Nu ik toch begonnen ben me te mengen in deze gedachtenwisseling, misschien wil iemand me eens helpen met wat ik nog meer in I Korinte lees.
In 1:9 lees ik dat God de gemeente roept tot 'gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.' Als ik het goed begrijp wordt diezelfde gemeente in 1:2 beschreven als 'geheiligd zijn in Christus' en 'tot een heilig leven geroepen zijn'. Nu horen bij die heiligen ook de kinderen van gelovige ouders. Ook wanneer er maar één ouder gelovig is (7:14).
Dan is het volgens Paulus dus de bedoeling dat de hele gemeente, oud en jong (ieder die geheiligd is en tot een heilig leven geroepen wordt) tot gemeenschap met Christus geroepen wordt.
Wat nu zo opvallend is in deze brief van Paulus, is dat die gemeenschap met Christus voor het eerst weer genoemd wordt in 10:16, verzen die gaan over de viering van het avondmaal. En dat er in 10:17 meteen gesproken wordt over het gegeven dat er maar één brood is, en dat wij, hoevelen ook, één lichaam zijn, omdat we allen deel hebben aan dat ene brood.
Wanneer ik het beeld van Paulus over de gemeente tot mij door laat dringen, begrijp ik hem dan verkeerd wanneer ik zie dat Paulus eigenlijk de hele gemeenschap, oud en jong, aan tafel roept?
Ik heb ook nagedacht over 10,15. Daar spreekt Paulus tegen de 'verstandigen'. Blijkt daaruit dan niet dat Paulus vooral volwassenen op het oog heeft in vers 16? Maar als je kijkt waar het woord 'verstandig' verder nog voor komt, dan is de tegenstelling van verstandig niet 'iemand die nog niet zelfstandig geloofd', maar 'de dwaze of onverstandige Paulus'. Vergelijk zelf maar 4:10 en II Korinte 11:19. De kinderen zijn in 10,15 dus helemaal niet (verborgen) in beeld als tegenhanger van de verstandigen, maar Paulus zelf.
Ik hoor het wel.