Zelf kom ik in een evangelische gemeente en als ik deze brieven lees, dan huiver ik onwillekeurig. Het doet mij denken aan vroeger, toen ik ook nog gereformeerd was, járen gelden. Eeen preek in twee gedeeltes, met een tussenzang. Eindeloze discussies of de lofzang van weet ik wie, nu wél of juist niet gezongen mocht worden. Eindeloos geruzie of er met hele of halve noten gespeeld moest worden, of de nieuwe berijming nu wél of niet ingevoerd werd, of er een plant voorin de kerk mocht staan, en de tucht waar mijn vader mee te maken kreeg toen hij betrapt werd op het spelen van een lied uit Johannes de Heer op zijn harmonium. Mijn tante en oom die mét hun vrienden voortijdig de kerk verlieten, boos, omdat het koninginnedag was en de organist in een rebelse bui het Wilhelmus inzette.
Van minuut tot minuut was de dienst gepland, inderdaad, votum en groet, de wet, de psalmen ( vers 1,3 en 7), de cent die ik vast moest klemmen in mijn knuistje omdat mijn moeder zo arm was en niemand mocht zien dat het maar een cent was. Er moest toch een gebaar het zakje in toch? Waar is/was de vrijheid van de Heilige Geest in de diensten? Waar de Geest van de Heer is, is toch vrijheid volgens Gods Woord? Wat nu als God het eens anders wil op zo'n morgen, kan Hij er dan nog tussenkomen? Wat te denken van 1 Cor: 14 26 ¶ Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden.
27 Indien er in tongen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat een uitleg geven.
28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken.
29 Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.
30 Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen.
31 Want gij kunt alleen een voor een profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen.
Ik wil hier geen dicussie over bepaalde gaven voeren, maar wél het "ieder heeft iets principe" Wat nu als ik in een vrijgemaakte kerk kom, en ik heb die week een mooi getuigenis meegemaakt? Of ik heb een prachtig danklied op mijn hart? Wat nu als er een lied in mijn hart opborrelt, maar het komt per ongeluk uit de Opwekkingsbundel? Is daar dan plaats voor? Is er ruimte voor een ieder die iets heeft? B.v.:
Ik kniel neer, en belijd, U ben Heer, in dit huis.
U bent mijn leven, mijn licht
ik zoek Uw aangezicht
aan Uw voeten, dicht bij U
Kniel ik neer, kniel ik neer.
Mogen we dan gezamenlijk onze knieen buigen? Of verstoren we dan de liturgie?
Ik word zo verdrietig van die vastberadenheid als het gaat om het behouden van alleen de Psalmen ( die ik nooit begreep), de afwezigheid van goed kinderwerk, en de veroordeling van alles wat niet is "zoals we het altijd gedaan hebben"
Word het niet tijd, de Heilige Geest te vragen wat we kunnen doen, om weer zoutend zout te zijn en lichtend licht, zodat de buurtbewoners de kerken binnenkomen omdat ze weten dat daar léven is, en dat daar de oplossing is voor de ellendige situatie waar ze in verkeren. Word het niet tijd dat we stoppen met het naar binnen gericht zijn, het behouden van hoe het altijd was, en de neuzen naar buiten te richten? De tale kanaans verruilen voor taal die mensen van nu begrijpen, liederen te maken die harten van de ongelovigen aanraken, en muziek die helend werkt, voor mensen die kapot zijn en húnkeren naar de liefde van God. Word het geen tijd dat ook de vrijgemaakte kerk zich mag verheugen in nieuwe bekeerlingen en hun kerk niet alleen zien groeien door geboorten van eigen leden? Wat denk je dat God vraagt als we later voor hem staan? Hebben jullie de juiste liturgie bewaakt, of zou Hij vragen of we de blijde boodschap aan een gebroken wereld hebben verkondigd? Er is feest in de hemel als één zondaar zich bekeert, niet als de liturgie van minuut tot minuut gevolgd is.
Wordt wakker lieve broers en zusters, de velden zijn wit om te oogsten, en arbeiders zijn er maar weinig. Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieeen, en maak een recht spoor, opdat hetgeen kreupel is niet uit het gelid rake maar veeleer genezen. Gods zegen, Wilhelmina