiervan bekeren.

Openb.21: 1,8
Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.
Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

quote:

Als de hel een toestand na de dood zou zijn, waar gingen de elementen dan heen nadat ze verbrand en vergaan waren? Wat deden de elementen in de hel?
Weet ik niet.
Zouden deze niet-aardse zaken te wonderlijk voor je zijn als het niet aan voldeed aan onze perceptie van hoe de aardse natuur in elkaar steekt ?
Ik neem aan dat niet ons voorstellingsvermogen of kennis over de toekomende zaken  voor ons leidend zijn bij het accepteren van bijbelse openbaringen over het leven na de dood.
(We hebben evenzo ontoereikend  begrip over hoe de hemel eruit ziet, hoe het zit met iemand die na elkaar 7 vrouwen getrouwd heeft enz. )


Beeldspraak
Intussen blijft het de vraag, wat we nu te denken hebben bij dit alles. Hoe is nu bedoeld, dat dreigende gerucht van worm en vuur, van vlam en duisternis, van knersende tanden en wenende ogen, van verminkte zielen en de dood ontvangende lichamen?
Gaat het om letterlijk échte vlammen, van wezenlijke wormen?
Het gaat hier om beeldspraak.
Want in de eerste plaats, de schildering, die ons in de bijbel gegeven wordt, dwingt zelf tot die opvatting, omdat ze beelden noemt die elkaar uitsluiten in letterlijke zin:  b.v. duisternis en vuurgloed.
Ook moet worden beseft dat de heerlijkheid van de hemel in de bijbel altijd getekend wordt in de kleurigheid van symbolische uitbeelding: witte klederen, harpen Gods, paarlen poorten, takken van palmen, witte keurstenen, gouden straten etc..
Trouwens, het spreekt vanzelf, dat de bijbel ons, mensen van de tijd, de dingen der eeuwigheid niet anders kàn zeggen, dan met behulp van woorden, beelden en begrippen, die aan dezen tijd ontleend zijn.  [Hij spreekt van het leven aan gene zijde, maar dan in beelden, die aan het leven aan deze zijde zijn ontleend ]

Zo wordt dan die worm naar deze opvatting ons een beeld van innerlijke zelfvertering, van het voortdurend knagen en klagen en vragen en plagen van de stem van ’t geweten, van spijt, wroeging, zelfbeschuldiging, zelfverwijt en zelfverachting.

Tandengeknars kan spreken over machteloosheid en wanhoop maar ook over boosheid en woede.
Te meer omdat er in de hel een besef zal zijn van de
hemelse heerlijkheid. Hiervan sprak Jezus in Lukas 13:28 waar Hij zegt: 'Daar zal
het geween zijn en het tandengeknars wanneer gij Abraham en Isaäk en Jacob
zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen'

Duisternis wil zeggen: uitgesloten van het licht van God. een plaats, waar de
laatste band met God is doorgesneden.
De buitenste duisternis is het teken van het door God verlaten zijn; in het buiten zijn (openb.22:15)
Het vuur doet denken aan het ondergaan van de toorn van God en de ernst van Gods oordeel zoals het vuur en zwavel bij Sodom en Gomorra (Gen.19:24).
Reeds op een van de eerste bladzijden van het Nieuwe Testament wordt van het vuur als een beeld van het oordeel gesproken. (mat.3:10 en 12, Matt 5:22). Zo zal aan het oordeel nooit een eind komen. Wie sterft zonder de Heer Jezus als zijn Heiland te hebben aanvaard zal zich eeuwig onder het oordeel van God bevinden.
Zie ook Judas 1:7
“Gelijk Sodoma en Gomorra, …, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.”
En 2Petr2:6  “En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven;”

Het vuur wordt zo profetie van benauwdheid, die ondraaglijk maakt geheel het bestaan.
De worm, dat is het symbool van een ontbindende macht, die van binnen uit werkt. Het vuur, dat is de illustratie van een dodelijke werking, die van buiten af komt. De dood in zich en de dood aan zich hebben, dat zijn inderdaad ontzettende dingen, waarbij dan natuurlijk geen ogenblik mag worden voorbijgezien, dat dood-zijn in de bijbel iets heel anders is dan niet-bestaan; dood zijn, dat is immers niet anders, dan innerlijk ontbonden zijn, dan innerlijk uiteengaan, dan verbrokenheid, die het tegenbeeld is van waarachtige levenscompositie. Zo komt er een wel zeer diepe klank van dreiging in de benaming „tweede dood”, die de Schrift hier bezigt.


Slechts beeldspraak ?
is de bijbelse helleprediking sober, ze is er niet minder somber om. Niemand zegge: het is maar zinnebeeldig en dus minder erg. Juist omgekeerd kan men zeggen: als reeds het beeld ontzagwekkend is, hoe verschrikkelijk moet dán wel het origineel zijn! Het is waar, de knersende tanden en de wenende ogen en de buitenste duisternis en de knagende worm en het verterende vuur — we hebben ze alle leren verstaan als predikers van zulke grootmachten van verderving, welke zich keren niet in de eerste plaats tegen het lichaam, maar vooral tegen de geest!  Wie durft hier zich troosten met een jammerlijk-kortzichtig: het valt dus wel mee? Is niet een gewonde ziel duizendmaal ellendiger dan een verscheurd lichaam? En zijn de weeën van de geest niet veel ondragelijker dan de smarten, die het vlees doorwoelen?

Voorzeker, nacht zal het daar zijn. Als doorgesneden is de band aan God, als daar is een diep en volslagen verlaten zijn van de Eeuwige, dan is heel de bestaansrichting van de mens afgeleid van haar oorsprong, en dus ook van haar waarachtige doel.


Als de vrees hiervoor is verdwenen, is er iets niet in orde. Dan zou Jezus’ waarschuwing, die we in het evangelie tegenkomen, geen zin hebben gehad: “Weest niet bevreesd voor hen, die wél het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel” (Matth. 10:28)
(bron: oa boekje van K.Schilder over de Hel)

Piebe

  • Berichten: 6200
  • oud katholiek
    • Bekijk profiel
De hel
« Reactie #153 Gepost op: oktober 19, 2011, 08:21:30 pm »
In mijn Bijbel staat dat het loon van de zonde de dood is (Rom 6,23) en dat is al erg genoeg zonder een of ander eeuwig brandend vuur. Aangezien de doden geen loon meer hebben Titaan en hun nagedachtenis is vergeten (Pred 9,5) kunnen wij dus concluderen dat ze vergaan zijn en niet voor eeuwig branden.
« Laatst bewerkt op: oktober 19, 2011, 08:23:00 pm door Piebe »
'Wie van zijn bezit of zijn werk leeft heeft het goed, maar wie een schat vindt heeft het beter.'