quote:
op 15 Jun 2003 15:41:45 schreef Jakolien:
[...]
Volgens mij heeft het zwijggebod voor vrouwen helemaal niets met hoge stemgeluiden of de goede orde in de dienst te maken, maar is het echt een gebod van God zelf. Als je het vervolg leest van de tekst waarover we het hebben (1 Cor. 14:34, 35) lees je dat het vrouwen niet vergund is te spreken in de gemeente "omdat zij ondergeschikt moeten blijven, zoals de wet zegt".
In 1 Tim. 2: 11-15 wordt dat verder uitgelegd: "... maar ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag heeft over de man, want zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd en daarna Eva".
Het heeft m.i. dus alles te maken met Gods scheppingsorde. Hij heeft alles en iedereen een eigen taak en plaats gegeven. Het is NIET de taak van de vrouw om onderricht te geven in de gemeente, die verantwoordelijk gaf Hij aan de man.
De idee van een scheppingsorde is afkomstig uit de Grieks-heidense filosofie (de zgn. natuurfilosofen, Plato, Aristoteles en Plotinus) en is niet in de schrift terug te vinden. Via de kerkvaders (m.n. Ambrosius en Augustinus) zijn deze filosofieën de kerk binnengeslopen, maar dat maakt ze nog niet bijbels.
De leer van de scheppingsorde gaat er namelijk vanuit dat de mens in staat is om via de rede en door beschouwing van de verschijnselen en wetmatigheden in de natuur de wil van God te leren kennen.
De Bijbelse leer gaat niet uit van een scheppingsorde, maar neemt het verlossingswerk van God door Jezus Christus als centraal uitgangspunt voor ons handelen, denken en doen. En zoals er in Gal. 3, 28b staat: "in Christus is man noch vrouw...."
Daar Paulus geschoold was door de farizeeën en een volgeling was geworden van Jezus van Nazareth en niet van Plato of Aristoteles, is het niet mogelijk dat Paulus bij deze teksten uitgaat van een scheppingsorde. Het
"omdat zij ondergeschikt moeten blijven, zoals de wet zegt", heeft niet op de Torah betrekking, maar op de Griekse wetgeving van die dagen. In de Griekse samenleving van Paulus' tijd was het namelijk verboden dat vrouwen publieke functies uitoefenden en in het openbaar spreken werd beschouwd als het uitoefenen van een publieke functie
Wat betreft het "
... maar ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag heeft over de man, want zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd en daarna Eva": over deze tekst verstaat veel verschil van mening onder schriftuitleggers en deze tekst is ook niet duidelijk. Misschien dat het betrekking heeft op wat Paulus schrijft in 1 Tim. 1, 3 en 4 waar hij Timotheüs beveelt om
"bepaalde mensen te verbieden afwijkende leerstukken te verkondigen en zich bezig te houden met eindeloze mythen en genealogieën, zaken die alleen maar leiden tot haarkloverijen en niets bijdragen tot het geloof waarop Gods leiding berust." Mogelijk zegt Paulus hier alleen dat Adam voor Eva geformeerd is, om de mensen die met eindeloze genealogieën bezig waren lik op stuk te geven met hun eigen theorieën die niet deugden. Waarschijnlijk zegt Paulus hier bewust iets fout, want in Gen. 1, 27 valt duidelijk op te maken dat God man en vrouw tegelijk geschapen heeft en Adam niet eerder dan Eva of andersom.
Als God aan vrouwen niet de taak heeft gegeven om onderricht te geven, waarom heeft Hij vrouwen in de gemeente daar dan wel de gaven toe gegeven?
quote:
Waarom eist God in Zijn Woord dan dat bijzondere eerbewijs voor de oudsten/opzieners/voorgangers? Zie ook Hebr. 13:7. En in vers 17 :...want zij zijn het die waken over uw zielen". Díe speciale taak en verantwoordelijkheid heeft een secetaris toch niet!
In de door jou genoemde teksten kan ik niets over bijzonder eerbewijs vinden. Er staat het volgende:
quote:
Gedenkt uw leiders die u voor het eerst het woord van God verkondigd hebben. Haalt u weer hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof. (..)
Gehoorzaamt uw leiders en voegt u naar hen; zij zijn dag en nacht in de weer voor uw heil, want zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid. Zorgt ervoor dat zij hun taak met voldoening kunnen vervullen. Als zij steeds moeten zuchten en klagen, zou dat voor u niet voordelig zijn.

Het eerste gedeelte is trouwens ook een prima tekst om de verering van heiligen te rechtvaardigen, maar dat terzijde.
Het gaat hier over gehoorzaamheid en respect tegenover ambtsdragers en daar ben ik ook niet op tegen. Ouderlingen en diakenen zijn immers door ons op democratische wijze gekozen om zowel geestelijk als materieel leiding te geven aan de gemeente.
Hun gezag berust (overeenkomstig 1 Tim. 3) immers op het respect en vertrouwen dat de gemeente in hen heeft. Dat je ook besluiten van de Kerkenraad aanneemt en opvolgt is logisch. Maar om nu
bijzonder eerbewijs aan de ambtsdragers te geven, omdat ze voor een periode van vier jaar ouderling en diaken zijn, gaat mij toch iets te ver. Ik sluit mij aan bij een uitspraak van Luther: de herders dienen te waken over de kudde, maar de kudde dient de herders net zo goed hun zielenheil in de gaten te houden".
Ouderlingen en diakenen zijn te allen tijde verantwoording schuldig aan de vergadering van belijdende lidmaten van de gemeente en dienen af te treden als ze dwalen in hun levenswandel of als de gemeente het vertrouwen in het door hen gevoerde beleid opzegt.
Maar bovengenoemde opmerking maakt mij wel benieuwd naar jouw ambtsopvatting.