Polariteit
Alles is tweevoudig, alles heeft twee polen, alles heeft zijn paar tegengesteldheden,
Gelijk en ongelijk is hetzelfde, tegenstellingen zijn identiek van aard, alleen verschillend in graad,
Uitersten raken elkaar, alle waarheden zijn slechts halve waarheden,
Alle tegenstrijdigheden kunnen met elkaar in overéénstemming worden gebracht.
Veel menselijke dwalingen zouden vermeden kunnen worden wanneer de wet van de polariteit beter begrepen werd. Het doel van de weg is de overwinning van de polariteit.
Het getal vier is van ouds een symbool voor de materie die het kruis voorstelt. Door de confrontatie met het stoffelijke en het materiele welke het begin van de weg van de evolutie is ( ochtend), moet de mens de polariteit leren begrijpen welke door het getal twee wordt gesymboliseerd.
Maar pas de oplossing van de polariteit in een derde brengt hem bij de avond van de volmaaktheid. Slechts wie dit vraagstuk oplost verwerft het eeuwige leven.
De wet van de polariteit wekt aanvankelijk een te eenvoudige, te vanzelfsprekende indruk dan dat het lonend lijkt om zich er nader mee bezig te houden. Alles wat de mens in de wereld van de verschijningsvormen aantreft en alles wat de mens zich kan voorstellen, openbaart zich steeds aan hem in twee polen. Het is voor de mens onmogelijk om zich een éénheid buiten de polariteit voor te stellen. In de getallensymboliek betekent dit, dat het getal één niet denkbaar is, zolang de twee nog niet is geschapen, de één veronderstelt de twee.
Op geometrisch gebied is dit makkelijker na te gaan. Het geometrische symbool van de één is de punt-een punt bezit noch een ruimtelijke noch een vlakke afmeting, anders was het een bol of een schijf. Een punt bezit geen dimensie. Een dergelijke punt kunnen mensen zich helemaal niet voorstellen, want elke voorstelling van een punt bezit altijd een afmeting, ook wanneer die nog zo klein is. Deze éénheid is dus voor de mens onbegrijpelijk.
Zijn bewustzijn gehoorzaamt de wet van de polariteit. Het valt onder de twee. Zo is er plus en minus, elektrisch en magnetisch, zuur en alkalisch, majeur en mineur, goed en kwaad, licht en duisternis. De reeks zou oneindig kunnen worden voorgezet omdat er voor elk begrip een tegenpool is. Zulke begrippenparen noemen we tegenstellingen, en we zijn er aan gewend in het concrete geval de vraag “of-of” te stellen. We proberen voortdurend alle verschijnselen in begrippenparen onder te brengen. Iets is of groot of klein, licht of donker, goed of kwaad. We zijn van mening dat deze tegenstellingen elkaar uitsluiten, hier ligt onze denkfout.
De werkelijkheid bestaat uit eenheden die zich aan het menselijk bewustzijn echter alleen polair openbaren. We kunnen de eenheid als eenheid niet waarnemen. Waaruit we niet mogen concluderen dat deze niet bestaat. De waarneming van de polariteit veronderstelt onontkoombaar het bestaan van een eenheid. De twee kan steeds alleen maar het gevolg van de een zijn. We zien de eenheid steeds alleen maar in twee aspecten die ons tegengesteld lijken. Maar juist tegenstellingen vormen samen een eenheid en zijn in hun bestaan van elkaar afhankelijk.
De fundamentele menselijke ervaring van de polariteit is de adem. Wanneer we inademen, dan volgt zonder verder toedoen met absolute zekerheid als het tegenpool het uitademen. Dit levert het ritme op. Ritme is het grondpatroon van al het leven. Verstoort men het ritme dan verstoort men het leven. Wie weigert uit te ademen kan ook niet meer inademen en omgekeerd. Want een pool leeft van het bestaan van de andere pool. Verwijder ik een pool, dan verdwijnt de andere ook. Een pool dwingt de andere pool af. Wat bij het ademen voor iedereen wel iets vanzelfsprekends is, wordt echter op bijna alle andere gebieden geminacht.
Zolang de mens in zijn houding en instelling “voor iets” en “tegen iets” is, verstoort hij eenheden.
De tuinman mest zijn rozen in de tuin niet met geurende parfum opdat de rozen het volgend jaar buitengewoon lekker ruiken, hij mest daarentegen met stinkende gier.
Een wijsheid is dat men de tot elk toe geldende mening de tegenpool verdedigt, en wel zo lang tot beiden polen even belangrijk zijn. Op dat moment maakt men zich automatisch los uit de polariteit en begint vanuit een hoger derde punt de polariteit als geheel te begrijpen.
De wet van de polariteit maakt ook dat alles wat bestaat het recht heeft om te bestaan. Binnen een wetmatige functionerende kosmos kan er nooit iets zijn “wat eigenlijk niet zou moeten zijn” Alleen de mensen hebben er een gewoonte van gemaakt de wereld in te delen in dingen die mogen zijn en in dingen die er eigenlijk niet zouden moeten zijn. Met een dergelijke houding verzet men zich echter tegen de werkelijkheid. Elk verschijnsel is zinrijk, anders zou het niet eens kunnen ontstaan. Wie dit niet wil accepteren moet het begrip toeval weer invoeren.
Zo zegt Goethe’s Mefisto in Faust: “ Ik ben een deel van die kracht, die steeds het kwade wil, en steeds het goede doet.
Kan het licht bestaan zonder de duisternis?