quote:
In mijn Telosvertaling wordt bij dit vers ook verwezen naar Mat. 19:28, omdat wedergeboorte in die betekenis alleen in Mat. 19:28 en Titus 3:5 voorkomt. Ik zal even de beide verzen in de Telosvertaling citeren:
Mat. 19:27-29 (Telosvertaling)Toen antwoordde Petrus en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal dan voor ons zijn? (28) Jezus nu zei tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.Titus 3:4-9 (Telosvertaling)Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is, heeft hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar zijn barmhartigheid, door [de] wassing van [de] wedergeboorte en de vernieuwing van [de] Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij, door zijn genade gerechtvaardigd, ergenamen werden naar [de] hoop van [het] eeuwige leven. Het woord is betrouwbaar, en ik wil dat je op deze dingen aandringt, opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken.
In beide teksten gaat het dus om een verandering van positie, een nieuwe stand van zaken, maar dat wordt niet door de doop bewerkt, maar door bekering en door de besnijdenis van het hart (daar gaat Ezechiël, maar ook Jeremia ook over).
Ik neem aan dat je je wel kunt vinden in de doop als een reinigingsritueel. Wat hierboven in Titus 3 beschreven wordt (en ook in Mattheüs 19:28) is geen reiningsritueel, maar een verandering van positie, een verandering in hartsgesteldheid.
In Kolossers 2:11-12 (waar ik het eerder over had) gaat het ook over de doop en het interessante aan dat vers is dat de doop daar parallel loopt met de besnijdenis. En dan komen we ook weer uit op Ezechiël, maar ook vind je zoiets in Jeremia. Namelijk dit: dat de besnijdenis van de voorhuid een uitwendig teken is van de belofte die God wil geven, namelijk de besnijdenis van het hart. De doop in het NT is een uitwendig teken van het discipel zijn in de wereld. En dat vind ik het heel duidelijk vertaald in de Telosvertaling
Kolossers 2:9ff in de Telosvertaling"Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk, en
u bent voleindigd in Hem. In Hem ben u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht,
in het uittrekken van het vlees, in de besnijdenis van Christus, met Hem begraven in de doop.
In Hem bent u ook mee opgewekt door het geloof in de werking van God die Hem uit [de] doden heeft opgewekt. En u, toen u dood was in de overtredingen en in de
onbesnedenheid van uw vlees, heeft Hij mee levend gemaakt met Hem, terwijl Hij ons alle overtredingen vergeven heeft; de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was,heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen. En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd."
Wat is die besnijdenis van Christus? Niet de besnijdenis op de achtste dag, alleen trekt Paulus een parallel door er wel aan te refereren. De besnijdenis op de achtste dag en de doop zijn beide reinigingsrituelen. Maar hij zegt hier niet dat besnijdenis en doop hetzelfde zijn. Hij suggereert wel een verband, maar niet dat ze hetzelde zijn. De doop heeft dus niet de plaats van de besnijdenis
ingenomen. De besnijdenis is een uitwendig teken van iets dat inwendig gebeurd is, namelijk de besnijdenis van het hart (getuige Jeremia en Ezechiël waren de Joden met dit verband bekend).
Dat is precies de besnijdenis die wij
niet ondergaan hebben. En die besnijdenis op de achtste dag is ook afgeschaft. Maar we hebben wel (als het goed is) de besnijdenis van het hart ondergaan. Maar dat hadden de oudtestamentische Joden ook!
Als je dan wel dingen met elkaar gaat verbinden, namelijk de besnijdenis van het hart met de doop, dan krijg je dingen zoals de veronderstelde wedergeboorte. Het is ook niet toevallig dat die leer voor een groot deel op dit vers gebaseerd is.
Zo is in Titus 3 'het bad van de wedergeboorte' ook niet de doop. Immers, de wedergeboorte is iets wat er van binnen gebeurt, en getuige Kol. 2 gebeurt dit 'niet met mensenhanden'. Als je dat wél doet, dan suggereer je namelijk dat iemand op het moment dat iemand gedoopt wordt wedergeboren is. Dan is de doop een symbool van de wedergeboorte. Dat is wat katholieken doen. Die schakelen doop met wedergeboorte gelijk. Lutheranen hebben er trouwens ook een handje van. Je gaat niet naar de hemel omdat je gedoopt bent. Je gaat wel naar de hemel omdat je wedergeboren bent. Dat feit alleen al suggereert dat het een geen symbool is van het ander.
Het geloof is in eerste instantie een zaak tussen de gelovige en God, dus iets
inwendigs. Wat is daar een
uitwendig teken van? Discipelschap. Je kunt aan iemands veranderde leven zien dat hij/zij een discipel van de Heer is. Aan iemands doop kun je niet zien of iemand wedergeboren is En dan krijg je dus dat gedoe van die katholieken, en dat halfslachtige gedoe van Abraham Kuyper.
Het probleem wat ontstaat is dat mensen nu die innerlijke besnijdenis van het hart gaan koppelen aan de doop. Maar als je de tekst goed leest staat dat er niet.
De wedergeboorte is de verandering van je hart (je krijgt een 'nieuw' hart van vlees). Dat is allemaal iets dat aan de binnenkant gebeurt. En daarvoor wordt het beeld van de besnijdenis gebruikt. 'Het vlees' is in Christus aan het kruis geoordeeld. En Christus onderging dat oordeel voor mij. Zodat als ik tot geloof kom, die geestelijke besnijdenis, niet met handen verricht. Dus het is iets volledig geestelijks, inwendigs. Niet direct zichtbaar aan de buitenkant.
De doop gaat over je relatie met de buitenkant, namelijk met de relatie met de mensen om je heen. Je christen-zijn is niet alleen die persoonlijke band met God die je hebt door je geestelijke besnijdenis, maar vooral ook van je getuigenis in deze wereld.
Daarom werden in het OT (en tegenwoordig nog steeds) proselieten én besneden én gedoopt. Je moet dus én besneden worden én gedoopt worden. Daarom doet Paulus er ook niet moeilijk over elders in de Bijbel om omwille van Joden Timotheüs te besnijden. Timotheüs was al gedoopt, maar hij hoefde niet besneden te worden, omdat hij al inwendig besneden was (besnijdenis van het hart).
Het teken van de besnijdenis wees vooruit naar de besnijdenis van Christus, namelijk een klein stukje vlees werd 'uitgetrokken'. Christus' is voor ons gestorven aan het kruis, ons oude vlees is aan het kruis genageld, dus daar hoeven we niet meer naar vooruit te verwijzen door ons te besnijden. We worden geestelijk besneden als we tot geloof komen en dat heet wedergeboorte.
Daarom wordt er in de Bijbel over de doop als introductierite gesproken (bekeren en dopen gebeurt bijna tegelijkertijd). Het zendingsbevel roept ook op éérst te dopen en dán pas de doop te leren verstaan. Doop en besnijdenis hangen wel nauw samen, maar het een is dus niet in de plaats van het ander gekomen. Daarom staat er dus 'in water én geest'. En elders in de Bijbel wordt met het 'water' ook wel het Woord aangeduid. Dus eigelijk staat er in Joh. 3 'Woord en Geest'. En dat is logisch want door de doop word je niet wedergeboren, maar wel door het horen van het Woord en de werking van Gods Geest.
Daarom kan dat waterbad van de wedergeboorte in Titus 3 niet op de doop slaan, het slaat hoogstens op de 'besnijdenis van het hart'. En dat is de wedergeboorte inderdaad. De doop is een getuigenis naar de buitenwereld, wedergeboorte de besnijdenis van het hart (iets tussen jou en God).
Daarom kun je de doop zien als symbool / teken van het discipelschap, maar niet van de wedergeboorte. Het 'waterbad van de wedergeboorte' is dus wat Paulus hier met de 'besnijdenis van het hart' / 'besnijdenis van Christus' aanduidt.
quote:
wel Hij was dood maar Hij leeft!
Ja, maar de opstanding van Christus kun je niet gelijktrekken met onze wedergeboorte. Wedergeboorte is dat God ons hart wil openen en ons tot Zijn kinderen aan wil nemen, doordat we geestelijk besneden zijn in Christus. Dit doet hij door zijn Woord waarin hij tot ons spreekt en door zijn Geest waarmee het zijn Woord in ons doet werken en niet door de doop. Toch?