Matthéüs 7:21
Het is niet voldoende als wij zeggen dat wij in Christus geloven en dan doen wat naar onze mening juist is. Het is absoluut noodzakelijk dat wij nagaan wat Gods wil in deze kwestie is. Jezus toonde dit aan in zijn Bergrede toen hij zei: „Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen ingaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is.” Matthéüs 7:21.
Wij zouden zelfs in de naam van Christus dingen kunnen doen die naar onze mening „goede daden” zijn. Toch zou dat allemaal geen waarde hebben als wij niet Gods wil deden. Wij zouden in dezelfde positie verkeren als de mensen over wie Christus vervolgens zegt: „Velen zullen op die dag tot mij zeggen: ’Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam demonen uitgeworpen, en in uw naam vele krachtige werken verricht?’ En toch zal ik hun dan in het openbaar bekendmaken: Ik heb u nooit gekend! Gaat weg van mij, gij werkers der wetteloosheid” (Matthéüs 7:22, 23).
Ja, wij kunnen dingen doen waarvan wij denken dat ze goed zijn — dingen waarvoor anderen ons misschien bedanken en zelfs prijzen — maar als wij niet doen wat volgens God juist is, zullen wij door Jezus Christus als „werkers der wetteloosheid” worden beschouwd.
Daar veel religies in deze tijd Gods wil niet doen, kunnen wij niet zonder meer aannemen dat de leerstellingen van de religieuze organisatie waartoe wij behoren, in overeenstemming zijn met Gods Woord.
Louter het feit dat een religie de bijbel gebruikt, bewijst nog niet dat alles wat die religie leert en beoefent, ook in de bijbel staat. Het is belangrijk dat wij zelf onderzoeken of dit al dan niet het geval is.
Mensen in de stad Beréa werden geprezen omdat zij, nadat de christelijke apostel Paulus tot hen had gepredikt, de Schrift onderzochten om er zeker van te zijn dat hetgeen hij hun vertelde, waar was (Handelingen 17:10, 11). De religie die door God wordt goedgekeurd, moet in elk opzicht met de bijbel kloppen; ze zal niet bepaalde delen van de bijbel aanvaarden en andere verwerpen. 2 Timótheüs 3:16.
Groetjes