Ik blijf het een bevredigende verklaring vinden. Ik vrees dus dat ik niet echt voor de gevraagde aanval kan zorgen... maar ik zal een poging ondernemen.
Waar ik vraagtekens bij heb, is de vergelijking tussen muziek en taal. Is muziek een taal? Dan zouden alle klinkende elementen symbolen moeten zijn met een min of meer vaststaande betekenis. In taal geldt dat elke keer als bijvoorbeeld het woord 'koelkast' gebruikt wordt, ook hetzelfde soort ding bedoeld wordt. Het concept 'koelkast' is weliswaar een abstractie, maar het gaat steeds om een apparaat dat een afgesloten ruimte bevat, waarin de temperatuur laag is. Een andere betekenis kan het niet hebben. Er zijn in de taal natuurlijk homoniemen, maar daarbij is vanuit de context meestal duidelijk wat er bedoeld wordt.
In muziek zijn er m.i. te veel 'homoniemen' om het als een echte taal te kunnen zien. Daaraan voorafgaand is het nog problematisch wat die betekenis überhaupt zou zijn. Bepaalde emoties? Maar zijn dat dan betekende emoties, of, door de muziek opgewekte, emoties? M.a.w. 'koelkast' is een concept, een kleine terts niet.
Maar, gesteld dat het om emoties gaat, betekent dan elke kleine terts een droevige emotie? Er zijn zat kleine tertsen die (mij in ieder geval) niet per se treurig stemmen. En als de (emotionele) betekenis zo sterk bepaald wordt door de context, dan is de vergelijking met taal problematisch. M.i. hebben de muzikale symbolen dus een te onduidelijke inhoud om muziek als taal te kunnen zien.
Die symbolen zelf zijn ook nog een bijkomend probleem. Waar vind ik die? Zijn het de intervallen, de akkoorden, ritmische figuren, cadenzen, hele muziekstukken, etc? M.a.w. wat zijn de betekenisdragers?
Verwante vragen:
- Als muziek een taal is, kun je een muziekstuk dan vertalen?
- Als muziek een taal is, kan er dan een 'woordenboek' gemaakt worden, waarin de betekenis van muzikale symbolen opgezocht kan worden? (Misschien waren de 'musikalische Figuren' van de 'Affektenlehre' een poging daartoe? - Ik ben trouwens benieuwd waar het getal 53 vandaan komt. Bij mijn weten is er in de zeventiende- en achttiende-eeuwse bronnen nergens een volledig uitgewerkte 'Affektenlehre'. Er zijn wel hedendaagse pogingen om tot een totaaloverzicht te komen (Bartel, Benitez, De Swerts), maar dat zijn constructies achteraf. Het lijkt erop dat elke componist toentertijd zijn eigen systeem hanteerde. En het is ook overduidelijk dat niet elk figuur overal en altijd hetzelfde betekent.)
Om nog abstracter te worden: Ik vraag me af of taal en muziek geheel vanuit het sociale verklaard kunnen worden, zoals in perrr's artikel lijkt te gebeuren. Bij zinnen als "Only because artist and audience share knowlegde of, and experience with the conventions (…) does the artwork produce an emotional effect" (cursivering van mij), gaat bij het woord 'only' bij mij onmiddellijk een rood lampje branden. Hoezo 'only'? Hoe bepaal je dat? Dat het sociale proces belangrijk is, is evident, maar dat dat het enige is wat een taal doet ontstaan lijkt me een onhoudbare claim. Je kunt het m.i. over het sociale aspect van een taal hebben, of over het talige aspect van muziek, of over het esthetische aspect van muziek, of het sociale aspect van muziek, etc. Maar die aspecten zijn m.i. onherleidbaar tot elkaar. Eigenlijk is dit een filosofische stellingname. Die dus ook op dat vlak uitgevochten moet worden (wat overigens niet mijn vak is). Maar het speelt wel een rol bij dit soort theorievorming, en het is dus m.i. wel relevant om het er op z'n minst bij te betrekken.
Toch kan, ondanks bovenstaande bedenkingen, de in het artikel gepresenteerde verklaring wat mij betreft overeind blijven. Ik vind het tweede gedeelte op zichzelf overtuigend. De 'resources' komen in handen van een andere sociale klasse (de lagere klasse), die daardoor dominant wordt. Resulterend in de huidige populaire cultuur, waarin inderdaad de massamedia een hoofdrol spelen.
De kant van de componisten is inderdaad nog onderbelicht (paragraaf 3, neem ik aan?)
Het geciteerde artikel van Dahlhaus biedt daarvoor enkele aanknopingspunten. Dahlhaus betoogt dat de avant-garde componisten in de jaren '50 en '60 hun werk zagen als een soort wetenschap, waar gezamenlijk aan gewerkt werd. Het gezamenlijke produkt was het 'muzikale materiaal'. Met deze opvatting verwijderen de componisten zich zelf van het publiek. Net als bij de 'echte' wetenschap kost het heel wat inspanning om de ontwikkelingen bij te houden. Bovendien vonden deze componisten (nog steeds volgens Dahlhaus) het wordingsproces van hun muziek belangrijker dan het klinkende resultaat. Om de muzikale ontwikkelingen bij te kunnen houden moet je dus (hoe paradoxaal) niet naar muziek luisteren, maar meelezen, meedenken en meediscussieren. Dat is bijna alleen voor professionelen weggelegd. Als 'het grote publiek' al had gewild, dan nog zou een goede receptie van die muziek onmogelijk zijn geweest. Deze componisten hebben dus, wat hun receptie betreft, hun eigen graf gegraven (terwijl zij het zelf hoogstwaarschijnlijk als een noodzakelijk proces zagen). Dit zou een alternatief voor het taal-model kunnen zijn. De hogere klasse bleef zich niet met de oudere muziek identificeren omdat ze de nieuwe taal niet machtig kon worden, maar omdat de nieuwe muzikale taal onbereikbaar was. Of eigenlijk niet eens bestond.