op 26 Aug 2003 08:23:34 schreef Chaveriem:
Aan Elle:
C: En vragen aan Chaveriem, omdat mij het een en ander niet geheel duidelijk is:
1) aVindt u dat christenen de eerder genoemde 613 geboden moeten houden? Of is het houden van alleen de 10 geboden van Mozes genoeg?
bWat als een christen om een of andere reden niet bij machte is de geboden van Mozes te houden (bijv: hij noemt zijn naaste in een boze bui ten onrechte 'leeghoofd' oid). Is dan zijn christen zijn onecht? Wie draagt de schuld van die overtreding?
#aDe 10 geboden (of woorden) zijn een samenvatting van de rest, of omgekeerd, de 613 zijn een uitwerking van de 10 (de 10 zitten er eigelijk bij in dus 603 zijn een uit werking van 10). Yeshua vat het verder samen tot 2: "Hebt G'd lief boven alles en uw naaste als u zelf." In tegenstelling wat veel mensen is dit geen nieuw gebod, maar een uit gebod.
Het Sh’ma Yisra’el is de K’lal Gadol baTora, de hoofdregel van de Tora, maar eigenlijk van de hele Bijbel, dus ook van het Nieuwe Testament, want ook Yeshua zelf bevestigt dit naar aanleiding van een vraag die een van de Tora-leraars aan Hem stelde: “En één der Soferim [schriftgeleerden], tot Hem komende, hoorde, dat zij met elkander redetwistten, en overtuigd, dat Hij hun goed geantwoord had, vroeg hij Hem: Welk gebod is het eerste van alle? Yeshua antwoordde: Het eerste is: Hoor, Israël, de Eeuwige, onze G’d, de Eeuwige is één! en gij zult de Eeuwige, uw G’d, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet. En de Sofer [schriftgeleerde] zeide tot Hem: Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers. En Yeshua [Jezus], ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk G’ds” (Marcus 12:28-34). Yeshua gaf als antwoord de ons bekende geloofsbelijdenis van Israël uit, Devarim [Deuteronomium] 6:4-9. Dit gebod over het liefhebben van G’d verbond Hij met het gebod over het liefhebben van je naaste als jezelf uit Vayiq’ra [Leviticus] 19:18, waarmee Hij deze twee Tora-citaten ging versmelten tot één groot dubbelgebod der liefde! In dit Grote Gebod wordt de totale boodschap van de Bijbel samengevat! Het antwoord van Yeshua zou ook vandaag door elke orthodoxe rabbijn zonder aarzelen kunnen worden onderschreven, want het drukt als geen ander belijdenis treffend de ziel van het hele Joodse geloof uit! Omdat namelijk de liefde tot je naaste in de Tora veel eerder wordt vermeld (Lev 19:18 en 34) dan de liefde tot G’d (Dt 6:5), trekken de rabbijnen daaruit de conclusie, dat slechts degene zijn naaste liefheeft ook in staat is om G’d werkelijk lief te hebben! Evenals Yeshua dit op de karakteriserende Joodse wijze deed, geeft ook Yochanan [Johannes] ons dit in zijn eerste brief op een niet mis te verstane wijze te kennen: “Indien iemand zegt: Ik heb G’d lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan ook G’d, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. En dit gebod hebben wij van Hem: Wie G’d liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben. Een ieder, die gelooft, dat Yeshua de Mashiach is, is uit G’d geboren; en ieder, die Hem liefheeft, die deed geboren worden, heeft ook degene lief, die uit Hem geboren is. Hieraan onderkennen wij, dat wij de kinderen G’ds liefhebben, wanneer wij G’d liefhebben en Zijn geboden doen! Want dit is de liefde G’ds, dat wij Zijn geboden bewaren. En Zijn geboden zijn niet zwaar!” (Yochanan alef [1 Johannes] 4:20-5:3). Dat men de liefde jegens G’d niet los kan zien van de liefde jegens je medemens is reeds door de eeuwen heen een vaststaand uitgangspunt in de Joodse literatuur. Op een soortgelijke vraag zoals die aan Yeshua werd gesteld, gaf ook Rabbi Yehoshua Heshel, één van de grote Joodse g’dsdienstfilosofen van de vorige eeuw, een soortgelijk antwoord: “Heb uw naaste lief, want hij is als u! Wat wil de Schepper ons daarmee zeggen? Welnu! G’d zegt: Ik heb u beiden als dragers van Mijn evenbeeld geschapen, zodat alle haat jegens uw naaste niets anders is dan verholen haat jegens G’d! Wanneer gij wrok koestert jegens uw naaste, hem hoont, verafschuwt of geringschat, dan doet gij dit ook de G’ddelijke Vonk aan, die in zijn hart brandt en die hem de adel van het ware mens-zijn verleent.”
Aan de rabbi van Zlozow werd op zekere dag door zijn Talmidim [leerlingen] gevraagd: “In de Talmud staat, dat onze vader Avraham de hele Tora heeft vervuld. Hoe is dat mogelijk, omdat de Tora toe nog niet gegeven was?” - Daarop gaf de rabbi het antwoord: “Er is niets anders hiervoor nodig, dan G’d en Zijn schepselen lief te hebben! Wil je iets doen en merk je dat het je liefde zou kunnen verminderen, weet dan: het is zonde! Wil je iets doen en merk je dat daardoor je liefde zal vermeerderen, weet dan: je wil is op G’d gericht! En zo ging het ook met onze vader Avraham!” – Van Hilel, de bekende schriftgeleerde ten tijde van Herodes I, die de Joodse exegese ordende (de Midrash), wordt gezegd, dat hij eens door een Goi [heiden] gevraagd werd wat de Tora precies inhield, waarop hij antwoorde: “Wat gij niet wilt dat u geschied, doet dat ook aan uw naaste niet! Dat is de gehele Tora, de rest is uitleg! Ga nu en leer!” - Rabbi Akiva leerde zijn Talmidim [leerlingen]: “Heb uw naaste lief als uzelf – dat is de allesomvattende hoofdregel van de Tora!” - En zo is het ook niet verwonderlijk dat Sha’ul [Paulus], die een Farizeeër was uit de school van Gamali’el, in zijn brief aan de Galaten praktisch dezelfde woorden gebruikte: “Want de gehele Tora is in één woord vervuld, in dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf!” (Gal 5:14) en in de brief aan de Romeinen: “Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de Tora vervuld. Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf!” (Rom 13:8-9).
bMooi voorbeeld is de AH affaire. Prins Bernhard betaald de boete, maar daarmee moeten de medewerkers zich wel aan de wet houden. Zo ook wij; Yeshua heeft de boete betaalt voor onze overtredingen, maar daarmee moet we ons nog wel aan Zijn regels houden. Met de woorden van Sha'ul:"Zo is dan de wet heilig en goed."
2) Hoe verklaart u dat Paulus zo anti-besnijdenis was, als besnijden voor christenen nog steeds gezond is (wellicht begrijp ik u hier verkeerd?).
#Verkeerd begrepen denk ik. Een gelovige uit de heidenen behoeven zich niet te laten besnijden, want dat is niet hun behoudenis. Wanneer zij dit toch willen om ingelijfd te worden in het Joodse volk uit solidariteit zou ik daar geen problemen mee hebben, maar nodig is het niet. Laten besnijden omdat Torah het zegt zxou in dit geval voor een heiden inderdaad het offer van Yeshua nutteloos maken, en is dan ook niet toegestaan. Voor iemand van Joodse afkomst ligt dat uiteraard wat anders, maar ook dan durf ik niet te zeggen dat het noodzakelijk is. Medisch gezien (aangetoond), is het een goede ingreep met voordelen, maar dat is van een andere orde.
En waarom zou Petrus een visioen hebben gekregen waarin de spijswetten teniet worden gedaan als het nog steeds goed is voor christenen om onderscheid te maken tussen rein en onrein?
#Dit visioen had geen betrekking op de spijswetten, maar op de scheiding tussen heidenen en niet-heidenen. Tot 3x toe slaat hij het af, doch hij wordt er niet omgestraft, niet eens om berispt. Wanneer je verder leest, dan zie je dat hij zelf zegt dat hij een visioen geha