Ik hoop dat mijn vraag niet teveel detoneert…
Ik was bezig met een essay over het historische waarheidsgehalte van bijbelse verhalen. Riskant! Vanuit atheïstisch standpunt; nog riskanter! Maar omdat mijn theologische kennis tekort schiet heb ik het opgegeven. Toch blijf ik nu met één kwestie zitten. Het gaat om de passage ‘Noach en zijn zonen, 9:18-29. Noach is na de Zondvloed landman en plant een wijngaard. Op een dag nuttigde hij teveel van zijn eigen product, hij is ook maar een mens tenslotte, en ‘ontblootte zich in zijn tent’. Terecht voegt de passage er niet aan toe dat hij daarna knockout ging, dat spreekt vanzelf. Zijn drie zonen troffen hem later in deze situatie aan en ‘namen een mantel en bedekten daarmee hun vaders naaktheid.’ Uit respect voor hun bejaarde vader hielden ze daarbij het aangezicht afgewend.
Een mooi verhaal. Maar ik quote verder:
‘Toen Noach uit zijn roes kwam en vernam wat zijn jongste zoon (Cham?) hem aangedaan had, zeide hij: Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders. Voorts zeide hij: Geprezen zij de Here; de God van Sem (Noach’s oudste zoon?), maar Kanaän zij hem tot knecht.’
Noach beloonde vervolgens zijn zonen Jafeth en Sem, maar Noachs kleinzoon, van zijn derde zoon, sleet inderdaad zijn dagen als bediende van de roemruchte familie…
Hier begrijp ik NIETS van. Volgens mijn constatering was Kanaän er niet eens bij toen grootvader iets ‘aangedaan’ werd. Noachs verwijt lijkt me sowieso onterecht, hij deed zichzelf iets aan, door zich voor schut te zetten. Mogelijk nam Noach de vader van Kanaän; Cham, kwalijk dat hij, als eerste, zijn vader ‘betrapte’ op een zondetje. Maar over Cham wordt verder niets meer gezegd.
Ik zie zeker de logica achter het levensverhaal van Noach. Maar het lijkt alsof hier een deel van de vertelling is weggelaten. Het gaat overigens om een schoolbijbeltje van het Nederlands Bijbelgenootschap, 1970.
Dus hoe moet ik dit interpreteren? Heb ik iets essentieels gemist?
Bij voorbaat dank voor een reactie!